Vlinderpaleis
Zomer 2015
Het is een grijze dag. Ik doe mijn fiets op slot en wandel over de Bolivarplaats. De tram klingelt naar een verstrooide voetganger, jonge gastjes in baggy kleren doen met veel geplof en gekletterkunstjes op hun skateboard. Ik beklim de trappen naar de hoofdingang van het Vlinderpaleis, het Antwerpse gerechtsgebouw. Ik heb nooit kunnen beslissen of ik het mooi of lelijk vind, imposant is het zeker. Aan de ingang gaat mijn handtas door de scanner. In de grote inkomhal fantaseer ik even dat ik een rol heb in een misdaadserie. Terug naar de realiteit nu, naar de receptie.
De mevrouw van Slachtofferhulp komt me tegemoet. Ik heb haar gesproken aan de telefoon, ze klonk vriendelijk en professioneel empathisch. Ze brengt me naar een klein kantoortje zonder ramen. Op haar bureau ligt een dikke map.
‘Ik kan niet op alle vragen antwoorden,’ zegt ze, ‘want ik ben geen dokter. U kan het dossier inkijken en foto’s maken.’ Een camera heb ik niet, ik ben nog altijd niet gezwicht voor de dictatuur van de smartphone. Ze geeft me een pen en papier, ik begin te lezen.
Het verslag van de politie.
‘Dit klopt al niet. Hij had geen hamer in zijn hand, die lag naast hem.’
Dat ik een deken over hem had gegooid was natuurlijk absurd. Alsof een dode het koud zou hebben of over nog enig schaamtegevoel zou beschikken. Maar mijn eerste reactie, naast blinde paniek, was dat het niet waar kon zijn, dat hij gewoon naar het ziekenhuis moest.
Het verhoor van de buurvrouw.
Er komt een golf aangerold, van verdriet, en dan nog een, van woede. Er is me gezegd dat ik ‘niet in mijn emotie mag duiken’. De persoon die hier beschreven wordt, is niet mijn broer. Die kort voor het gebeurde nog zijn verjaardag vierde, samen met mij en onze ouders. Hij had heerlijk gekookt. Dat kon hij heel goed, hij kookte elke dag. En hij dronk er graag wijn bij. En oké, hij dronk graag Duvel maar hij was geen alcoholist en zeker geen barse misantroop.
‘Mensen hebben snel hun oordeel klaar’, probeert ze te troosten, ‘zonder de persoon te kennen.’
Mijn verhoor.
‘Mijn broer was in zijn leven nogal veel depressief en hij had clusterhoofdpijn. Tevens was hij chronisch pijnpatiënt. Gisteren is hij niet langsgekomen bij mijn ouders hoewel hij normaal wekelijks langsgaat. Mede hierdoor ben ik vandaag gaan kijken of alles in orde was. Ik heb Diederik in de woonkamer gevonden en heb onmiddellijk de ziekenwagen verwittigd. Diederik nam veel medicatie voor zijn pijn en dronk af en toe.’
Het verslag van de autopsie is bevreemdend. Alsof hier geen mens maar een voorwerp wordt beschreven dat opengesneden en bestudeerd wordt. Ik begrijp alleen dat er niks abnormaals gevonden werd. De agenten hadden me al gezegd dat ze niet dachten aan geweld van derden of aan een wanhoopsdaad. Toch werd zijn dood als een verdacht overlijden beschouwd en zijn appartement werd verzegeld. Ik mocht Vicky, zijn kat, zelfs geen eten meer gaan geven.
‘Die vangt wel een muis.’
Dan volgen de foto’s, van zijn appartement.
‘Hij was precies een beetje in de war,’ zegt ze.
Ik heb het opgegeven mensen uit te leggen dat het niet zomaar een rommelige vrijgezellenflat was. Een half jaar geleden had onze Dirk dit appartement gekocht, hij had het geschilderd, foto’s van zijn neefjes en nichtjes aan de muur gehangen, bloemen op het terras gezet. We waren bij de Ikea Billy kasten gaan halen, waarin hij al zijn dikke boeken met zorg had uitgestald.
Wat ik die dag aantrof was een ravage. Wat was er in zijn hoofd omgegaan? Wat was hij van plan met het gereedschap dat overal verspreid lag, met al die proppen papier , waarom had hij spullen vernield? We zullen het nooit weten.
De doodsoorzaak staat wel vast. Ik lees : ‘braakselaspiratie veroorzaakt door medicamenteuze intoxicatie.’ De dosis medicatie die gevonden was in zijn bloed was toxisch maar niet dodelijk. Verder werden er geen drugs of andere stoffen in zijn bloed gevonden. Hij is gestikt in zijn braaksel. Zoals Jimi Hendrix, denk ik. Wat een domme dood.
‘En waar ga je nu naartoe?’
‘Naar mijn vriend.’
‘En zal het gaan?’
'Ja.'
Het moet wel.
Ik moffel het A4-tje in mijn handtas, ze begeleidt me naar de uitgang.
Als ik buitenkom, is het beginnen miezeren. De skaters zijn er niet meer. Ik laat mijn fietssleutel vallen, vloek en raap hem op. Ik moet nog naar de Delhaize.
‘s Avond belt mijn zus en vertelt dat er een nieuwe thuis is gevonden voor Vicky. Daar ben ik blij om.