Ilse Janssens

Gebruikersnaam Ilse Janssens

Teksten

Mijn eerste werkdag

Over een carrièreswitch gesproken! De vorige week zat ik nog in het muffe bankfiliaal van mijn schoonbroer. Nu bevond ik me in het kloppende hart van Europa, het Europees Parlement! Dit kantoortje was wel nog kleiner dan dat van de bank, maar ik zat hier toch maar. Hier gebeurt het, hier worden de debatten gevoerd, de belangrijke beslissingen genomen. Uitwendig was ik een en al rust, inwendig trilde ik van opwinding en van de zenuwen. Ik wilde mijn werk goed doen en een goede indruk maken. Ik ging werken voor Suomen Keskusta, de Finse Centrumpartij. Finland was net toegetreden tot de Europese Unie en de partij had vijf verkozenen in het parlement. Ik ging de secretaris van de partij bijstaan met het opzetten van hun kantoor en allerlei praktisch en administratief werk doen. De leider van de delegatie was Olli Rehn, die het later tot Europees Commissaris zou schoppen. Die eerste dag was Tuomo, de secretaris, me komen halen aan de ingang van het parlementsgebouw en had me door een wirwar van gangen naar het kantoortje geleid. Er stonden twee bureaus, recht tegenover mekaar, en een lege boekenkast. Ik zou mijn werkplaats delen met Seppo Pelttari, een ander nieuwbakken parlementslid. Hij was nog niet gearriveerd maar ik kon me alvast nuttig maken door de post rond te delen. Voor de rest was er nog niet veel te doen. Er was veel post, vooral kleurrijke brochures, gedrukt op dik, glanzend papier. Ik maakte stapels op het bureau van elk parlementslid. Later in de voormiddag maakte ik kennis met de genaamde Seppo. Hij was een kleine, iets oudere man en zag er een beetje nors uit. Hij gaf me een hand en mompelde iets van ‘nice to meet you’. Seppo zette zich aan het werk en begon de post door te nemen. Hij wierp een blik op elke brief en brochure en mikte die dan een voor een in de papiermand. De klus was op een halve minuut geklaard. Zo kan ik het ook. Vervolgens begon hij te telefoneren. Zijn mond ging open en er kwam een ononderbroken stroom van harde klanken uit. ‘Tak tak tak nien totta totta no nien tak tak ...’ Ik speelde voor luistervink maar kon er niet veel van maken. Wat kon ik nu nog doen? Mister Pelttari negeerde me compleet en was nog steeds aan het bellen. Tuomo had gezegd dat ik maar even moest wachten. Ik besloot koffie te gaan zoeken in het Europese labyrint en toen ik terugkwam van de koffiekamer, dook hij weer op. Of ik even bij Mister Rehn kon komen. Het kantoortje van Olli was naast het mijne. Ik klopte op de deur, de coming man van het moedige Finse midden zat aan zijn bureau te blinken. Hij begroette me en vroeg wat ik ervan vond. Ik stamelde iets in de aard van : ‘Het is allemaal nieuw, ik vind het heel interessant. Ik zie het helemaal zitten.’         Olli knikte bemoedigend. Hij had een eerste opdracht voor mij. ‘I have a question for you. Can you buy seets for me?’ Hij legde uit dat hij pas zijn intrek had genomen in zijn nieuwe appartement en dat zijn bed nog niet was opgemaakt. O juist, ‘sheets’. Even vergeten dat Finnen geen 'sh' kunnen zeggen.  ‘And orans joes.’ Sinaasappelsap voor bij het ontbijt. Olli haalde zijn portefeuille boven en gaf me een briefje van tienduizend frank. Ik nam het aan, moffelde het in mijn jaszak en begon aan mijn missie. Het eerste wat ik tegenkwam was een superette. Ik ging er naar binnen, nam een karton sinaasappelsap uit de rekken en ging naar de kassa. Ik tastte in mijn jaszak. Leeg. Andere jaszak dan. Niks! Het begon te suizen in mijn oren. Met trillende vingers doorzocht ik mijn portefeuille, nee, ik moest me vergist hebben. Dit kon niet waar zijn. Ik rende terug naar de drankafdeling, klampte het winkelpersoneel aan. Mijn benen en armen wogen honderd kilo. Ik betaalde met mijn bankkaart, stormde naar buiten en liep het hele traject terug naar het parlement. Alsof het nog ergens zou liggen! Woorden schoten tekort om te mezelf uit te kafferen. Een normaal mens steekt zoveel geld goed weg, niet los in een jaszak! Het deed fysiek pijn toen ik mijn bankkaart en het geld uit de automaat nam. Met slepende benen zette ik mijn zoektocht naar een winkel van beddengoed verder. ‘Kiitos, thank you. Very nice,’ glimlachte Mister Rehn toen ik het gevraagde, samen met het wisselgeld, op zijn bureau deponeerde. Met een knallende migraine zat ik op de trein terug naar Antwerpen. In mijn vermoeide, pijnlijke hoofd botsten en stuiterden de gedachten : aan mijn eerste werkdag, het saldo op mijn bankrekening, mijn toekomst bij de Europese Unie. Ik ga goed opletten, geen fouten meer maken. Suomen Keskusta kan op me rekenen. Olli Rehn was in ieder geval tevreden.      

