Lezen

Zelfontwikkeling als de vruchtbaarste maatschappelijke interventie

Wat is jouw bijdrage aan de ‘maatschappij’? En wat houdt het juist in om een bijdrage te leveren? Ik zou denken dat het gaat over het maken van persoonlijke keuzes die ook een positieve invloed uitoefenen op het collectief. In het huidige mainstream narratief klinkt die bijdrage als een offer: persoonlijke energie en tijd die ten dienste staat van een collectief systeem. Het individu dat iets ‘inlevert’ en ‘opbrengt’; belastingen, diensten en goederen die de economie draaiende houden. Iedereen moet zijn steentje bijdragen. Welk steentje precies, dat moet je voor jezelf uitmaken, zolang je maar iets te dragen hebt. Wie niets bijdraagt profiteert. We hebben tegenwoordig te maken met een ‘solidaire afscheiding’. Juist omdat we het zogezegd voor een ander doen, verliezen we het contact met die ander. Klinkt dat bekend? Iedereen dient een offer te leveren door in zekere mate geoccupeerd te zijn met het bijdragen van zijn of haar steentje. Aan de toename van het fenomeen burn-out te merken, voelt het voor velen niet langer als een steentje, eerder als een blok aan hun been. Wat ooit een samenleving was, is een maatschappij geworden. Zoveel mensen die gebukt gaan onder hun werk- en levensritme en er tegelijk op toezien dat hun ‘maten’ het zeker niet beter hebben. De ‘maat’ in maatschappij verwijst nu naar een maatstaf waarmee het gewicht van jouw bijdrage wordt beoordeeld. De collectieve energie, die onder andere te lezen valt in reacties op sociale media, bevat veel bitterheid en afgunst. Als er bijvoorbeeld iemand aankondigt een camper te hebben gekocht en voortaan off-grid wil leven, dan wordt er spottend gewezen op de regels en verplichtingen die zo’n keuze bemoeilijken. Iemand die stiekem, of zeg maar onbewust, droomt van zo’n vrij leven, maar zichzelf diep heeft ingeprent dat zo’n levensstijl onmogelijk is, zal deze overtuiging ook op anderen projecteren. De beperkingen die mensen zichzelf opleggen, willen ze evenzeer een ander opleggen. Het gaat hier over beperkingen die aangeleerd en ingeprent zijn en dus in essentie niet eigen zijn. Het zijn in feite externe verhalen die zich zodanig prominent opdringen dat we ernaar zijn gaan leven. Ik zie hoe beperkingen die van ‘bovenaf’ komen, gestuurd door autoritaire krachten, eigen gemaakt en verdedigd worden alsof het gaat om een persoonlijke waarheid. Mensen die ontwaken uit deze massahypnose, en dat zijn er steeds meer, voelen hoe onnatuurlijk de druk is die het systeem uitoefent. Mensen blijven soms in een destructieve relatie omdat het alles is dat ze hebben en kennen. Het alternatief is het onzekere onbekende. Liever de voorspelbare ellende, dan een sprong in het ongewisse. De relatie die mensen met het huidige systeem hebben, zal niet zomaar opgegeven worden. Uit angst voor verlies van comfort en zekerheid. De polariteit van vandaag gaat over de kloof tussen mensen die de relatie reeds hebben opgegeven en mensen die ze nog hartstochtelijk verdedigen. Niet authentiek kunnen leven levert frustratie op, en die frustratie zorgt ervoor dat men het anderen ook niet gunt. Men zit geklemd in de klauwen van een systeem dat alles dat natuurlijk is op zijn kop zet, onder het mom van zekerheid en controle. Intuïtief weten en voelen we dat,  ons lichaam bezit die natuurlijke intelligentie waarmee we het onderscheid tussen ‘echt’ en ‘onnatuurlijk’ kunnen maken. Dat verklaart ook de enorme toename aan auto-immuunziekten en andere welvaartsziekten. Onze lichamen schreeuwen dat er iets niet klopt. Maar op rationeel vlak zitten we collectief met diepe indoctrinatie en hypnose. Wat nu als ‘normaal’ wordt geaccepteerd, wordt overeind gehouden met drogredeneringen en angst. Angst voor het mogelijke ongemak van verandering. De sociale zekerheid is al lang niet meer sociaal in een wereld waar mensen elkaar verklikken en benijden. De meerderheid doet exact wat het systeem (of de overheid) verlangt, wat een kernzaak is in het ontwerp van dat systeem. Want de motor of batterij van het systeem bestaat uit de mensen voor wie het ontworpen is. Terwijl er wordt geploeterd in de materie, schuift de energetische kant van de realiteit naar de achtergrond. Menselijke energie is niet enkel te vergelijken met een motor of batterij, maar ook met een antenne. De energie die we uitzenden als we een authentiek vrij leven leiden, heeft een heel andere frequentie dan wanneer we ons beperkt en geforceerd voelen. De vraag naar wat iemand bijdraagt aan het collectieve veld, link ik daarom aan de energie die iemand de ether inzendt en niet aan fysieke prestaties. Iemand die de natuurlijke voeling met zichzelf verliest door hard te werken en in te staan voor anderen, draagt vanuit dat opzicht minder bij aan het collectieve energieveld dan iemand die vanuit zelfzorg en dankbaarheid thuis op de sofa zit. Een zienswijze die op heel wat weerstand kan rekenen! Weerstand die het product is van een prestatiegerichte maatschappij en niet van een gezond functionerende samenleving. Wat mij betreft zijn de handelingen die we uitvoeren ondergeschikt aan de manier waarop ze uitgevoerd worden. In een natuurlijke samenleving primeert de trillingsfrequentie of gemoedstoestand waarin taken worden uitgevoerd en voelt het leveren van een bijdrage niet als een sleur of uitputtingsslag. En omdat we allemaal anders zijn, zou het dan ook meer dan normaal zijn dat er verschillende ritmes naast elkaar bestaan, in plaats van één algemene maatstaf te hanteren. Het collectieve veld is de co-creatie waar we allemaal mee te maken hebben en soms op botsen. Er is momenteel een omwenteling gaande waarbij de vorm van die co-creatie wordt herzien. De moeilijkheid is natuurlijk dat er meerdere krachten aan het werk zijn. En dat veel krachtbronnen zich niet bewust zijn van hun kracht. Ik ben erop uitgekomen dat zelfvertrouwen en eigenliefde de efficiëntste middelen zijn die iemand ter verzachting van de huidige co-creatie kan inzetten. En dat het belangrijk is om goed te onderscheiden welke intentie, en dus energie, elke persoonlijke keuze en handeling drijft. Want het is die energie die je bijdraagt aan het collectieve veld. Ik zou daarom bewuste zelfontwikkeling de vruchtbaarste maatschappelijke interventie noemen. Het is de basis die vereist is om ook in de praktische sociale wereld een positief verschil te kunnen maken. Schaamte, angsten en schuldgevoelens die gepaard gaan met het ‘uitvallen’ door burn-out of ziekte, horen bij een wereld die natuurlijke processen ridiculiseert, ontmoedigt en onderdrukt. Het is een geprogrammeerde respons met een lage trillingsfrequentie die indruist tegen onze ware aard en bovendien heling bemoeilijkt. Wie de wereld wil zuiveren van donkere vlekken, dient zichzelf aan te pakken. Een uitzuivering van de eigen beperkende overtuigingen is het meest waardevolle dat je aan het collectieve veld kunt schenken. Ik wens dat je je dit herinnert op een moment dat jouw kern om een ‘nee’ vraagt terwijl jouw persona zich verplicht voelt om ‘ja’ te zeggen, en omgekeerd.  www.karoliendeman.com    

KarolienDeman
14 2

Vlaamse leeuw.

