De schipper uit Gaza
Van sommige mensen snap ik niet hoe ze maar blijven doorgaan, als mieren torsen ze vele malen hun eigen gewicht. Zo iemand was Hassan Albahaar.
Hassan was schipper op zee. Hij beminde het wijde water als zijn vrouw Hana. Zij gaf en nam, trok weg, kwam terug en hij deinde met haar mee. Zijn schip doorkliefde haar golven, ontweek haar klippen. Hij zag telkens opnieuw hoe de zon in haar verdronk, maar bij ochtendgloren kwam hij terug voor haar parels en haar vis. Hassan Albahaar, minnaar van de zee.
Maar meer nog dan van de zee, hield Hassan van zijn twee dochters. Hij vertelde hen
verhalen, uit het water gevist, verhalen over Sindibaad, de mythische scheepsjongen.
Elke avond na zijn werk, was het eerste wat zijn dochters hem vroegen: ‘Baba, heb je
Sindibaad de schippersjongen weer gezien?’ ‘Sindibaad?’ Hassan trok zijn wenkbrauwen op. ’Laat me even denken. O ja, natuurlijk, hoe kon ik dat nu vergeten! ’t Is dankzij hem dat ik mijn beide benen nog heb!’
Het verhaal rolde van zijn tong. Hij viste zijn volgende zinnen uit de ogen van zijn dochters, die flikkerden van verwachting. ‘… en toen Sindibaad net de eerste kop van het monster had afgehakt, vroeg hij hoe het met mijn dochters was. Ik moest eerst de tweede kop afhakken voor ik kon antwoorden. Ik vertelde hem over je prachtig schoolrapport Sanaa! En Mira, Sindibaad was blij te horen dat je je naam al kan schrijven!’ ‘En met wie wil hij later trouwen?’ vroegen zijn dochters. ‘Sindibaad kan niet trouwen, hij heeft last van landziekte.’ Zijn twee dochters zetten een pruillip op.
Toen de oudste Sindibaad ontgroeid was en de jongens hun eerste blikken op haar wierpen, mocht Sanaa met vader mee de zee op. Ze hielp hem de zeilen spannen en gooide het net uit, zo ver ze kon. De zee was rustig en vader vertelde haar hoe diep zij wel was, hoe zij pas brak aan het oppervlak, brak en schuimde op de zeespiegel.1 De lucht, zo sprak Hassan, is blauw omdat de zee dat ook is. Wat hield Sanaa van die zee, met haar onmetelijke diepte waar haar vader vis, parels en verhalen uit rakelde!
Tegen de avond kwam er een verraderlijke wind opzetten. ‘Dit is de laatste worp!’, bulderde haar vaders stem tegen de gierende wind in. Hassan bukte zich om een zeemansknoop te leggen aan zijn kant van het net, toen hij opschrok door het geluid van ijzer dat tegen de mast sloeg. Waar een tel eerder Sanaa had gestaan, wapperde nu vrij de andere hoek van het net. De paniek nam als een djinn bezit van zijn lichaam.
‘Sanaa!’ De zwarte zee kolkte en Hassans lippen verwrongen. Hij schreeuwde de longen uit zijn lijf, kamde als een razende de waterspiegel af. Hij rende van bak- naar stuurboord, van de staart naar het steven, bleef rennen tot zijn benen hem niet meer konden dragen.
Uitgeput en misselijk zeeg hij neer. De paniek ebde weg, en maakte plaats voor een
nieuw gevoel: haat. Hij haatte de zee.
Zijn vrouw Hana rouwde luid en ruw, een maand lang, en ging gekleed in het zwart. Ze rouwde traditioneel, vond in de traditie haar kracht. Zijn dochter Mira was te jong om de dood te kunnen bevatten. Ze voelde enkel het gemis. Sindibaad had haar grote zus meegenomen naar de diepzee. Ze zouden elkaar wel nooit meer weerzien.
Hassan wilde de zee niet meer op. Hoe kon hij vissen in het zelfde water dat hem zijn dochter had ontnomen? In de vroege ochtenduren zag je hem aan de branding staan, in sandalen en zijn uitgerafelde linnen broek. Hij wachtte, wachtte tot de zee het teergeliefde lichaam zou teruggeven. Hij wachtte wekenlang. In zijn slaap zag hij haar steeds weer tussen de golven opdoemen, schuimend en gebroken op de zeespiegel. Die akelige droom zou nooit weggaan, wist Hassan. De andere vissers die hem op het strand tegenkwamen, kregen medelijden en gaven soms wat sardientjes en schol mee, die zijn vrouw thuis in stilte braadde. Ze aten in stilte.
