Er zijn dagen die verbleekt en koud zijn
dagen dat ik niet spreek, niets hoor, niets wil
of voel
niets, alles lijkt wit en kil.
ik denk over de tijden met u
Toen we in elkaars lijven lagen,
en er gelachen werd, en de kussen in mijn nek,
die jij mij zo vaak gaf met alle overgave, omdat
ik jouw god was, en jij mijn godin.
Ik herinner mij de dag toen een Dryade mij om hulp riep,
en ik weerstaan moest aan haar gezangen, en lieflijke woorden,
haar lippen in een nevelsluier om mijn nek gebonden, haar mooie tanden die
hun verlangen achterlieten in de broze huid om mijn nek.
Ik zie nog hoe de schors van haar wervels,
door Hephaestus’ gretigheid, vuur vatte.
Hoe het zweet van het heet gesmede ijzer,
van de onverwoestbare troon,
neerdaalde als een wals van sneeuw en stof.
En hoe kort daarna alles verging in een lichtspel
van oker en as zwart.
in dat niemandsland ben ik herrezen,
in dat niemandsland ben ik ook de tijd verloren.
De kinderen, de arme kinderen, door Cronos verzwolgen
waren net niet verteerd,
ze wilden zijn maagrand openrijten maar het vlees was te dik
ik zag de koppen van hun zwaarden duwen, meermaals werd hij gestoken
Cronos voelde niks,
net zoals ik niets voel
De woede van onze uterus maakte hem wakker,
en uit angst spoog hij zijn afgunst en zijn jaloezie uit.
Eerst kwam vanuit zijn verhemelte alle eerste leven, en gaf
met tegenzin de oceanen aan de kraters van Gaia:
hij spuwde de vissen, de oesters, het plankton, de gloedrode en gele riffen terug,
de grootste tonijnen sprongen van zijn tong, namen hun vlucht
naar beneden, en doorkliefden de kalmte van het water
in de iris van de zon lieten zij zich aanbidden
en sloegen krachtig met hun vinnen,
door het schetterende blauw van hun ruggen,
werd Cronos verblind en hij wende zijn hoofd af
toen ze hem treiterden met hun puntige staarten.
Vermoeid zakte hij door zijn benen en kwam op handen en voeten
terug op adem, zoals een vermoeide hond,
met de bittere resten gal die aan zijn lippen hing,
kwam de vruchtbaarheid geslopen.
ze smaakten bitter en zoet als naar boomwortels.
Zij moest snel leven brengen in de verdorde, achtergelaten haard.
Orpheus bespeelde zacht zijn harp
en die lieflijke tonen, die korte slagen die zijn vingers gaven
op de gespannen draden, met bijenwas bewerkt.
Diende Demeter een gezant, en zij droegen haar
in een dichtbevolkte kolonne over, waar vroeger,
de weiden waren, de bomen hoog schoten,
waar eens de bergen waren ontstaan,
gespleten door alle rivieren en beekjes die de zee het land had geschonken.
Heuvels werden weer groen en geel, overal
waar ik keek stond opeens kattenstaart
tussen de bergen en de rotsen ontschoot,
de elegante winde,
hoog boven ruïnes, uitgeholde huizen,
kwam sinds lang een eeuwplant terug.
aan de kusten vond ik zeenarcissen
en voor het donker werd vond ik genoeg
bloesems en olie van de zwarte toorts.
het koren werd weer door de wind gesust.
Overal waar zij die dag langs werd gedragen
bracht zij het leven terug.
Ik dacht dat ik nooit iets of iemand sneller zou zien
als de kleine Ajax:
-hij die zich aan Cassandra vergreep
en door een list van het lot aan de woestijnen van Posseidon
werd toegewezen. Daar rust hij nog,
samen met de vloten verteerd
de wimpels van Troje, groot genoeg,
dienden hem als lijkdoek.
En lieve Cassandra?
wat zie jij nog, nu, zonder hoofd
had ik uw raad maar opgevolgd
helaas is jouw verdeeld lichaam
het enige geloofwaardige
omdat wij met onze eigen ogen moesten zien
waar jij lang, voor de vernieling, van droomde-
Ik ben u een bekentenis schuldig
Meest vruchtbare aller vrouwen
omdat ik niet in uw kracht geloofde
Ik geef u een offer,
en laat het mijzelf zijn,
die voortaan de hoeder van uw schepping is
Laat mij wonen tussen uw gras,
ik zal een tocht op uw lichaam maken:
laat mij op de kelken van uw lelies drijven en zo
uw rivieren afvaren
op het vel van een gulden ram
druk ik een legioen van uw geheimen
Lieve Demeter:
Laat uw lichaam mijn huis zijn,
verleen, enkel aan mij, onderdak
aan uw kusten, uw myriade vlakte
van macchia.
Laat zien hoe het Hauwmos ontschiet,
hoe de oude schors zich lijdzaam
ververst,
laat mij een nieuwe slangenhuid zijn.
Ik zal ontvankelijk zijn voor de parasiet,
de beneveling die hij veroorzaakt
U mag gulzig zijn
gerust
eet gretig van mij
sneukel aan mijn ogen
verteer mijn verdriet
Berust op mij
wees een Puma die luiert op mijn takken
verblijd mij met een klare poel
die de rotsen koeling geeft, ik hoor uw fluisterend gebed
dat woont tussen de Judasbomen
En rust,
naast mij onder een luifel van azuurblauw.