  In marroko lopen er nog leeuwen rond. Niet veel maar ze houden er wel van. Hun nationale voetbal ploeg noemt zelfs AtlasLeeuwen. Daarom voelen mijn marrokaanse vrienden zich thuis tussen al die leeuwen vlaggen.   **************************** FOTO GALLERY verf ed verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
0 0

Beste handen,

Beste handen, hoe vinden jullie je weg in de wereld? Herinneren jullie de tijd toen de rode bietenpap in het rond vloog? Ze hing overal. Jullie vertoefden zo graag in de mond maar met een lepel konden jullie de weg ernaartoe niet vinden. Vandaag steken jullie een draad door het oogje van een naald, schrijven jullie krulletters en bezetten jullie muren. Hoe kregen jullie dat voor elkaar?  Jullie hebben geoefend, dat is waar. Soms uren, dagen, weken na elkaar. De triller dokruis-re op dwarsfluit leren spelen kostte maanden. Toch zijn er ook zaken die jullie, ondanks zeeën van tijd, niet onder de knie krijgen: tanken, handstand, jullie eigen nagels lakken, strijken. Beste handen, waarom zijn jullie zo wispelturig? Soms doen jullie grootse dingen. Troostend strelen, meelevend vasthouden, behulpzaam klussen, zorgzaam bejegenen, liefdevol koesteren. Tot de razernij in jullie vaart. En jullie gaan slaan en stompen, breken en versplinteren. Af en toe, altijd onverwacht, verbluffen jullie. Het resultaat is steevast origineel, verrassend, ongekend.  Beste handen, zou je met een ander paar iemand anders zijn? Maken jullie een persoon tot wie die is? Door jullie wordt wat binnenin zit aan woorden en gedachten werkelijkheid. Jullie schrijven, bouwen, spelen, maken, knutselen ideeën de wereld in. Werner Herzog, bekend van films als 'Grizzly Man' en 'Nosferatu', beschrijft in zijn memoires hoe zijn hoofd overloopt van ideeën voor meer, andere, betere films. Zolang zijn handen ze niet maken zullen ze echter enkel in zijn hoofd spelen.  Natuurlijk, beste handen, moeten jullie die ideeën voor elkaar krijgen. Niet alle handen zijn even onderlegd. Sommige kunnen auto's repareren, computerprogramma’s schrijven of venkel telen. Andere kunnen baby's ter wereld brengen of wolkenkrabbers bouwen. Wat te doen als je hoofd bruist van ideeën voor originele meubels, maar je handen nog geen nagel in een stuk hout kunnen slaan? Zoek je dan andere handen die kunnen invallen? Of ga je fictie schrijven?  Beste handen, het heeft er alle schijn van dat jullie iemands identiteit vormgeven. Het hoofd schept verhalen over zin en onzin, goed en slecht, mooi en lelijk, waardevol en waardeloos. Maar jullie zetten de lijnen uit van wat mogelijk en wat onmogelijk is.  Met de regelmaat van de klok wordt aan mensen gevraagd hoe zij geworden zijn wie ze zijn. Waarom ze doen wat ze doen. Meestal situeert het antwoord zich in de kindertijd. De geoloog wroette als kind in de aarde op zoek naar steentjes. De archeoloog zocht er naar scherven en botjes. De kunstenaar was altijd al een buitenbeentje met oog voor kleur. Zulke kindertijd-verhalen vertellen dat het lot in het lichaam besloten ligt. Variaties zijn mogelijk maar de handen, niet het hoofd, geven richting aan de toekomst.  Soms worden levens ook andersom geleefd. Dan schept het hoofd fictie die de handen niet kunnen volgen. In mei 1990 studeerde Christopher McCandless af met een hoofd vol verhalen over een anti-kapitalistisch leven. Een leven in de natuur, met een minimum aan bezittingen en alleen zichzelf als steun en toeverlaat. McCandless schonk al zijn geld aan Oxfam en vertrok te voet naar Alaska. Daar kwam hij in april 1992 aan met 4,5 kilogram rijst, een .22 kaliber geweer en een veldgids over lokale eetbare planten. 113 dagen lang waren zijn handen in staat zijn levensfilosofie te onderhouden. Toen stierf hij: uitgehongerd. Het boek 'Into the wild’ van John Krakaur vertelt McCandless’ verhaal. Elf jaar later werd het verfilmd door Sean Penn. Beste handen, kan jullie handigheid ook een last zijn? De pottenbakker Bernard Leach, de violiste Patricia Kopatchinskaja, de basketbalspeler Michael Jordan, zouden met minder vaardige handen niet hetzelfde verwezenlijkt hebben. Die vaststelling roept vragen op. Hoeveel vaardige handen voeren er handelingen uit die onder hun capaciteiten liggen? Hoeveel potentieel blijft er onbenut omdat de aanmoediging, de juiste context of het geld ontbreekt? En belangrijk: maakt dat ongelukkig? Welke implicaties volgen er wanneer jullie door dwang, achterstelling, verloochening of toeval weerhouden worden te doen wat jullie goed en graag doen? Maakt dat jullie baldadig, apathisch, opstandig, koppig?  Beste handen, weet dat jullie hoe dan ook onmisbaar zijn. Voelen jullie dat? Het textiel, het hout, de warmte van een kopje thee. Jullie maken niet alleen ideeën werkelijk, jullie maken álles werkelijk. Zonder jullie zou wat we zien een waanvoorstelling kunnen zijn en wat we denken inbeelding. Jullie contact met de wereld biedt houvast omdat jullie ons laten weten: dit is een stoel en hij is echt.  Natuurlijk zijn er filosofen die jullie belang ontkennen. Die jullie slechts beschouwen als onderdanig gereedschap van het denken. Gereedschap dat gemist kan worden als het erop aankomt. De Franse filosoof Descartes (1596-1650) schreef jullie resoluut af. Gewoon, omdat het weleens voorkomt dat jullie je vergissen. Als jullie een broos object krachtig beetpakken waardoor het breekt, bijvoorbeeld. In Descartes’ zoektocht naar absolute zekerheid waren zulke vergissingen onvergeeflijk. Alles wat ook maar de minste twijfel wekte, moest de deur uit. Samen met jullie zette hij ook alle andere zintuigen, normen, waarden, theorieën en meningen buiten. Wat overbleef was een ik dat denkt. Zonder lichaam, zonder wereld. Een geest in een vacuüm. 'Waardoor ik ben wat ik ben, volledig van het lichaam onderscheiden’.  Descartes is het schoolvoorbeeld van wat het denken vermag. Het kan jullie, beste handen, kortstondig laten verdwijnen. Tot jullie ongeduldig, friemelend opnieuw aandacht vragen. Tot de maag knort. Of, tot de filosoof van het ‘ik denk, dus ik ben’, zich in zijn denken zo verlaten voelt dat hij beroep doet op God om jullie door de achterdeur terug binnen te laten.  Beste handen, wie jullie als knechten van het denken beschouwt kent het verhaal van de bekendste filosoof aller tijden niet. Blootsvoets liep Socrates door Athene en stelde zijn medeburgers vragen. Vervelende vragen die makkelijk leken, maar gaandeweg onmogelijk te beantwoorden bleken. Socrates liet, behalve een sporadisch inzicht en een handvol herinneringen, niets na. Omdat inzichten en herinneringen sterven met hun eigenaren als ze niet vastgelegd worden, zou hij na twee, maximaal drie generaties vergeten zijn. Maar dat was buiten de handen van Plato gerekend. Die maakten Socrates zo beroemd dat er meer dan tweeduizend jaar later nog steeds naar hem verwezen wordt.  Socrates’ eigen handen brachten hem de dood. In 400 voor Christus waren de Atheners zijn vragen beu. Hij werd veroordeeld voor goddeloosheid en het bederven van de jeugd. In de gevangenis nam Socrates de gifbeker ter hand en dronk.  Beste handen, kennen jullie het schilderij van Jacques Louis David? In 1787 schilderde hij ‘de Dood van Socrates’. Daarop is te zien hoe eenzaam jullie je soms voelen. Toch staan jullie permanent in contact met ontelbare andere handen. Handen die zich vlakbij of ver weg bevinden, die leven of gestorven zijn. Elk object getuigt van die verbondenheid door de onzichtbare sporen die jullie erop achterlaten. In 1972 maakte de kunstenaar Giuseppe Penone een boek met foto's van zijn eigen handen. Hij bedekte het boek met poeder dat gebruikt wordt om vingerafdrukken te nemen. Binnen het uur kon je overal vingerafdrukken zien. Tegen de muren, op kleding, stoelen, op de gezichten van bezoekers. Misschien vind je vandaag, ruim vijftig jaar later, nog steeds een vergeten vingerafdruk afkomstig van ‘Book/Dust Trap/Hand’. Ergens, in een huis, een auto, een vliegtuig, of gewoon naast de lichtschakelaar.  Beste handen, kunnen jullie de sporen voelen die alle andere achterlieten op een bibliotheekboek? Wat voor handen waren dat? Misschien handen zoals die uit 'Het Contrapunt’ van Anna Enquist. Rouwend, eropuit om de Goldbergvariaties van Bach te leren spelen. Misschien handen zoals die van Mr Gwyn uit het gelijknamige boek van Alessandro Baricco. Zouden er ook handen bij zijn zoals die uit ‘De Welwillenden’ van Jonathan Littell? Handen die medemensen tot lijken hebben gemaakt. Als boeken konden handlezen, wat zouden ze dan nog meer vertellen dan wat in letters gedrukt staat?   Beste handen, in theorie leren we jullie naar waarde te schatten. We leren over het belang van jullie opponeerbare duimen. Over de mogelijkheid tot fijne motoriek. We leren hoe de hele mensheid haar bestaan aan jullie te danken heeft. Omdat de eerste mensen zich pas konden ontwikkelen toen jullie de vrijheid kregen. We leren het allemaal, in theorie.  Beste handen, in de praktijk kijken we maar al te vaak op jullie neer. Omdat we onze intelligentie hoger inschatten. Maar wat zou die intelligentie zijn zonder jullie? Zonder jullie geen gereedschap, geen wetenschap, geen kunst, geen verandering, geen geschiedenis. Jullie zijn onontbeerlijk, dat weten we al veertigduizend jaar. Zo oud is het allermooiste eerbetoon aan jullie dat ooit werd gemaakt. In de grotten van Sulawesi, in Indonesië, hebben mensen hun handen tegen de rotswand gedrukt. Ze hebben rode oker opgezogen in een strootje en geblazen. Wat zij zagen toen ze hun handen voorzichtig weghaalden, was ‘ik’. Een stukje wand in een rood-bruine wolk met jullie contouren. We weten niet wie deze mensen waren. Maar misschien kennen we wel het raadsel dat de aanwezige afwezigheid van hun handen opriep. Omdat zij en wij dezelfde mensen zijn vroegen ook zij zich misschien af: ‘beste handen, hoe vinden jullie je weg in de wereld’?             

