Johannes D.

Gebruikersnaam Johannes D.

Teksten

Caïro, november 2021

druppels vallen petrichor dik en wij zijn de eersten die ze vangen de ober oud aan de rand en ik dronken en bloot op het dak het was wachten op een zeldzaamheid om te beschrijven wat deze stad met mijn hoofd heeft gedaan hierboven zie ik alles de stippen zijn nog mensen tussen muren van gebrand oker maar straks vlieg ik weg en wordt Caïro een vlek en de Nijl een dampende slang in het zand het wemelt hier van ontgoocheling en vermorzelde dromen de vrouwen dragen de patronen van geribbelde politiezolen in hun jurken en ik zuig mee aan de duizend sigaretten die ze roken ik vraag hoeveel de whiskey kost en wanneer mijn boeman aan komt draven vallen de druppels dik in het glas onze jongens zijn als bliksem zegt de ober ze zullen altijd ooit de aarde raken, en hoe zwemmen in een Nijl die leegloopt het meisje dat ik ontmoet heet vrouw maar ze draagt donkere glazen om haar kindertranen te verbergen haar armen en benen spinnen als een vacht geaaid willen ze worden en haar nek en haar hoofd en de drie moedervlekken tussen haar wenkbrauwen als de gordel van Orion maar de huid waarnaar ze smacht zit gebrandmerkt in de cel en ik voel me steeds kleiner naast HAAR er is de man die bleef schrijven in de cel temde hij zijn taal op keukenpapier hij blies in het vuur en zijn woorden werden witheet hij smeedde zijn taal tot een dolk tot een bloem tot zachte bijenwas zijn taal werd een sterke, buigzame legering duurzaam en onbekommerd om de roest die meteen begint te vreten want ook morgen wordt het niet wat het vandaag had moeten zijn en voor de gevangenispoorten van Abu Zaabal staat een lange rij wachtenden met smeltende taarten ze weten niets van de truck die nooit zal vertrekken ook zij dragen zonnebrillen, opdat ik niet zie hoe ze twijfelen hun zonen en vaders rotten weg voor vijf pakken Marlboro mogen ze hun ouders bellen ‘Mam, deze truck is  te heet en de mannen roken steeds en toen vuurde een gek traangas in de laadruimte en nu zijn we dood’ en ik op het dak van de stad voel hun krop in mijn keel voor hij die bleef schrijven wil ik schrijven en hoezo mag ik dromen hoezo wilde ik ooit acteur of natuurontdekker of dichter worden er zitten monsters in de cel en het gas kwam uit de VS en was de houdbaarheidsdatum voorbij en hoe kun je blijven doordrammen over grasmaaiers op zondag en de studiekeuzes van prinsessen en applaudisseren voor de escorte van dode farao’s deze plek heet Odéon Palace en het is oud en het vervalt en de ober wacht op me aan de glazen deur van het dakterras de laatste druppel heeft de grond geraakt en hij weet precies hoe laat het is hoe lang het duurt eer de ijsberg in mijn glas gesmolten is en mijn whisky lauw water wordt  

