Lezen

Wie is bang van de Grote Boze Wolf?

Een ware held heeft nood aan een vijand, die niet zozeer zijn welvaart, maar vooral die van een ander bedreigt. Een held ben je immers nooit alleen. Die status krijg je enkel bij gratie van het volk. Sommige mensen worden held uit noodzaak of altruïsme, maar de meesten zijn gedreven door eerzucht. Misschien is het dan ook geen toeval dat zelfs in het zo rustige Limburg, waar in ’t bronsgroen eikenhout een wolvenroedel huilt, een boer zijn riek uit de mestvaalt trok en met 3.000 medestanders de straat optrok tegen de aartsvijand van het Europese platteland: de wolf. Bij gebrek aan kwaadaardige genieën, Oosterse potentaten en vreemde bezetters bevredigen moderne Europeanen hun nood aan episch heldendom door strijd te voeren tegen de sprookjesschurk met de grote oren, grote ogen en grote tanden. De Grote Boze Wolven-fakkeltocht van vrijdag 24 september ademde dan ook de feeërieke sfeer van de Hasseltse wintermarkt. Een kudde met kerstverlichting opgedirkte schapen liep door de schaarsverlichte weiden waar een massa lachende, pratende plattelanders verzameld waren. De toortsen die ze droegen waren elektrische tuinfakkels, die je kon kopen voor 2 euro per stuk. Enkele deelnemers hadden zich verkleed als wolven, schapen en varkens.  De samenkomst trok zoveel aandacht dat zelfs de burgemeester van Oudenburg zich had verwaardigd om langs te komen. Pony’s, biggetjes en een Grote Boze Wolf Hoe gemoedelijk de sfeer ook was, de spandoeken en kartonborden toonden een minder fraai plaatje. Van het krachtige ‘Weg wolf’ tot het krakkemikkige ‘Wij willen boeren, maar geen wolven voeren’, elke slogan protesteerde tegen de aanwezigheid van de illustere voorouders van onze trouwe viervoeters. De boodschap was duidelijk: Limburg is op oorlogspad. Zoals in elke oorlog was de waarheid het eerste slachtoffer. Geïnterviewde deelnemers waren overtuigd dat de wolf was ‘uitgezet’. Sommigen vonden dat wolven thuis horen in een reservaat. Een vrouw was zo overtuigd van de bovennatuurlijk krachten van een wolf, dat ze meende dat zelfs een wolvendraad geen soelaas biedt tegen zijn het verzamelde hoogspringtalent van een wolvenroedel. Een beproefde tactiek uit de oorlogspropaganda is om kinderen in het plaatje te brengen. Wat als de wolf genoeg krijgt van lamsboutjes? Wat als hij meer zin heeft in kindervlees? Schermen met de dreiging van angstige, huilende en weerloze kinderen is doorgaans voldoende om de harten te winnen. De kans dat een wolf een kind doodbijt is weliswaar kleiner dan dat er een meteoriet in je beerput valt, maar koude logica is zelden bestand tegen de verzengende hitte van een mensenmassa in beweging. Een ander typisch kenmerk van propaganda is dat de ‘dreiging’ in alle geuren en kleuren wordt benoemd, terwijl de ‘oplossing’ gehuld blijft in nevelen. Tenslotte beschouwt niemand zich graag als een moordzuchtige gek die het uitroeien van een diersoort op zijn geweten heeft. Nee, de wolf is slecht. Niet wij, gewone mensen, die vol zitten met goede bedoelingen en praktische oplossingen. Tijdens de ‘Grote Boze Wolven’-mars kwamen veel staaltjes van die ‘praktische oplossingen’ aan bod. Twee mannen in carnavalskostuum – de ene verkleed als wolf, de andere als varken – suggereerden dat ‘ze’ de wolf gewoon moeten ‘wegdoen’. Hoe dat moet gebeuren, was minder duidelijk. Misschien hoopten ze de roedel te vangen in een net en hem te droppen boven de Russische steppen? Of misschien moesten ze te rade gaan bij de vrouw die bang is dat een roedel wolven over haar wolvendraad springt. De wolf is weliswaar een prachtig dier, zei ze, maar