I.M
0 0

Mijn superkracht

Laatst zag ik de film ‘The Invisible Man’ op Netflix; het idee van onzichtbare, doch wel voelbare, entiteiten intrigeert me al heel mijn leven. Vooral de scène waarin het hoofdpersonage een gevecht aangaat met de onzichtbare man wekte een vreemd gevoel van herkenning op. Hoe vaak had ik al te maken gehad met energieën die zich rond mij begeven, hun invloed voelbaar uitoefenen, maar die niet zichtbaar, tastbaar of bewijsbaar zijn? Als kind had ik het hier heel moeilijk mee. Hier in deze wereld is het alsof ik geblinddoekt ben en mij op de tast doorheen sferen en energieën begeef. Dat kan heel kwetsbaar en onzeker voelen. De perceptie die deze menselijke vorm mij biedt is uiterst beperkt, schijnt zelfs nog minder dan 0,001 procent te zijn van het totale elektromagnetisch veld. Dus ja, het gros van de bestaansmogelijkheden zien we niet. Toch dringt deze werkelijkheid, deze materiële illusie, zich op alsof er niets anders is. Het leidt ons uiterst efficiënt af van alles dat niet in de illusie past. Wie zich kan afwenden van de afleiding en doorheen de illusie kijkt, verruimt en bevrijdt zichzelf. Maar het is vaak een proces met vallen en opstaan. Het proces van ‘ontwaken’, waar zovelen tegenwoordig de mond vol van hebben. Mocht ik een superkracht kunnen kiezen in deze wereld, dan zou ik voor onzichtbaarheid gaan. Omdat ik mijn aanwezigheid te midden van anderen als ontzettend intens ervaar. En omdat afwezigheid, zonder daarbij op te houden te bestaan, me een rustige toestand lijkt. Geen ogen die op mij gericht zijn en toch erbij zijn. Vrijgesteld van de penetrante blik van een ander. Geen haken of tentakels die zich aan mijn wezen kunnen hechten. Ik stel me voor hoe het zou voelen mocht ik mij in een groep blinden bevinden. Het zou me geruststellen dat ze mij, mijn blik in het bijzonder, niet konden zien. Mijn blik die door zienden wél ‘gevangen’ wordt. De blik waarlangs er van alles uitgewisseld wordt. En dat uitwisselen, vooral de intensiteit ervan, overweldigt mij vaak. Het put mij uit, waardoor ik dan uit het zicht van anderen weer moet opladen. Om mij dan later, met frisse authentieke energie, weer in het gezichtsveld van anderen te ‘moeten’ begeven. Dit is voor mij een vermoeiend cyclisch menselijk gebeuren, een uitdagend proces waardoor ik mezelf beter leer kennen. Waarnaar de blik gaat, is waar de energie van de ziel naartoe gaat. Aandacht is energie van de ziel. Geen wonder dat er zoveel in het werk gesteld wordt om ons af te leiden. Elk scherm is een zwart gat waarin die energie opgezogen wordt. Onzichtbaarheid gaat over niet gezien worden, maar er wel zijn. Wat niet gezien wordt, krijgt geen aandacht. En misschien krijg ik te veel aandacht, wat me overprikkelt en ik niet goed kan verteren. Te veel om op in te gaan, te veel dat om een reactie vraagt. Daarom triggert de zin ‘ik wil je zien’ mij zo. Het is het uitgesproken verlangen van de ander om zijn blik aan mij te haken, bij mij energetisch binnen te dringen. Uiteraard is connectie mooi, is verbinding met anderen voedend en ontzettend waardevol. Verrijkend en verwarmend. Dat en nog veel meer. Maar mijn gevoel zegt dat het te veel is. Terwijl mijn angst nog steeds ‘verlies’ predikt. Onzichtbaar willen zijn, gaat ook over de perceptie van anderen willen controleren. Bepalen wat zij mogen zien en wat niet. Want wat zou er gebeuren mochten zij zien en ervaren wat ik niet wil dat zij zien en ervaren? Dat zou een messcherp oordeel kunnen opleveren. Dus mijn superkracht zou eigenlijk gebaseerd zijn op angst voor het oordeel van anderen. No surprise there. Dat oordeel van anderen schrijf ik blijkbaar veel macht toe. Het woord ‘messcherp’ doet me ook denken aan mijn operaties. Ik liet toe, omdat ik schijnbaar geen keuze had, dat ze in mij sneden en stukken weghaalden. Net zoals ik geen keuze leek te hebben, althans geen gunstige, om mijn yurts weg te halen. Het gaat hier allemaal om de waarde en het gewicht dat ik toeschrijf aan het oordeel van anderen. Mocht dat niet zo doorwegen, dan zou ik waarschijnlijk voor een andere superkracht kiezen, kunnen vliegen bijvoorbeeld. Nu denk ik er meteen bij dat ik onzichtbaar zou vliegen, zodat ze mij niet uit de lucht kunnen knallen. En alweer is daar die angst voor wat anderen me zouden kunnen aandoen. Die is niet zomaar weg te rationaliseren. Onzichtbaarheid geeft je ook de gelegenheid om dingen te zien en te ervaren die anders verborgen zouden zijn gebleven, door af te luisteren of ergens stiekem mee te kijken. Het lijkt me iets dat ik vooral in het begin zou doen, uit nieuwsgierigheid. Maar ik heb het idee dat het in teleurstelling zou uitmonden, en uiteindelijk is mensen bespioneren ook niet mijn voornaamste beweegreden om onzichtbaar te zijn. Met mijn onzichtbaarheid wil ik me in de eerste plaats juist van menselijk contact afschermen. Ik vind het bij het kiezen van een superkracht belangrijk om goed na te denken, echt je tijd te nemen voor de details. Het gaat hier immers over een superkracht, dus waarom zou je binnen bepaalde grenzen blijven denken? Ik neem me daarom ook voor dat ik niet alleen mezelf onzichtbaar kan maken, maar ook objecten en andere mensen. Mijn superkracht bestaat dus uit het aan het oog onttrekken van massa. Wat bestaat, kan ik doen verdwijnen. Zo zou ik dan mijn yurts laten verdwijnen op het moment dat de handhaving komt controleren. Of er een koepel van onzichtbaarheid overheen gooien zodat ze ook vanuit de lucht niet gespot kunnen worden. Ik zou alles dat niet getolereerd wordt onzichtbaar maken, zodat er ook geen oordeel of verdict over gevormd kan worden. Zodat het in alle rust en vrede kan blijven bestaan, zonder iemand te storen. Met het onzichtbaar maken van andere mensen, doel ik niet op het laten verdwijnen van ongewenste contacten. Want ik kan met mijn superkracht niets echt definitief laten verdwijnen, ik kan alleen iets aan het zicht onttrekken. En bovendien kan ik daarbij ook bepalen wie nog steeds kan zien wat ik onzichtbaar heb gemaakt. De mensen die ik vertrouw kunnen nog steeds zien wat anderen niet meer zien. Ik zou geliefden in bepaalde situaties kunnen beschermen door hen onzichtbaar te maken. Het hele idee om objecten, personen en mezelf onzichtbaar te maken gaat fundamenteel over bescherming. Wat niet gezien wordt, blijft gevrijwaard.  De macht die anderen uitoefenen en hoe dat nadelig kan zijn voor mij: daar draait het vaak om in dit leven. Het is iets waar ik een kluif aan heb op het vlak van mijn persoonlijke ontwikkeling. Sommige mensen lijken daar helemaal geen last van te hebben, maar de meeste mensen wel. Massaal worden er de hele dag door tal van activiteiten uitgevoerd en keuzes gemaakt die niet authentiek zijn en bijdragen aan een beroerde toestand, maar die toch systematisch worden doorgezet omdat er anders gevolgen zijn. Gedreven door de angst voor boetes, sancties, straffen, ongemak, armoede, pijn, trauma en ander leed. In het algemeen gaat het over een dreiging die van autoritaire bronnen uitgaat. Hoe meer zeggenschap iemand (of iets) heeft, hoe gevaarlijker. Een pure bron zal nooit iets opdringen, noch ergens mee dreigen. De waarheid eist geen zeggenschap, schreeuwt of dwingt niet. Wat echt is, heeft geen reden om iets te manipuleren of voor te liegen. In een wereld die we thuis kunnen noemen, is er niets verplicht. Het is niet abnormaal dat het hier zo wringt voor mij in deze wereld. Wat niet waarachtig is, krijgt hier zeggenschap. Het krijgt die zeggenschap, vanwege de angst, en dwingt het onrechtmatig af. Het is iets dat ons constant boven het hoofd hangt.  Ik wil dus onzichtbaar zijn voor dat wat niet echt is. Ik wil uit het vaarwater van een opgedrongen oordeel blijven en tegelijk toch authentiek kunnen leven. Omdat ik geen onechtheid wil dienen of voeden, wil ik er ook geen aandacht aan geven of van krijgen. Zo zit dat met die superkracht. En het lijkt me logisch, ik begrijp mijn keuze. Maar daar strand ik dan. Op een strand van frustratie, onrecht en machteloosheid. Deze tekst had hier kunnen stoppen, ware het niet dat ik me weer een belangrijk inzicht herinner. Het inzicht der inzichten wat mij betreft, althans in deze materiële illusie. Het luidt: om het recht te zetten, moet je het op zijn kop zetten. Draai het om! Draai alles om wat in deze illusie als normaal gezien wordt, vooral dat wat men verplicht noemt. Doe het omgekeerde en je komt er beter uit. Echter. Puurder. Dat concludeerde ik voor mezelf. Het is een richtlijn die me veel houvast geeft in deze matrix. Het omkeren van gewoontes, ideologieën en overtuigingen is een geestverruimende oefening die in veel situaties toepasbaar is. Toen ik vroeger tijdens mijn kunstprojecten even vastliep, dan kon ik de inspiratie ook weer laten stromen door simpelweg te brainstormen over het tegengestelde van wat ik wilde bekomen. Dus daar, op het strand van frustratie, onrecht en machteloosheid, bouw ik een boot. Ik laat uit het niets een boot ontstaan. Ik doe het omgekeerde: in plaats van iets te laten verdwijnen, laat ik iets ontstaan. Het wordt geen reddingssloep, maar een heus comfortabel schip. Met dit schip vaar ik moeiteloos tegen elke stroom in. En kan ik veilig ankeren in woelige wateren. Mijn superkracht, eentje die ik reeds bezit en dagelijks toepas, bestaat uit het zichtbaar maken van het immateriële. Met mijn creatief voorstellingsvermogen schep ik energetische velden die een invloed uitoefenen op mijn realiteit. Een kracht die ik, afgeleid door de toeters en bellen van de matrix, schromelijk heb onderschat. Vanuit frustratie en angst fantaseer ik erover om dingen, inclusief mezelf, onzichtbaar te maken. Terwijl ik vanuit lichtrijke kracht en vertrouwen dingen juist zichtbaar maak en toevoeg. Dingen, of energieën, waarvan ik vind dat ze ontbreken en kunnen bijdragen aan, om het even met een cliché uit te drukken, meer licht en liefde. Als ik alles rechtmatig op zijn kop zet, dan zie ik helder hoe illusies in deze wereld voor echt aangezien worden en hoe wat echt is als een illusie wordt afgedaan. Als ik alles omdraai, dan houdt het steek. Voor mij is de materiële wereld een waanvoorstelling die een bron van waarachtigheid bedekt. Wat ik met mijn gevoelswereld waarneem, een wereld die zich laat vertalen naar vorm, textuur en kleur, is voor mij echter dan de plek waar ik me lijk te bevinden. Met mijn derde oog zie ik de dingen accurater dan met mijn fysieke ogen. De lichtkoepels die ik met mijn adem blaas, de kleuren en bewegingen van aura’s, de draaiende vortexen die we tijdens drumcirkels creëren, de wemelende energie in een ruimte, de magie die ontstaat tijdens rituelen, een heldere ingeving die als een boodschap binnenkomt, de intuïtie die waarschuwt zonder rationele verklaring, ... het zijn allemaal ervaringen die de materiële wereld overstijgen. Ze zijn te vinden in het vruchtbare veld van subtiliteit. In tegenstelling tot de om aandacht schreeuwende materiële wereld, fluistert de waarheid. Welke superkracht zou jij willen bezitten? En hoe zou je deze symbolisch kunnen omkeren tot iets waarmee je vandaag het collectieve veld verblijd?  De 3 runen die ik trok voor deze tekst waren: -            Perthro: wat (nog) niet zichtbaar is, het onvoorspelbare-            Ingwaz: vruchtbaarheid, innerlijke groei-            Wunjo: vreugde, harmonieFoto door Lieven Herreman