Johannes D.
15 0

De schipper uit Gaza

  Van sommige mensen snap ik niet hoe ze maar blijven doorgaan, als mieren torsen ze vele malen hun eigen gewicht. Zo iemand was Hassan Albahaar.   Hassan was schipper op zee. Hij beminde het wijde water als zijn vrouw Hana. Zij gaf en nam, trok weg, kwam terug en hij deinde met haar mee. Zijn schip doorkliefde haar golven, ontweek haar klippen. Hij zag telkens opnieuw hoe de zon in haar verdronk, maar bij ochtendgloren kwam hij terug voor haar parels en haar vis. Hassan Albahaar, minnaar van de zee.   Maar meer nog dan van de zee, hield Hassan van zijn twee dochters. Hij vertelde hen verhalen, uit het water gevist, verhalen over Sindibaad, de mythische scheepsjongen. Elke avond na zijn werk, was het eerste wat zijn dochters hem vroegen: ‘Baba, heb je Sindibaad de schippersjongen weer gezien?’ ‘Sindibaad?’ Hassan trok zijn wenkbrauwen op. ’Laat me even denken. O ja, natuurlijk, hoe kon ik dat nu vergeten! ’t Is dankzij hem dat ik mijn beide benen nog heb!’   Het verhaal rolde van zijn tong. Hij viste zijn volgende zinnen uit de ogen van zijn dochters, die flikkerden van verwachting. ‘… en toen Sindibaad net de eerste kop van het monster had afgehakt, vroeg hij hoe het met mijn dochters was. Ik moest eerst de tweede kop afhakken voor ik kon antwoorden. Ik vertelde hem over je prachtig schoolrapport Sanaa! En Mira, Sindibaad was blij te horen dat je je naam al kan schrijven!’ ‘En met wie wil hij later trouwen?’ vroegen zijn dochters. ‘Sindibaad kan niet trouwen, hij heeft last van landziekte.’ Zijn twee dochters zetten een pruillip op.   Toen de oudste Sindibaad ontgroeid was en de jongens hun eerste blikken op haar wierpen, mocht Sanaa met vader mee de zee op. Ze hielp hem de zeilen spannen en gooide het net uit, zo ver ze kon. De zee was rustig en vader vertelde haar hoe diep zij wel was, hoe zij pas brak aan het oppervlak, brak en schuimde op de zeespiegel.1 De lucht, zo sprak Hassan, is blauw omdat de zee dat ook is. Wat hield Sanaa van die zee, met haar onmetelijke diepte waar haar vader vis, parels en verhalen uit rakelde!   Tegen de avond kwam er een verraderlijke wind opzetten. ‘Dit is de laatste worp!’, bulderde haar vaders stem tegen de gierende wind in. Hassan bukte zich om een zeemansknoop te leggen aan zijn kant van het net, toen hij opschrok door het geluid van ijzer dat tegen de mast sloeg. Waar een tel eerder Sanaa had gestaan, wapperde nu vrij de andere hoek van het net. De paniek nam als een djinn bezit van zijn lichaam.   ‘Sanaa!’ De zwarte zee kolkte en Hassans lippen verwrongen. Hij schreeuwde de longen uit zijn lijf, kamde als een razende de waterspiegel af. Hij rende van bak- naar stuurboord, van de staart naar het steven, bleef rennen tot zijn benen hem niet meer konden dragen.   Uitgeput en misselijk zeeg hij neer. De paniek ebde weg, en maakte plaats voor een nieuw gevoel: haat. Hij haatte de zee.   Zijn vrouw Hana rouwde luid en ruw, een maand lang, en ging gekleed in het zwart. Ze rouwde traditioneel, vond in de traditie haar kracht. Zijn dochter Mira was te jong om de dood te kunnen bevatten. Ze voelde enkel het gemis. Sindibaad had haar grote zus meegenomen naar de diepzee. Ze zouden elkaar wel nooit meer weerzien.   Hassan wilde de zee niet meer op. Hoe kon hij vissen in het zelfde water dat hem zijn dochter had ontnomen? In de vroege ochtenduren zag je hem aan de branding staan, in sandalen en zijn uitgerafelde linnen broek. Hij wachtte, wachtte tot de zee het teergeliefde lichaam zou teruggeven. Hij wachtte wekenlang. In zijn slaap zag hij haar steeds weer tussen de golven opdoemen, schuimend en gebroken op de zeespiegel. Die akelige droom zou nooit weggaan, wist Hassan. De andere vissers die hem op het strand tegenkwamen, kregen medelijden en gaven soms wat sardientjes en schol mee, die zijn vrouw thuis in stilte braadde. Ze aten in stilte.   Maar de andere vissers kregen het moeilijk. Iedereen kreeg het moeilijk. Door de politiek raakten er nauwelijks nog goederen de Gazastrook in of uit. Zijn land was een openluchtgevangenis geworden. ‘Zo kan het niet langer,’ prevelde zijn vrouw Hana op een dag. ‘We komen nog om van de honger.’ Zijn dochter Mira staarde wezenloos voor zich uit. Op school had haar juf gevraagd of ze zich wel goed voelde, haar gezichtje was zo bleek. Hassan keek op, keek na lange tijd weer eens echt naar de gezichten van zij die er wel nog waren. Hij zag hun ingevallen kaken, de holle blik in hun ogen. Hij wendde zijn hoofd af van schaamte. Hana heeft gelijk, dacht hij, zo kan het niet langer.   De volgende ochtend stond hij vroeg op, ruilde zijn sandalen voor rubberen botten, en sleepte zijn boot terug naar de branding. Hij moest de zee op, want de zee, de moordenaar van zijn dochter, gaf hem voedsel om de rest van zijn gezin te onderhouden. Het kostte tijd, maar mettertijd, leerde Hassan de zee vergeven. Hij kon haar niet haten, besefte hij. Zij gaf en nam. Hij werkte nu nog harder dan voorheen, voer uit lang voor de zon opkwam en had zijn eerste buit al binnen toen de andere vissers de koorden nog maar van de aanlegpalen hadden losgemaakt. Op de markt schreeuwde zijn vrouw Hana de longen uit haar lijf om alle vis aan de man te brengen.   Zo schreden de jaren voort en Hassan voelde hoe de tijden veranderden. Mannen met baarden waren gekomen en zeiden dat de onderdrukking van hun volk hun eigen schuld was, een straf van God omdat zijn onderdanen niet onderdanig genoeg waren. Hassan wist dat ze fout waren. God was als de zee, hij gaf en nam. Maar de hemel was de zee vergeten, merkte Hassan op. Zij was niet meer blauw. De hemel was niet meer de weerspiegeling van het water. Zij was grijs geworden, en donkerrood, verlicht enkel door de bommen van de oorlog.   Mira’s gezicht had weer kleur gekregen. Zij dacht vaak hoe haar zus met Sindibaad de zeeën bevoer, zag hen samen aan het stuur staan. Hij met een vogel op de schouder, zij met drie dolken om haar middel. Wat zou ze toch graag opnieuw haar vader horen vertellen. Ze wist dat achter zijn verroeste zeemanslippen een schat aan verhalen besloten lag, maar ze durfde er niet naar vragen. Elke dag na het spelen op het strand, wanneer ze met haar vriendinnetjes uitgeteld op haar rug in het zand lag, vertelde Mira zelf. Het zeemansleven was niet gemakkelijk, maar Sanaa had zichzelf onmisbaar gemaakt op het schip van Sindibaad. Dankzij haar was hij al aan de verschrikkelijkste doden ontsnapt. Mira’s vriendinnen hingen aan haar lippen, en zelfs de jongens staakten hun voetbalmatch om binnen hoorafstand op het strand te komen liggen.   Die dag hing de stofwolk van de oorlog dreigend boven de stad. De grijze lucht deed Mira denken aan het Schotse klimaat, waar haar zus en Sindibaad toevallig een stekje hadden. Met haar handen de vestingmuur van een zandkasteel aankloppend, begon ze te vertellen: ‘Sindibaad kreeg deze burcht cadeau van een bevriende Schotse graaf, Mac Flury. Indertijd heeft Sindibaad hem eens van de verdrinkingsdood gered in het Loch Ness, maar dat is een heel ander verhaal. Het slot telt vele gastenkamers. Dat moet ook wel, want vanuit de verste uithoeken van de wereld komen alle vrienden van Sanaa en Sindibaad er samen voor het Suikerfeest.’ Mira tekende ramen met zicht op zee op de muren van het zandkasteel. ‘Er zijn wel genoeg bedden om onze hele wijk te laten logeren. We kunnen vast daar terecht als de oorlog blijft duren.’ ‘Ja!’ riepen de meisjes in koor. Ze begonnen prompt met de aanleg van een danszaal, boogschietveld en Turks bad in het zand. Niemand hoorde het suizen van het projectiel.   Later troostten hun familieleden elkaar door te zeggen dat ze vredig waren gestorven, luisterend naar de fantastische verhalen van de kleine Mira. De bom kwam totaal onverwacht. Ze hadden geen pijn geleden.   Hassan en Hana zeiden geen woord toen ze het nieuws hoorden. Hassan sloot zijn ogen. Ze hadden dit scenario al besproken. Deze plaats had hen niets meer te bieden. Ze liepen samen naar de oude vissersboot. Niemand hield hen tegen. De zee was geen vijand, zij gaf en nam. De zee fluisterde, de oorlog schreeuwde. De oorlog nam alleen, nam veel. Ze had zijn tweede dochter genomen, en die van zijn buren, en van zijn achterburen. De oorlog was onnatuurlijk. Hassan kon haar niet plaatsen, zij kwam overal. De oorlog had geen branding als uiterste punt. Ze was onberekenbaar. Daarom haatte hij haar. Haar kon hij niet vergeven.  