toch hoort het dier hier niet thuis. Ze stelde dan ook voor om alle wolven op te sluiten in een reservaat afgebakend door een gigantisch hek. De wolf is een angsthaas De argumenten van de actievoerders zijn niet nieuw. Ze duiken overal op waar mensen in conflict komen met wilde dieren. Ook in de Pyreneeën en de Alpen klagen lokale bewoners over beren en wolven die met ‘te veel’ zijn en ‘hier niet thuishoren’. Ook al neemt niemand het woord uitroeiing in de mond, het is wel de logische consequentie van zo’n gedachtegang. Mensen houden van wilde dieren, zolang ze niet in de buurt komen. In een wereld gedomineerd door mensen komt die eis echter neer op een doodvonnis, een zware straf voor een schepsel dat minder gevaarlijk is dan een schoothondje. Aanvallen van wolven op mensen zijn immers extreem zeldzaam. De voorbije 50 jaar vielen wereldwijd slechts 17 slachtoffers door de aanval van een wolf. De helft van die gevallen had bovendien te maken met hondsdolheid, een ziekte die in onze contreien is uitgeroeid. Andere aanvallen hebben dan weer te maken met dieren die zich in het nauw gedreven voelen. Daarvoor bestaat echter een eenvoudige remedie: Laat die beesten met rust. Kortom, mensen lopen meer kans om verscheurd te worden door hun poedel, dan om opgepeuzeld te worden door een wolf. De mens zou nochtans een makkelijke prooi kunnen zijn, maar eeuwenlange vervolging heeft wolven bang gemaakt. Dat is een gevolg van natuurlijke selectie. Schuwe wolven maken nu eenmaal meer kans om een confrontatie met mensen te overleven, dan hun stoutmoedige soortgenoten. De kans dat jouw dochter of kreupele moeder wordt opgepeuzeld door de boze sprookjesschurk is dan ook fabelachtig klein. Wie wel moet vrezen zijn schapen, koeien, geiten, pony’s en honden. Volwassen runderen en paarden zijn zelden slachtoffers, al worden verzwakte en oude exemplaren wel eens aangevallen. Een wolvenroedel met een eigen, goed afgebakend territorium valt echter minder snel landbouwdieren aan. Gedomesticeerde dieren vormen bovendien een miniem onderdeel van een wolvendieet. Wolven jagen liever op wild, zeker als ze eenmaal begrijpen dat vee eigenlijk een lastige prooi is. Veehouders kunnen het gedrag van wolven mee sturen door het plaatsen van wolfwerende omheiningen. Een goed geïnstalleerde schrikdraad voorkomt 98% van alle aanvallen en leert wolvenroedels dat ze in de toekomst beter geen moeite doen om een sappig schapenboutje te veroveren. Een bijkomend voordeel is dat zo’n omheining ook loslopende honden op afstand houdt. Alle andere oplossingen – met de mogelijke uitzondering van kuddebeschermingshonden – zijn onrealistisch en wreed. De ‘oplossing’ om wolven op te sluiten in een reservaat gaat volledig in tegen hun sociaal gedrag. Wolven groeien op in een roedel – die in de meeste gevallen niet meer is dan een kerngezin met een vader een moeder, hun welpen en af en toe een paar oudere dieren. Van zodra een wolf groot genoeg is verlaat hij zijn familie om een partner te zoeken. Daarnaast is het territorium van een Europese wolf gemiddeld 200 km². Ze opsluiten in een afgesloten reservaat dat groot genoeg is om aan hun sociale én culinaire behoeften te voldoen is simpelweg onmogelijk. De gevolgen op het gedrag van wolven (en andere diersoorten) zou te groot zijn. Fabulerende aap Deze argumenten zijn welbekend voor wie een beetje vertrouwd is met de kwestie. Waarom zijn de ‘wolfsceptici’ dan zo standvastig in hun waanbeelden? Is het slechte wil? Zijn ze dom? Slecht geïnformeerd? Of kan het ze gewoon niet schelen? Een verklaring voor dit fenomeen is dat ook mensen typisch gedrag