KarolienDeman
8 1

stepping stone theory.

In de jaren 70 van de vorige eeuw merkte ik iets op. De overheid, die destijds, en nu, totaal geen idee had, heeft, hoe ze het opkomende drugsgebruik moest aanpakken, opende overal de jacht op drugs. Omdat cannabis sterk ruikt en een groot volume heeft, was de jacht daarop zeer succesvol. Menig burgemeester en politiecommissaris stond destijds glunderend op de foto voor een tafel vol in beslag genomen kruiden — het ultieme bewijs dat hun beleid vruchten afwierp.Door deze harde aanpak verstoorden ze de cannabismarkt zodanig dat er een tijdlang bijna niets meer te vinden was. "Ik wil eens experimenteren met heroïne," zei mijn broer toen. Ik raakte in paniek. Jaren daarvoor had ik een vriendengroep waarin enkelen hetzelfde zeiden; na nog geen jaar was een normaal gesprek met hen niet meer mogelijk. Het enige waar ze het nog over hadden, was waar ze spul konden vinden, wat het kostte en of het van goede kwaliteit was.Ik overtuigde mijn broer om met me mee te gaan naar de grote stad, waar ik een horecazaak runde. Hij stemde toe en sprak niet meer over heroïne. Twee jaar later overtuigde mijn lieve moeder hem echter om terug te keren naar ons geboortedorp. Hij kreeg 300.000 frank, een nieuwe auto en zij zou een huurhuis voor hem inrichten. De enige voorwaarde was dat hij moest trouwen met zijn oude liefde. Wat mijn moeder niet wist, was dat zij inmiddels geen experimenteerder meer was, maar een heroïneverslaafde.Binnen korte tijd was het geld op en begon de ondergang. In 1999 is mijn broer overleden na jarenlang gebruik. Ik heb dikwijls gedacht: had men cannabis toen maar gelegaliseerd, dan was mijn broer misschien bij cannabis gebleven.

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
4 0

Heroïne.

Die ochtend vond hij zijn vader in de zetel, schijnbaar in een diepe rust die nooit meer verstoord zou worden. De jonge man smeekte, schudde aan het levenloze lichaam, sloeg in wanhoop tegen de wangen die ooit warm aanvoelden. Niets. De stilte die volgde was oorverdovend. Zijn wereld stortte niet alleen in; hij verpulverde. De pijn die daarop volgde was zo ondraaglijk, zo allesverslindend, "Hier, adem dit in... alle pijn zal wegvloeien," fluisterde zijn vriend, als een misleidende engel van genade. Op een stukje aluminiumfolie danste een bruin poeder boven een vlam, een duivels brouwsel dat beloofde de rauwe randen van zijn ziel te verzachten. Hij inhaleerde, en inderdaad: de ijzige kou in zijn borst maakte plaats voor een verraderlijke, warme deken. In die jaren was er geen medeleven, alleen verstoting. De maatschappij keek weg en dreef mensen zoals hij naar de schaduwen, naar de vergeetputten van de ziel. Vijftien jaar lang overleefde hij in die ondergrondse duisternis. Hij kocht en verkocht. Terwijl anderen pronkten met blitse auto’s en gouden ketens, kocht hij slechts één ding: verdoving. Elke cent die hij verdiende was een offer aan de god van de vergetelheid, een wanhopige poging om de herinnering aan die ochtend in de zetel uit te wissen. Pas toen de wereld eindelijk leerde kijken met ogen van erbarmen, vond hij de weg terug via een netwerk van hulp. Hij vocht zich uit de klauwen van de roes en koos voor het leven, hoe kwetsbaar ook. Een nieuwe start, weg van de schaduwen. "Nu de overheid tekortschiet in het weren van deze producten, is een adequate opvang van slachtoffers, de verslavend, het minste wat zij kan doen. De epidemie kan alleen worden gestopt door de vraag naar deze producten te beëindigen." Vandaag de dag zien we de verwoesting nog steeds, vaak vermomd in een legaal jasje. Dagelijks bereiken ons 300 kreten om hulp vanwege fysiek geweld, meestal aangewakkerd door alcohol. Een middel dat we weigeren bij de naam te noemen, omdat traditie en dogma het heilig hebben verklaard. Want stel je voor dat we het 'bloed van Christus' zouden bestempelen als dat wat het voor zovelen is: een verwoestende drug die harten breekt en levens verwoest.

