Tafel
Ik dien niet. Nergens toe, niemand niet, ik dien niet: ik draag en weet me geschraagd door poten, ja poten dus, van die dingendie om het lijf niets hebben.
Ik heb vanalles naar mijn hoofd gekregen: bureauaccesoires, snijgerief, hakblokken,ben tot onderzetter gebombardeerd, koffiepotvlekkenreservoir, heb weet van wijnvlekken, de allerergste, bierspetters, zwijnerijen, dijengeklets.
Ik ben tot designmeubel verheven, computerunit, part of the family, (I. uit Zweden)u kent dat wel.Maar ik dien geen vaderland.
Ik spreek tot disgenoten als vreemdenonder elkaar. Geen woorden, geen mening, stom gefluister. Een plank op poten ben ik, bijna metershoge poten, en hard als ijs voor wie mij breken wil.