Ik voel mij als een vorst, verdrongen door de Lente
Wanneer de waterkiekens luidkeels om het brood van deze ochtend vragen,
En de hitte van die Lieve mij, parmantig onder de parasols vergezeld.
Vanop de brug zie ik de mensen wijzen,
tevergeefs mompelen,
in de hitte hoor ik hen niet,
Ik zwaai terug.
Boven denkt hij aan Portofino,
wauwelend dat op een dag het doek achter hem zal dalen
als er niets overblijft om nog te spelen
Van binnen komt zoel de masala
Laurier en Vadouvan, vertederd sluiten zij mijn ogen
Coromandel roept mijn naam,
Heimelijk dalen zijn woorden van de trap
als was hij een elegante vrouw
Vertwijfeld is de rook om mijn hoofd verdreven
Ik schater
als een vorst, verdrongen door de Lente.