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
15 0

“Je bent nog jong!”

Ieder jaar mag ik tussen Kerst en Nieuw een kaarsje extra uitblazen. Vaak is het een vrij bescheiden dag, met een handjevol geliefden rondom me. We delen een drankje, een hapje, en lachen met de jaren die gepasseerd zijn en de jaren die nog gaan komen. Rond deze tijd neem ik ook graag een moment om te reflecteren. Eén van de zaken die ik al langer bezin, is de stijgende frequentie waarin ik te horen krijg dat ik ‘nog zo jong ben’, en ‘dat ik nog zoveel tijd heb om de zaken uit te dokteren in mijn leven’. Het lijkt haast dat hoe ouder ik word, hoe meer mensen mij op het hart drukken dat ik jong ben. Nochtans behoor ik als een eenendertigjarige man – volgens meerdere gehanteerde definities – niet meer tot de jeugd van tegenwoordig. Op mijn zesentwintigste verloor ik al meerdere jongerenvoordelen (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass), en dertig worden was de laatste nagel in de kist van mijn jeugd. Dus waarom hoor ik de afgelopen jaren steeds meer en meer dat ik ‘nog zo jong ben’?  Begrijp me niet verkeerd, de opmerking komt nooit vanuit het niets. Het is vaak een sussend antwoord op de voortdurende vraag van tijd. Ik durf mezelf omschrijven als een ‘laatbloeier’, en maak me dan ook zorgen over de gespendeerde en resterende tijd. Ga ik nu nog kinderdromen najagen wanneer ik me eigenlijk moet focussen te settelen? Verrassend genoeg krijg ik meer en meer een milde ‘ja, ga ervoor’. ‘Waarom ook niet?’. ‘Je bent nog jong’. Minder kritiek, minder sneren, minder twijfels. Voornamelijk aanmoediging, en de tedere herinnering om mijn tijd te nemen. En hoewel ik dankbaar ben om omringd te worden met geduld en zachtheid, vraag ik me ook af waarom ik dit meer en meer krijg nadat ik zesentwintig jaar werd. Ik kijk terug naar mijn tienertijd, waar ik me ouder – niet per sé volwassener! – voelde dan dat ik nu ben. Hoewel ik daar ook regelmatig aangemoedigd werd om dromen te volgen, voelde de tijd en ruimte véél spannender en benauwder aan om te beslissen wat je nu echt wilt doen. Waar je thuishoort. Wie je wereld is. Sommige jongeren worden op hun twaalfde al opgeleid voor een stiel waar ze dan de rest van hun leven inzitten. Op hun zestiende krijgen ze te horen dat het dan te laat is om te wisselen. Ze zijn gezet voor het leven. Het lijkt alsof we elkaar iets sneller ademruimte willen gunnen, iets meer genade willen tonen, wanneer we ouder zijn. We zien de sluimerende onzekerheden in elkaar, en wensen dit te zalven: ‘Je bent nog zo jong’. En hoewel ik heel dankbaar ben voor de mildheid die ik nu meer en meer krijg, de ademruimte om te exploreren en experimenteren, zou ik ook graag de mildheid van jong-zijn willen geven aan onze huidige jeugd. Degenen die wel jonger dan dertig zijn, en die nog wel gebruik konden maken van de jongerentreinpas – mocht deze überhaupt nog bestaan (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass, tout cours).  De manier waarop nu over jongeren gesproken wordt door sommige ‘volwassen’ mensen druipt van pure minachting. Er lijkt steeds minder ademruimte te zijn voor jongeren die zich zorgen maken over hun toekomstkansen en welzijn. En dan spreken we niet eens over de kinderen en jongeren die niet de kans krijgen om volwassen te worden, om te horen dat ‘ze nog zo jong zijn’. De wereld dreigt boven hun hoofden, hun families en gemeenschappen worden uiteen gereten, en de hemel kan ieder moment boven hen instorten. Het zijn niet kinderen en jongeren die verantwoordelijk zijn voor de acties en beslissingen waar zij het ultieme slachtoffer van zijn. En toch krijgen zij continu te horen dat ze moeten zwijgen, geen verweer of verzet mogen geven, en dankbaar moeten zijn dat ze nog niet alles verloren zijn – als dit zelfs maar de realiteit is voor hen. Apathie en hopeloosheid aanwakkeren lijkt het doel van onze ‘volwassenen’ voor de jeugd van tegenwoordig. Al een geluk dat de jeugd dat niet zomaar slikt! ‘Je bent nog zo jong’, zeggen we tegen elkaar. Het is een zalvend mantra voor het innerlijk kind. Ik ben dankbaar voor de mildheid die me steeds meer en meer gegund wordt. Ik gun het ademend kind en jongere even hartelijk het jong-zijn dat wij elkaar zo graag toewensen.

