Huidhonger
We tellen de dagen in stilte.
Ik ben vijfentwintig maal gereïncarneerd gedachtekruim
geweekt in ochtendkopjes waarvan de koffiekringen
mijn wallen kleurden.
Ik ben papierversnipperaar en gelijmde knipsels,
het krijt dat aan mijn vingers hangt
van wensen die ik luider op je hart wil drukken.
Ik ben vijfentwintig maal het blokje omgelopen,
mezelf als oud nieuws tegengekomen.
Het sprak over lang geleden dat ik je zag, en ik nodig je nog wel eens uit
als het hier wat meer opgeruimd is,
Hierboven.
Verlies niet uit het oog
dat ik je snel weer tegen het lijf mag lopen,
de belofte naar morgen in je handpalm achterlaten
die ik als een huidjasje aantrek.
Geborduurde levenslijnen en dat van nieuw en wijzer en
“dat doet toch iets met een mens”
Dan leen ik jou het mijne, en moeten we niet zo veel zeggen
Aangenaam,
Ik ben terug van nooit weggeweest.