Ilse Janssens
0 0

Vlinderpaleis

Zomer 2015 Het is een grijze dag. Ik doe mijn fiets op slot en wandel over de Bolivarplaats. De tram klingelt naar een verstrooide voetganger, jonge gastjes in baggy kleren doen met veel geplof en gekletterkunstjes op hun skateboard. Ik beklim de trappen naar de hoofdingang van het Vlinderpaleis, het Antwerpse gerechtsgebouw. Ik heb nooit kunnen beslissen of ik het mooi of lelijk vind, imposant is het zeker. Aan de ingang gaat mijn handtas door de scanner. In de grote inkomhal fantaseer ik even dat ik een rol heb in een misdaadserie. Terug naar de realiteit nu, naar de receptie. De mevrouw van Slachtofferhulp komt me tegemoet. Ik heb haar gesproken aan de telefoon, ze klonk vriendelijk en professioneel empathisch. Ze brengt me naar een klein kantoortje zonder ramen. Op haar bureau ligt een dikke map. ‘Ik kan niet op alle vragen antwoorden,’ zegt ze, ‘want ik ben geen dokter. U kan het dossier inkijken en foto’s maken.’ Een camera heb ik niet, ik ben nog altijd niet gezwicht voor de dictatuur van de smartphone. Ze geeft me een pen en papier, ik begin te lezen. Het verslag van de politie. ‘Dit klopt al niet. Hij had geen hamer in zijn hand, die lag naast hem.’ Dat ik een deken over hem had gegooid was natuurlijk absurd. Alsof een dode het koud zou hebben of over nog enig schaamtegevoel zou beschikken. Maar mijn eerste reactie, naast blinde paniek, was dat het niet waar kon zijn, dat hij gewoon naar het ziekenhuis moest. Het verhoor van de buurvrouw. Er komt een golf aangerold, van verdriet, en dan nog een, van woede. Er is me gezegd dat ik ‘niet in mijn emotie mag duiken’. De persoon die hier beschreven wordt, is niet mijn broer. Die kort voor het gebeurde nog zijn verjaardag vierde, samen met mij en onze ouders. Hij had heerlijk gekookt. Dat kon hij heel goed, hij kookte elke dag. En hij dronk er graag wijn bij. En oké, hij dronk graag Duvel maar hij was geen alcoholist en zeker geen barse misantroop. ‘Mensen hebben snel hun oordeel klaar’, probeert ze te troosten, ‘zonder de persoon te kennen.’ Mijn verhoor.  ‘Mijn broer was in zijn leven nogal veel depressief en hij had clusterhoofdpijn. Tevens was hij chronisch pijnpatiënt. Gisteren is hij niet langsgekomen bij mijn ouders hoewel hij normaal wekelijks langsgaat. Mede hierdoor ben ik vandaag gaan kijken of alles in orde was. Ik heb Diederik in de woonkamer gevonden en heb onmiddellijk de ziekenwagen verwittigd. Diederik nam veel medicatie voor zijn pijn en dronk af en toe.’ Het verslag van de autopsie is bevreemdend. Alsof hier geen mens maar een voorwerp wordt beschreven dat opengesneden en bestudeerd wordt. Ik begrijp alleen dat er niks abnormaals gevonden werd. De agenten hadden me al gezegd dat ze niet dachten aan geweld van derden of aan een wanhoopsdaad. Toch werd zijn dood als een verdacht overlijden beschouwd en zijn appartement werd verzegeld. Ik mocht Vicky, zijn kat, zelfs geen eten meer gaan geven. ‘Die vangt wel een muis.’   Dan volgen de foto’s, van zijn appartement. ‘Hij was precies een beetje in de war,’ zegt ze. Ik heb het opgegeven mensen uit te leggen dat het niet zomaar een rommelige vrijgezellenflat was. Een half jaar geleden had onze Dirk dit appartement gekocht, hij had het geschilderd, foto’s van zijn neefjes en nichtjes aan de muur gehangen, bloemen op het terras gezet. We waren bij de Ikea Billy kasten gaan halen, waarin hij al zijn dikke boeken met zorg had uitgestald. Wat ik die dag aantrof was een ravage. Wat was er in zijn hoofd omgegaan? Wat was hij van plan met het gereedschap dat overal verspreid lag, met al die proppen papier , waarom had hij spullen vernield? We zullen het nooit weten. De doodsoorzaak staat wel vast. Ik lees : ‘braakselaspiratie veroorzaakt door medicamenteuze intoxicatie.’ De dosis medicatie die gevonden was in zijn bloed was toxisch maar niet dodelijk. Verder werden er geen drugs of andere stoffen in zijn bloed gevonden. Hij is gestikt in zijn braaksel. Zoals Jimi Hendrix, denk ik. Wat een domme dood. ‘En waar ga je nu naartoe?’ ‘Naar mijn vriend.’ ‘En zal het gaan?’ 'Ja.' Het moet wel. Ik moffel het A4-tje in mijn handtas, ze begeleidt me naar de uitgang. Als ik buitenkom, is het beginnen miezeren. De skaters zijn er niet meer. Ik laat mijn fietssleutel vallen, vloek en raap hem op. Ik moet nog naar de Delhaize. ‘s Avond belt mijn zus en vertelt dat er een nieuwe thuis is gevonden voor Vicky. Daar ben ik blij om.

Ilse Janssens
13 1