Maar de andere vissers kregen het moeilijk. Iedereen kreeg het moeilijk. Door de politiek raakten er nauwelijks nog goederen de Gazastrook in of uit. Zijn land was een openluchtgevangenis geworden. ‘Zo kan het niet langer,’ prevelde zijn vrouw Hana op een dag. ‘We komen nog om van de honger.’ Zijn dochter Mira staarde wezenloos voor zich uit. Op school had haar juf gevraagd of ze zich wel goed voelde, haar gezichtje was zo bleek. Hassan keek op, keek na lange tijd weer eens echt naar de gezichten van zij die er wel nog waren. Hij zag hun ingevallen kaken, de holle blik in hun ogen. Hij wendde zijn hoofd af van schaamte. Hana heeft gelijk, dacht hij, zo kan het niet langer.
De volgende ochtend stond hij vroeg op, ruilde zijn sandalen voor rubberen botten, en
sleepte zijn boot terug naar de branding. Hij moest de zee op, want de zee, de moordenaar van zijn dochter, gaf hem voedsel om de rest van zijn gezin te onderhouden. Het kostte tijd, maar mettertijd, leerde Hassan de zee vergeven. Hij kon haar niet haten, besefte hij. Zij gaf en nam. Hij werkte nu nog harder dan voorheen, voer uit lang voor de zon opkwam en had zijn eerste buit al binnen toen de andere vissers de koorden nog maar van de aanlegpalen hadden losgemaakt. Op de markt schreeuwde zijn vrouw Hana de longen uit haar lijf om alle vis aan de man te brengen.
Zo schreden de jaren voort en Hassan voelde hoe de tijden veranderden. Mannen met
baarden waren gekomen en zeiden dat de onderdrukking van hun volk hun eigen schuld was, een straf van God omdat zijn onderdanen niet onderdanig genoeg waren. Hassan wist dat ze fout waren. God was als de zee, hij gaf en nam. Maar de hemel was de zee vergeten, merkte Hassan op. Zij was niet meer blauw. De hemel was niet meer de weerspiegeling van het water. Zij was grijs geworden, en donkerrood, verlicht enkel door de bommen van de oorlog.
Mira’s gezicht had weer kleur gekregen. Zij dacht vaak hoe haar zus met Sindibaad de
zeeën bevoer, zag hen samen aan het stuur staan. Hij met een vogel op de schouder, zij met drie dolken om haar middel. Wat zou ze toch graag opnieuw haar vader horen vertellen. Ze wist dat achter zijn verroeste zeemanslippen een schat aan verhalen besloten lag, maar ze durfde er niet naar vragen. Elke dag na het spelen op het strand, wanneer ze met haar vriendinnetjes uitgeteld op haar rug in het zand lag, vertelde Mira zelf. Het zeemansleven was niet gemakkelijk, maar Sanaa had zichzelf onmisbaar gemaakt op het schip van Sindibaad. Dankzij haar was hij al aan de verschrikkelijkste doden ontsnapt. Mira’s vriendinnen hingen aan haar lippen, en zelfs de jongens staakten hun voetbalmatch om binnen hoorafstand op het strand te komen liggen.
Die dag hing de stofwolk van de oorlog dreigend boven de stad. De grijze lucht deed
Mira denken aan het Schotse klimaat, waar haar zus en Sindibaad toevallig een stekje
hadden. Met haar handen de vestingmuur van een zandkasteel aankloppend, begon ze te vertellen: ‘Sindibaad kreeg deze burcht cadeau van een bevriende Schotse graaf, Mac Flury. Indertijd heeft Sindibaad hem eens van de verdrinkingsdood gered in het Loch Ness, maar dat is een heel ander verhaal. Het slot telt vele gastenkamers. Dat moet ook wel, want vanuit de verste uithoeken van de wereld komen alle vrienden van Sanaa en Sindibaad er samen voor het Suikerfeest.’ Mira tekende ramen met zicht op zee op de muren van het zandkasteel. ‘Er zijn wel genoeg bedden om onze hele wijk te laten logeren. We kunnen vast daar terecht als de oorlog blijft duren.’
‘Ja!’ riepen de meisjes in koor. Ze begonnen prompt met de aanleg van een danszaal,
boogschietveld en Turks bad in het zand. Niemand hoorde het suizen van het projectiel.
Later troostten hun familieleden elkaar door te zeggen dat ze vredig waren gestorven,
luisterend naar de fantastische verhalen van de kleine Mira. De bom kwam totaal onverwacht. Ze hadden geen pijn geleden.
Hassan en Hana zeiden geen woord toen ze het nieuws hoorden. Hassan sloot zijn ogen. Ze hadden dit scenario al besproken. Deze plaats had hen niets meer te bieden. Ze liepen samen naar de oude vissersboot. Niemand hield hen tegen. De zee was geen vijand, zij gaf en nam. De zee fluisterde, de oorlog schreeuwde. De oorlog nam alleen, nam veel. Ze had zijn tweede dochter genomen, en die van zijn buren, en van zijn achterburen. De oorlog was onnatuurlijk. Hassan kon haar niet plaatsen, zij kwam overal. De oorlog had geen branding als uiterste punt. Ze was onberekenbaar. Daarom haatte hij haar. Haar kon hij niet vergeven.