Heidens gebed
In de stilte van de nacht
Als de maan hoog aan de hemel staat
En de lichtjes één voor één uitgaan,
om weer boven ons te verreizen
De drukte van de schemer voorbij deemstert:
Geritsel, getrippel, gestruikel en gesluip …
Een fluistering zo alles verstomd
Zachtjes met de wind mee,
wandelend op blote voeten,
gezwind door het natte gras
Welk pad ze ook kruist,
varens, berk en eik
Een erehaag die ze telkens krijgt
Naar waar de roep haar lonkt
Een sprankelende bron,
te midden van alle groene weelde
Geknield in eerbied
Het water dat langs haar naakte vel stroomt,
Prevelend de woorden van dankbaarheid,
een gepolijste kei, geplukt van de aarde
Strelend over elk stukje leven
De benen die ons overal naartoe brachten,
de vulva die ons het leven schonk,
de buik die ons gedragen heeft,
de borsten die ons voedde,
de hals en mond die ons riep,
Telkens valt de kei,
gedaan zijn de woorden,
de blik beneden in het kristallen water
Weerspiegeld het gezicht dat vele kanten toont
Elk stukje anders: de jeugdige rimpelloosheid,
oude ogen vol wijsheid …
En dan vingers die gretig druppels omhoogstuwen,
gewassen is het nieuwe,
waar het oude vervaagd
Oh, Ostera!
Kijk alle wat je ons zo rijkelijk schonk
De duisternis verglijdt,
Verdwaasd wilde wezens weer verschijnen,
uit de schemering over verse dauw en spurtend onder de zon
Ga weer,
tot wanneer je terug zal komen
Ons geluk, liefde en leven …
En elk een gezegend begin geeft!