Eden Oscar
7 0

HOE ZELFS LINKS MIJ DISKRIMINEERT ALS HOMO a

kwetsbare MAN kwetsbaar mannelijk schoonheidsideaal ¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨ Toen ik op veertienjarige leeftijd verplicht werd om in de fabriek te gaan werken, had de maatschappij al een kiem van ontevredenheid gelegd. De ongelijkheid was mij tijdens mijn schoolperiode al duidelijk geïllustreerd: er werd geen enkele moeite gedaan om mijn interesse voor de leerstof te wekken. Met veel straffen werd ik enkel uit het analfabetisme gehaald, niet meer en niet minder. De traditie eiste immers dat de mensen uit mijn arbeidersbuurt op veertienjarige leeftijd gingen werken. De nonnen trachtten er dan ook geen intellectuelen van te maken.Tot grote spijt van mijn omgeving werd ik later actief in de politieke milieus van mijn stad. Mijn interesse was gewekt door een lieve jongen uit dat milieu, op wie ik onbewust verliefd was geworden. Ik vond er voor het eerst de woorden (en het begrip) voor mijn onderdrukte positie als arbeider. In die omgeving was er iemand die mij, als enige arbeider, interessant genoeg vond om deel te nemen aan de Derde Wereld-beweging (die later AMADA werd en nu PVDA). Nadat ik enkele vergaderingen had bijgewoond, werd ik voor het eerst geconfronteerd met het volstrekt onbegrijpelijke taalgebruik dat zij tegenover mij als arbeider hanteerden — het zou niet de laatste keer zijn — en met de emotionele afstandelijkheid. Alles mocht, zolang men maar de taal van Marx sprak. Toch belette dat niet dat ik me bewuster werd van mijn positie als arbeider; de kiem kreeg wortels. Maar de spanning die werd veroorzaakt door mijn marginalisering als arbeider tussen intellectuelen, en de inconsequente houding in het dagelijkse leven, maakten dat ik me er niet meer thuis voelde. Ik koos de weg naar het apolitieke milieu.Op negentienjarige leeftijd verhuisde ik naar Gent (later naar Leuven, Brussel en nu Antwerpen) en sloot ik me aan bij tal van groepen die één ding gemeen hadden: de zoektocht naar een nieuwe maatschappijvorm. Het was echter duidelijk dat mijn bewustzijn als arbeider en mijn bewustzijn als homo niet gelijk evolueerden. Als kind had ik uitgebreide seksspelletjes met mijn vriendjes (die nu opeens hetero schijnen te zijn), waardoor ik volop mijn homo-erotiek kon uitleven. Ik kreeg in mijn jeugd de indruk dat alle mensen homo-erotische gevoelens hadden en die op de een of andere manier uitten, maar dat ze werden belet om die openlijk te beleven. Over seksbeleving werd immers niet gepraat; het werd belachelijk gemaakt. Toen ik ongeveer twaalf jaar was, hadden de kerk en mijn opvoeding een zodanige invloed op mij dat mijn schuldgevoel me dwong om slecht te vinden wat ik eigenlijk fijn vond. Daarom biechtte ik mijn seksspelletjes op met een jongetje van wie ik ontzettend veel hield en die mij dat prachtige gevoel van spanning gaf. De pater bedacht mij niet met een bedevaart naar het G.O.C., maar met een bidprogramma van een week. Hij verbood mij om 'zulke dingen' nog te doen. Ik moest hetero worden.Ook de linkse beweging, waar fallocratisch gedoe de norm was, sterkte mij in het idee van de heterovanzelfsprekendheid. Dus klasseerde ik mezelf als hetero. Ik wérd hetero. Op twintigjarige leeftijd hield ik dat niet meer vol. Ik voelde me genoodzaakt de bars in Brussel te bezoeken. In mijn dagelijks leven was ik hetero, ’s avonds was ik homo. Mijn verhuizing naar Leuven, mijn werking in de werkgroep Marginaliteit en mijn verblijf in de 'Pimpel' zijn cruciaal geweest voor mijn evolutie. Daar kon ik voor het eerst mijn homo-zijn verwoorden. Daarbuiten ging mijn schizofrene leven echter gewoon door. Op een dag ontmoette ik in de enige bar die Leuven rijk was een lieve jongen die actief bleek bij de Leuvense Studentenwerkgroep Homofilie (LSWH). Als een goed militant sleurde hij me mee naar een van hun vergaderingen. Ik wist destijds maar vaag van hun bestaan, omdat hun werking vooral gericht was op studenten. De rest van de onderdrukte homo’s die geen banden hadden met de universiteit, kon het bestaan ervan hoogstens vermoeden. Alleen voor de toekomstige dokters en intellectuelen werd de rode loper van de hulpverlening uitgelegd. Maar goed, eenmaal binnen werd je getolereerd. Toen ik hoorde wat ze allemaal deden — opvang, wekelijkse vergaderingen, gespreksgroepen — dacht ik dat mijn leven zou veranderen. Geen ellendige bars meer, geen constante uitbuiting van onze gevoelens, en niet meer het gevoel naar de hoeren te moeten lopen als je behoefte had aan affectie.Weg ermee: leven! De LSWH betekende voor mij een lichtpunt. Ik dacht daar mensen te vinden die, net als ik, naar buiten wilden treden. Mensen die ons homo-zijn niet langer wilden verbergen. Ik hoopte bij hen de kracht te vinden om op straat te kussen, gearmd te lopen en mijn homoseksualiteit te tonen. Ik dacht dat de problemen spoedig voorbij zouden zijn. Ik hoopte op mensen die achter me zouden staan en me zouden leren in verzet te komen tegen de constante vernedering van het beloerd, bespot en uitgescholden worden. Maar de droom was kort, de teleurstelling pijnlijk. Er werd gezegd dat we 'de mensen niet moesten choqueren', want we moesten 'die hetero’s de tijd gunnen en hen vragen ons te tolereren'. Hoe zij dan met ons moesten leren leven, bleek uit de vele gesprekken over hoe men 'gelukkig kon leven in deze heteromaatschappij'. Dat betekende in de praktijk: 'hoe leer ik mijn homogevoelens onderdrukken voor de hetero’s'.De heteronormativiteit werd nooit in vraag gesteld; alleen aan ons, homo’s, werd constant getwijfeld. Geen dromen meer over naar buiten treden. Ons bed, onze kamer, de bars en de werkgroep: dat waren de afgebakende plaatsen waar ik mijn homo-zijn mocht beleven. Daarbuiten was het op eigen risico; daar was er niemand die mij hielp. De maatschappij werd niet fundamenteel bekritiseerd, hooguit hier en daar gecorrigeerd. Na een aantal vergaderingen vervloog de droom en zat ik weer in de bar. Daar vond ik tenminste waar het mij om ging: mannen. Door de hele dag mijn homogevoelens te verdringen, zat ik zodanig in de knoop dat ik nog maar één doel had: de bar in en een man opscharrelen. Wie of wat hij was, deed er niet toe. Dat kon ook niet, want de sfeer was meestal zo vervreemdend en de muziek zo luid dat nadenken onmogelijk was. ’s Morgens werd de man na een kop koffie gewoon weer op straat afgezet.Zo ging het verder, tot ik op een dag op een van die 'intieme homofuifjes' een vriendje tegenkwam die bij de Rooie Vlinder bleek te zitten. Hij vertelde dat ze de volgende dag zouden meelopen in de 1 mei-betoging. Dus ging ik de volgende dag mee de straat op, wat meteen mijn aansluiting bij de Rooie Vlinder betekende. De vergaderingen waren leuk. Er werd gelachen en gepraat, maar vooral: er werd iets ondernomen tegen onze onderdrukking. Hier mocht ik zeggen dat ik niet de enige was die zichzelf niet aanvaardde, maar dat de maatschappij mij simpelweg de mogelijkheid daartoe niet gaf. Na de vergadering werd er meestal een pint gedronken in een 'gewone' kroeg. Die hetero’s, aan wie we eerst moesten wennen, vielen ook mee; ze kwamen ons zelfs kusjes geven (niet altijd even overtuigd, maar goed, beter iets dan niets). Daar heb ik de draad van mijn verzet tegen het conservatisme weer opgepakt. Ik wist dat ik niet meer alleen stond. We beseften dat we elkaar nodig hadden als steun in de dagelijkse realiteit. Het werd mooi om 'flikker' te zijn. Mijn schuldgevoel maakte plaats voor een zelfbewustere houding (die me nu soms wordt verweten). Gedaan met het constante rekening houden met hetero’s: vanaf nu moesten zij ook rekening houden met ons. 'Janet' zijn is mooi, en het zou steeds mooier worden.De vakantie stond voor de deur en ik vertrok naar Zuid-Frankrijk naar een alternatief janettenkamp. Daar, veertien dagen samen met homo’s uit heel Europa, ervoeren we de solidariteit die alleen onder onderdrukten mogelijk is. Ook het feit dat mensen mij mooi, lief en erotisch vonden, bevrijdde mij van tal van complexen die ik in het heteroghetto had opgedaan. Ik kwam sterker terug.Na een jaar bij de Rooie Vlinder heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven.  Na een jaar ROOIE VLINDER heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven. De bloemen zullen echter alle vruchten krijgen als de solidariteit van de progressieve beweging groot genoeg is en steunt op het consequent in-vraag-stellen in de dagelijkse praktijk van het eigen fallokratisch gedrag. De fallocratie is een dynamiek van de conservatieve beweging en de oorzaak van de onderdrukking van zowel vrouw als man. Er resteert geen andere keuze dan de consequente afbraak van die dynamiek. Iedere stap in die richting maakt mijn homoseksualiteit mooier, vrijer. Deze tekst verscheen in de rooie vlinder krant 1978 ****************************************************** De Rooie Vlinder (1976–1981) was een radicale, socialistische actiegroep die een fundamentele rol speelde in de vroege Vlaamse homobeweging. In tegenstelling tot eerdere organisaties die streefden naar maatschappelijke aanpassing, zette deze groep in op de totale homobevrijding en een fundamentele verandering van de samenleving.  Belangrijkste kenmerken en doelstellingenIdeologie: De beweging was expliciet links en socialistisch. Ze beschouwden de onderdrukking van homoseksualiteit als een product van de kapitalistische en patriarchale maatschappijstructuur.Bevrijding vs. Integratie: De Rooie Vlinder verzette zich tegen "integratie" in de heteronormatieve wereld. Ze wilden niet simpelweg geaccepteerd worden, maar streden voor het recht om fundamenteel anders te zijn zonder discriminatie.Locatie: De kernactiviteiten vonden voornamelijk plaats in Gent (verbonden aan de UGent) en Antwerpen.  De groep lag aan de basis van vele "primeurs" in de Vlaamse LGBTQ+-geschiedenis:De Eerste Homodag: In 1978 organiseerde De Rooie Vlinder de allereerste Belgische homodag in Antwerpen, de voorloper van de huidige Pride.Eerste Homofilmfestival: Ze gebruikten cultuur als strijdmiddel en organiseerden het eerste festival voor homofilms in Antwerpen.Militante actie: Ze stonden bekend om hun confronterende stijl en betogingen, zoals de protesten rond de omstreden musical Snoepjes.  Erfenis en opvolgingDe beweging werd in oktober 1981 ontbonden, maar hun radicale gedachtegoed leefde voort in het Roze Aktiefront (RAF), dat direct na de opheffing werd opgericht. Tot op de dag van vandaag, in 2026, wordt De Rooie Vlinder herinnerd als de groep die de holebibeweging in Vlaanderen uit de onzichtbaarheid trok en politiseerde. Documentatie over hun acties is onder meer terug te vinden in het Fonds Suzan Daniel, het holebi- en transgenderarchief van België.     ********************************************************************* ****************************************************************************   GALLERIJ VERF ED Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e https://www.2dehands.be/q/verf+ed+encyclopedische+mens/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/     