Johannes D.
41 0

Rien à déclarer

Een man verklaart zijn liefde aan een vrouw op straat. Zij antwoordt: dat is lief, maar liever niet. En ook dat liefde niet te verklaren valt.   De man kijkt bedroefd.   Ik heb daar een leuke anekdote over, zegt ze om de man te troosten. Wil je het horen? Ik zag het allemaal zelf gebeuren.   Goed als ik in medias res begin?   Liever ab ovo, zegt de man, dan kan ik beter volgen.   Oké, zegt de vrouw. Ik stond eens in de luchthaven in de rij.   Rien à déclarer? vroeg de douanier. Si, antwoordde een vrouw, mon amour.   De douanier zei dat dat niet grappig was, dat op liefde zware taksen stonden, en dat ze even mee moest komen naar een kamer met een deur waar een slot op zat.    De vrouw antwoordde dat ze dacht dat dat niet waar was, dat ze een koppel kende waarvan beide partijen vroeger elk in een ander Duitsland woonden, en dat dat inderdaad weinig kostenefficiënt was, maar dat nu zowel Duitsland als de Europese markt eengemaakt waren en daardoor de taksen weggevallen. En of hij wist wat een anachronisme was.   Ik kan niet volgen, zei de man.   Niet erg, antwoordde de vrouw, ik vond juist een beter argument. Ik hoorde ooit dat liefde een uitzondering is, omdat het geen grenzen kent. Dat moest hij eerst even opzoeken.    Mag ik je gsm gebruiken? De mijne is plat. De vrouw liet dat toe.   Inderdaad, zei de man na een poos, op liefde is geen VAT te krijgen. Mijn oprechte excuses.   De vrouw zei dat het geen erg was, maar dat ze nu toch wel een beetje nieuwsgierig was geworden naar dat kleine kamertje van hem. De man suggereerde dat als ze het kamertje zo graag wilde zien, ze misschien kon zeggen dat ze vier kilogram cocaïne bij zich had.   Goed idee, zei de vrouw. Ik heb vier kilogram cocaïne bij me, maar het zit wel goed verstopt. Dan zal ik je moeten handboeien, zei hij. Waarom? Zo is nu eenmaal de procedure. De procedure? De vrouw gaf de douanier een knipoog en hij begon  onprofessioneel te blozen.    In het kamertje zei hij nog dat ze het recht had om in het Nederlands te antwoorden, want dat Brussel meertalig was. Maar uiteindelijk werd er tijdens de hele procedure erg weinig gesproken.   Het onderzoek duurde zo lang dat de reizigers tot in de Duty Free Shop stonden aan te schuiven. Zoiets hadden ze in Zaventem nog nooit meegemaakt.   Wanneer de vrouw klaar is met haar anekdote, zegt de verliefde man dat hij niet alles geloofd heeft, maar dat het wel een mooi verhaal is. Dat hij het misschien wel liever hoorde dan de woorden ik hou ook van je.

Johannes D.
27 0

Opleiding

Publicaties

Prijzen