Loïc

Gebruikersnaam Loïc

Teksten

Ik geef u een offer

  Er zijn dagen die verbleekt en koud zijndagen dat ik niet spreek, niets hoor, niets wilof voelniets, alles lijkt wit en kil.ik denk over de tijden met u Toen we in elkaars lijven lagen,en er gelachen werd, en de kussen in mijn nek,die jij mij zo vaak gaf met alle overgave, omdat ik jouw god was, en jij mijn godin. Ik herinner mij de dag toen een Dryade mij om hulp riep,en ik weerstaan moest aan haar gezangen, en lieflijke woorden,haar lippen in een nevelsluier om mijn nek gebonden, haar mooie tanden diehun verlangen achterlieten in de broze huid om mijn nek. Ik zie nog hoe de schors van haar wervels,door Hephaestus’ gretigheid, vuur vatte.Hoe het zweet van het heet gesmede ijzer,van de onverwoestbare troon,neerdaalde als een wals van sneeuw en stof.En hoe kort daarna alles verging in een lichtspel van oker en as zwart. in dat niemandsland ben ik herrezen,in dat niemandsland ben ik ook de tijd verloren. De kinderen, de arme kinderen, door Cronos verzwolgenwaren net niet verteerd, ze wilden zijn maagrand openrijten maar het vlees was te dik ik zag de koppen van hun zwaarden duwen, meermaals werd hij gestokenCronos voelde niks,net zoals ik niets voel De woede van onze uterus maakte hem wakker,en uit angst spoog hij zijn afgunst en zijn jaloezie uit.Eerst kwam vanuit zijn verhemelte alle eerste leven, en gafmet tegenzin de oceanen aan de kraters van Gaia: hij spuwde de vissen, de oesters, het plankton, de gloedrode en gele riffen terug,de grootste tonijnen sprongen van zijn tong, namen hun vluchtnaar beneden, en doorkliefden de kalmte van het waterin de iris van de zon lieten zij zich aanbiddenen sloegen krachtig met hun vinnen, door het schetterende blauw van hun ruggen,werd Cronos verblind en hij wende zijn hoofd aftoen ze hem treiterden met hun puntige staarten. Vermoeid zakte hij door zijn benen en kwam op handen en voetenterug op adem, zoals een vermoeide hond,met de bittere resten gal die aan zijn lippen hing,kwam de vruchtbaarheid geslopen.ze smaakten bitter en zoet als naar boomwortels.Zij moest snel leven brengen in de verdorde, achtergelaten haard. Orpheus bespeelde zacht zijn harpen die lieflijke tonen, die korte slagen die zijn vingers gavenop de gespannen draden, met bijenwas bewerkt.Diende Demeter een gezant, en zij droegen haarin een dichtbevolkte kolonne over, waar vroeger,de weiden waren, de bomen hoog schoten,waar eens de bergen waren ontstaan,gespleten door alle rivieren en beekjes die de zee het land had geschonken.   Heuvels werden weer groen en geel, overalwaar ik keek stond opeens kattenstaarttussen de bergen en de rotsen ontschoot,de elegante winde,hoog boven ruïnes, uitgeholde huizen,kwam sinds lang een eeuwplant terug.aan de kusten vond ik zeenarcissenen voor het donker werd vond ik genoegbloesems en olie van de zwarte toorts.het koren werd weer door de wind gesust. Overal waar zij die dag langs werd gedragenbracht zij het leven terug.   Ik dacht dat ik nooit iets of iemand sneller zou zienals de kleine Ajax: -hij die zich aan Cassandra vergreepen door een list van het lot aan de woestijnen van Posseidonwerd toegewezen. Daar rust hij nog,samen met de vloten verteerd de wimpels van Troje, groot genoeg,dienden hem als lijkdoek.   En lieve Cassandra?wat zie jij nog, nu, zonder hoofdhad ik uw raad maar opgevolgdhelaas is jouw verdeeld lichaamhet enige geloofwaardigeomdat wij met onze eigen ogen moesten zienwaar jij lang, voor de vernieling, van droomde-   Ik ben u een bekentenis schuldigMeest vruchtbare aller vrouwenomdat ik niet in uw kracht geloofde Ik geef u een offer,en laat het mijzelf zijn,die voortaan de hoeder van uw schepping is Laat mij wonen tussen uw gras,ik zal een tocht op uw lichaam maken:laat mij op de kelken van uw lelies drijven en zouw rivieren afvaren op het vel van een gulden ramdruk ik een legioen van uw geheimen   Lieve Demeter: Laat uw lichaam mijn huis zijn,verleen, enkel aan mij, onderdakaan uw kusten, uw myriade vlaktevan macchia. Laat zien hoe het Hauwmos ontschiet,hoe de oude schors zich lijdzaamververst, laat mij een nieuwe slangenhuid zijn. Ik zal ontvankelijk zijn voor de parasiet,de beneveling die hij veroorzaaktU mag gulzig zijngerusteet gretig van mijsneukel aan mijn ogenverteer mijn verdrietBerust op mijwees een Puma die luiert op mijn takkenverblijd mij met een klare poeldie de rotsen koeling geeft, ik hoor uw fluisterend gebeddat woont tussen de Judasbomen En rust, naast mij onder een luifel van azuurblauw.  

Loïc
0 1