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
14 0

ECHT GEBEURD. a

"Waarom schrijft ge altijd over den bruin?" vroeg iemand mij onlangs."Omdat den bruin in de verdomhoek zit," zei ik."De allochtoon, bedoelt u," verbeterde hij me.Ik zuchtte om zoveel onbegrip. "Ik bedoel wel degelijk den bruin. Neem nu de witte allochtoon, de Oost-Europeaan. Buiten een laag loontje — dat vaak onze sociale zekerheid belast omdat het meestal zwart geld is — wordt die man niet bespot of dagelijks vernederd. Dit in tegenstelling tot mijn bruine vrienden, die elke dag vuile, kwade blikken moeten trotseren." Neem nu een van mijn beste vrienden: in Antwerpen geboren en getogen, maar hij is bruin. Zijn hele leven moet hij al vernederingen ondergaan, op school en op straat. Uit angst heeft hij zichzelf herschapen in een 'halve Italiaan'. Weet u hoeveel geld hij betaalt om er 'netjes' uit te zien? Het ontkroesen van zijn prachtige haar kost hem maandelijks een fortuin. En dan is er nog de druk van zijn familie; zij geloven dat wie de beste is, niet vernederd wordt. Dus staat hij dagelijks onder enorme prestatiedruk. Alcohol heeft hij afgezworen, daar wordt hij te snel agressief van. Zijn redding is zijn joint. Na een haaltje staat hij weer lachend en positief in de samenleving. Iedere pipo die hem agressief benadert, wordt onthaald op een lachsalvo. Dat werkt zo ontregelend dat de agressor uit pure verbazing zijn aanval staakt. Wanneer hij drinkt, reageert hij verbaal veel scherper. Hij kan er eigenlijk weinig aan doen; de dagelijkse druk is zo hoog dat ik het begrijp, al zeg ik hem dat hij ermee moet ophouden. Hij doet er alleen zichzelf pijn mee. Hij wordt gestraft, niet de agressor.Als ik hem dat zeg, zucht hij. Met tranen in zijn ogen zegt hij: "Ik weet het, ik weet het. Maar als er weer iemand in mijn gezicht spuwt of mijn dure jasje besmeurt terwijl ik wat gedronken heb, dan wordt het mij te machtig. Trouwens, niks doen is voor zo’n agressor een teken om door te gaan. Op de goegemeente hoef ik niet te rekenen. Ze hebben een grote bek als ik agressief uithaal, maar de blanke agressors laten ze begaan." Hij vervolgt: "Weet u, ik doe mijn uiterste best op school, ik ben een van de besten. Op een dag vierden we met de klas ons eindfeest. We hadden wat gedronken en stonden bij een bushalte toen twee oudere kerels mij begonnen uit te schelden. Eerst reageerde ik niet, maar de doodse stilte die over ons vrolijke groepje neerdaalde, sprak boekdelen. Iedereen was sprakeloos door de grofheid van die woorden. Het voelde als een koud bad. De agressors dachten waarschijnlijk dat we een gemakkelijke prooi waren en vielen ons fysiek aan. Kan ik het helpen dat ik een getrainde atleet ben? Ik sport en hoor bij de top; door het vele trainen sta ik scherp. Toen ik uithaalde, dacht ik niet aan dat onnozele jasje. Ik dacht aan de tranen van mijn moeder die dat jasje straks zou zien. Ik sloeg. Twee keer, zeer geconcentreerd. Het was nooit de bedoeling dat het zo erg zou aflopen: een gebroken pols en een gebroken been — dat laatste niet eens door mijn slag, maar doordat hij verkeerd viel. Alle omstanders kozen direct partij voor die 'brave witte jongens' die lagen te kermen. Alleen mijn schoolvrienden verdedigden mij. Daarna kwam de politie." Uiteindelijk oordeelde de rechter dat hij zich als getrainde atleet beter had moeten beheersen en dat hij een gevaar vormde. Hij werd voor een paar maanden naar een jeugdinstelling gestuurd. "Op dat moment zag ik weer het huilende gezicht van mijn moeder," vertelt hij. "Ik beet mijn lippen kapot om niet te huilen. Het lukte. In de krant stond dat ik emotieloos overkwam, maar ik heb geleerd dat mannen niet huilen. Begrijp je nu waarom ik van alcohol ben overgeschakeld op wiet? Van drank word ik te snel agressief. Het zullen de genen wel zijn.""Genen?" zei ik verontwaardigd. "Daar bestaat geen enkel bewijs voor. Zou het niet door de dagelijkse vernederingen komen?""Nee," zei hij, "het kwam door die ogen. Ik had telkens het gevoel dat ik háár teleurstelde. Weet u hoeveel pijn dat deed? En elke keer werd die pijn erger. Het enige wat hielp, was een stevige joint. Daar word ik kalm van."Ik luisterde sprakeloos. "Maar geraak je dan zo gemakkelijk aan wiet?""Dat is een probleem," gaf hij toe. "Ze hebben het al vaker in beslag genomen.""Word je dan niet kwaad?" vroeg ik."Kwaad wel, maar niet agressief. Voor ik de trein opstap, rook ik een paar flinke toeters. Wiet maakt me vrolijk, dan kan ik erom lachen. Het pijnlijke is dat als het geld op is, ik een week niks heb. Ik vrees de dag dat ik weer naar de alcohol grijp.""Heb je nu iets?" vroeg ik."Nee," zei hij bedeesd."Wel, tast toe," zei ik en ik gaf hem wat. Mijn toehoorder was even stil van mijn woordenvloed. "Wat is er verder met uw bruine vriend gebeurd? " klonk het, en hij vermeed het woord allochtoon. Mijn bruine vriend werd opgesloten in een zaal. Mijn bruine vriend moest slapen in een bed, die naast een bed stond waar een zwaar getatoeëerde man sliep. De meeste tattoo's waren hakenkruisen. De gehele nacht moest mijn bruine vriend de racistische kreten aanhoren, van een man die al 25 jaar opgesloten zat. Een bewaker zei mijn hoog intelligente bruine vriend dat teveel boeken lezen slecht is voor de hersenen. Een patiënt die in een crisis terecht kwam werd door drie HULK'S met baseball bats kalm geslagen, met een verdovend product ingespoten en naakt vastgebonden opgesloten in een kale cel. En het gebeurt nu nog in, achterlijk conservatief België. De enige arts die voor honderden patiënten beschikbaar was, werd veroordeeld voor seksueel misbruik van zijn patiënten. *************************************** ************************************************ *********************************************************************   foto galerie verf ed GALLERIJ VERF ED   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.    http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e https://www.2dehands.be/q/verf+ed+encyclopedische+mens/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/    

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
9 0

Waarheid in meervoud

Van cultuurland tot woonzorgcentrum en terug Ik heb lang gedacht dat waarheid iets is wat je kan afspreken.Dat je rond een tafel gaat zitten, met contracten, clausules, handtekeningen en goede bedoelingen, en zegt: dit is waar, en hier werken we mee.Misschien is dat een beroepsmisvorming. Jaren in de cultuursector doen dat met een mens. Ik begon als programmator. Voorstellingen kiezen, lijnen uitzetten, stemmen samenbrengen. Later runde ik tien jaar lang een eigen boekingskantoor. Ik leerde onderhandelen, afwegen, vooruitdenken. Ik leerde vooral dat waarheid zelden alleen inhoud is — ze is ook positie. Waar je staat, bepaalt wat je ziet en wat je luidop mag zeggen. De cultuursector is bij uitstek een plek waar veel waarheden naast elkaar mogen bestaan. Artistieke waarheid. Publiekswaarheid. Politieke waarheid. Financiële waarheid. De waarheid van het moment en die van de affiche.Tenminste, dat is het verhaal dat we graag vertellen. In de praktijk botsen die waarheden vaak op iets hardnekkigers: ego.De waarheid van wie het luidst spreekt.De waarheid van wie zichtbaar is.De waarheid van wie zich al jaren een statuut heeft kunnen permitteren. Tijdens de coronajaren, 2020 en 2021, kwam dat allemaal samen in mijn inbox. Als boeker werd ik een scharnierpunt tussen botsende werkelijkheden. Programmatoren en gemeentebesturen wilden plots eigen clausules in artiestencontracten. Begrijpelijk. Wetgeving veranderde voortdurend, verantwoordelijkheden wogen zwaar. Hun waarheid was er een van voorzichtigheid en controle. Artiesten schreeuwden moord en brand. Ook begrijpelijk. Optredens verdwenen, inkomens droogden op, erkenning bleek broos. Maar soms, en dat voelde ik toen al, zat er onder die woede een andere waarheid:dat verantwoordelijkheid jarenlang was uitgesteld.Dat een statuut iets was wat je ooit nog wel eens zou regelen.En dat er nu weinig was om op terug te vallen. En daar zat ik.Tussen al die waarheden in. Huis Alma.Alma mater.De zorgende moeder die luistert, sust, vertaalt.Die voor iedereen probeert te zorgen — behalve voor zichzelf. Ik hield al die waarheden recht. Ik probeerde ze naast elkaar te laten bestaan, ze met elkaar te verzoenen, ze te verzachten. Maar waarheid blijkt zwaar wanneer je ze te lang draagt voor anderen. Na corona kon bijna iedereen weer aan de slag.Behalve ik. Mijn waarheid vroeg om stilte. Om afstand. Om herstel.Ik crashte. Mentaal.En ik liet de sector achter me, samen met haar luidruchtige zekerheden. Ik ging andere waarheden zoeken. Ik kwam terecht in een woonzorgcentrum. Als animator — een woord dat al schuurt, alsof een leven nog aangezet moet worden wanneer het al zo vol is geweest. Hier was waarheid minder luid. Ze hing niet aan affiches, ze stond niet in contracten. Ze zat in lichamen. Ik sprak met vrouwen over liefdes die nooit helemaal waren uitgepraat. Met mannen over werk dat hun handen had gevormd en hun rug had gekost. Over oorlog, over kinderen die weinig langskwamen, over verlangens die zich hadden verstopt achter praktische levens. Feiten liepen soms door elkaar.Jaren verwisselden van plaats.Namen verdwenen.Maar emoties deden dat niet. Verdriet herkende zichzelf feilloos.Verlangen ook.En angst. Altijd angst. Er was ook een waarheid die niemand luidop hoefde te zeggen, omdat iedereen haar kende: dit is een plek die je niet meer levend verlaat. En vreemd genoeg maakte dat sommige dingen eenvoudiger. Er hoefde niets meer te worden. Geen carrière. Geen profiel. Geen gelijk. Alleen nog: vandaag. Op een ochtend zat ik te ontbijten met een tiental hulpbehoevende bewoners. Boterhammen in stukjes gesneden, kopjes die je met twee handen vasthoudt. Stilte die nooit helemaal stil is.Er speelde muziek. André Rieu. Waarom precies dat weet ik niet meer, maar het werkte. Er kwam beweging in de kamer. Ik stond te dansen. Niet groot. Niet uitbundig. Gewoon wat wiegen. Armen die meededen. Karl liep voorbij. Karl was luid, vrolijk, toegewijd. Zo iemand die zijn werk met heel zijn lijf doet.Hij riep:‘Hé Katrien, hoe oud zijt gij eigenlijk?’ Ik zei: ‘Zesenveertig.’En meteen daarna:‘Maar in mijn hoofd zesentwintig.’ Het klopte.Of toch: het voelde waar. Ik keek naar Jeanne. Ze kon niet meer praten, maar ze keek. En ze knikte. Heel voorzichtig.In haar ogen zag ik haar. Niet zoals ze daar zat, maar als een meisje van acht. Met losse knieën. Met een lijf dat nog geen afscheid kende.In mijn verbeelding danste ze met me door de kamer. Niet omdat dat feitelijk waar was.Maar omdat het waarachtig voelde. Daar, aan die ontbijttafel, viel iets op zijn plaats. Waarheid bleek niet vast te zitten aan feiten, aan correcte antwoorden, aan wat hardop gezegd kon worden. Ze zat in herkenning. In een blik die zei: ja, ik weet wat je bedoelt. Na het woonzorgcentrum kwam ik terecht bij Raak, een organisatie in het middenveld. Verankerd onder vele kerktorens, verspreid over heel Vlaanderen. Een nationaal verhaal schrijven voor een organisatie met zoveel lokale satellieten betekent: omgaan met waarheden die elkaar niet altijd herkennen. Raak profileert zich als een luisterende organisatie. Na mijn jaren in cultuurland voelde dat nieuw. Onwennig zelfs. Luisteren naar een ander.Niet om te antwoorden.Niet om te overtuigen.Maar om ruimte te maken. Hier werd de tegenstem niet gezien als lastig, maar als noodzakelijk. Niet elke waarheid moest winnen. Niet elke spanning moest opgelost worden. Soms mocht ze blijven bestaan. Ik leerde dat je naast elkaar kan blijven staan en zeggen: we agree to disagree.Niet als opgave.Maar als volwassen vorm van samenleven. Vandaag werk ik opnieuw in cultuurland.Het is mijn thuis.Mijn passie.Mijn biotoop. Ik geniet van mooie voorstellingen. Van gesprekken met artiesten die zoeken naar woorden voor wat nog geen vorm heeft. Van overleg met techniekers, waar precisie en vertrouwen samenkomen in het donker achter de scène. Ik omarm de plek waar ik graag ben. Maar ik kijk anders.Ik kijk anders naar wie roept.Naar de waarheid die in drukletters staat.Naar zekerheden die zich groot maken om niet te moeten luisteren. Geef mij maar die waarheid van de ontbijttafel.Van een verpleger die roept hoe oud je bent.Van een vrouw die niet meer kan praten, maar wel kan knikken.Van een meisje van acht dat even mag meedansen in een oud lichaam. Daar, denk ik,is waarheid niet universeel omdat iedereen haar deelt,maar omdat iedereen haar herkent. En dat is genoeg.  

Katrien Daniels
44 0

Flamenco. a

 verf ed GITAAR  VARIA ***************************************** Adagio, Tomaso Albinoni door verf ed *************************************************** Recuerdos de la Alhambra T.Tarrega **********************************************In den beginne was er de tekst en het ritme, aangegeven door een stok. De gitaar kwam pas veel later. De spanning werd, eerst langzaam, opgevoerd naar een hoogtepunt. Het doet denken aan Arabische (huwelijks)feesten, waar het tempo aanzwelt tot de ontlading – en dan stopt het. Ook bij flamenco wordt dat ritme steeds opnieuw opgevoerd, gestopt, en weer hervat.Flamenco: een melodie bouwt zich op en net wanneer het gevoel zijn volheid bereikt, valt het stil. Dit proces herhaalt zich eindeloos. Ik werd er gek van. Het raakte mijn puberale gevoelens en bracht ze in beroering. In die uithoek van Vlaanderen werd ik gegrepen door muziek uit het zuiden van Spanje.Later bleek de enige flamenco-kenner en -speler in Antwerpen te wonen. De stad waar boten in het centrum aanmeerden en hun vele culturen voor een paar dagen of weken uitspreiden. Het was een hele tocht vanuit mijn afgelegen dorp naar de grote stad, maar mijn jeugdige hormonen dreven me erheen.De zanger-schrijver-dichter woonde destijds in een rijtjeshuis in een zijstraat van de Gitschotellei. Oeroude Vlaamse instrumenten hingen aan de witte muren. Na een hartelijke ontvangst kreeg ik mijn eerste teleurstelling te verwerken: de enige kenner van deze hartstochtelijke muziek vertelde me dat hij ze niet meer speelde. Een Spanjaard had hem erop gewezen dat zijn spel veel te koel was. Hij stuurde me naar Leuven, waar een Vlaamse flamenco speler de muziek niet alleen speelde, maar ook lééfde.Op dat moment kon ik er weinig mee; de volgende dag werd ik weer in de fabriek in mijn dorp verwacht. Maar een paar jaar later, toen ik de wijde wereld introk, bepaalde die ontmoeting mijn pad. Leuven werd vijf jaar lang mijn thuis.Later, toen de ratio in mijn leven sterker werd, vroeg ik me vaak af waarom die verre muziek mij zo diep had geraakt. Misschien omdat de strenge rooms-katholieke cultuur en de armoede in het verre Andalusië gelijkenissen vertoonden met het leven hier. Een van de verhalen over de oorsprong van de naam bracht meer duidelijkheid: een Spaanse koning hoorde de zigeunermuziek en zei: "De passie die deze muziek uitstraalt, vind ik terug bij mijn Vlaamse lijfwachten, mijn flamenco's."De zanger-schrijver-dichter die ik destijds ontmoette, schreef de regels die al jaren door mijn geest dwalen en mijn leven verblijden: "Ik wil deze nacht in de straten verdwalen, de klank van de stad maakt me zeer amoureus." — Wannes van de Velde. Op de dag van de begrafenis van Wannes werd deze tekst gepubliceerd in de krant DE MORGEN. *********************************************** ***************************************************     *********************************************************************   foto galerie verf ed GALLERIJ VERF ED   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e https://www.2dehands.be/q/verf+ed+encyclopedische+mens/ https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
46 0