vertonen, dat vaak een gevolg is van hun oververhitte intelligentie. Aanhangers van ‘fake news’ worden vaak beschouwd als dom, onwetend of irrationeel. Nochtans hechten niet enkel mafketels en goedgelovigen belang aan aantoonbaar foute complottheorieën. De meest fervente verdedigers zijn vaak hooggeschoolden met een bovengemiddelde (zij het geen uitstekende) kennis van het onderwerp. De reden daarvoor is eenvoudig: Wie zichzelf en anderen via boeken, artikels of documentaires, kan overtuigen van een stelling – hoe van de pot gerukt ook – heeft daar doorgaans behoorlijk wat denkkracht voor nodig. Complottheorieën en ‘fake news’ zijn bovendien geen fenomeen uit de marge. Een recente peiling toont aan dat maar liefst 67% van de Fransen geloof hecht aan het scenario van een ‘Grand Remplacement’ – de theorie die stilt dat massamigratie een instrument is om de Franse, christelijke beschaving te vernietigen. De mens is het intelligentste dier op aarde, maar intelligentie is geen waarborg voor redelijkheid. Ook toegang tot betrouwbare kennis is geen waterdichte garantie dat mensen het licht van de rede zien. Nooit eerder heeft de mens zoveel onderwijs, wetenschap en informatie gehad. Toch tieren complottheorieën weliger dan ooit tevoren, zelfs bij mensen die zogenaamd ‘beter zouden moeten weten’. Een eerste verklaring hiervoor is dat mensen niet enkel redelijke wezens zijn. Ze zijn ook angstig, boos, verdrietig, bezorgd, beschaamd, liefdevol. Kortom, mensen zijn betrokken. Ze hebben belang bij wat er in de wereld gebeurt. Dat staat vaak haaks op de belangeloosheid die we met intelligentie en redelijkheid associëren. Intelligentie wordt door psychologen doorgaans gedefinieerd als het vermogen om informatie te verzamelen, kennis te vormen en die vervolgens te gebruiken voor het oplossen van problemen. Die probleemoplossende capaciteit heeft twee functies: het leven vergemakkelijken en ‘de waarheid’ achter dat leven achterhalen. Intelligentie is de basis van de agrarische, technische en industriële ontwikkeling van de mens, maar ook van wetenschap en filosofie. Net die intelligentie zou ons onderscheiden van andere diersoorten. Intelligentie is echter ook de voedingsbodem van de akelige kanten van de menselijke natuur. De ‘animale gevoelens’ (angst en woede) zijn slechts de eerste vonken voor geweld. Dat brengt ons bij de tweede verklaring van onze neiging tot irrationalisme. De echte dreiging komt van het verstand zelf, dat die emoties zodanig ophitst dat de vonkjes uitslaan tot een bosbrand.  De menselijke rede is immers in eerste instantie een fabulerende rede. Ze ontwikkelt zich in groep, zoals een straf verhaal dat tot stand komt op een studentenfuif, waar de deelnemers iets te kwistig van een joint trekken. Iedere trek voegt een extra detail toe aan een vertelsel, dat steeds rijker en sappiger wordt, tot het de status krijgt van een legende of een mythe. De basis van de menselijke intelligentie is creativiteit – het vermogen om nieuwe, ongewone ideeën te scheppen. Het succes van de moderne wetenschappen en technologie heeft ons hiervoor blind gemaakt, hoewel die niets zouden zijn zonder het creatieve brein van fysici, chemici, ingenieurs, biologen, architecten, ambachtslui. De waarheid is dat moderne wetenschap niet simpelweg de triomf van de menselijke intelligentie is. Het is de triomf van het verstand over zichzelf. Wetenschap is maar succesvol omdat de rede op tijd een grens trekt aan wat ze mag denken. De wetenschappelijke rede is dan ook een ascetische rede. Ze is zich voortdurend bewust van haar feilbaarheid in het achterhalen van de waarheid. Overgelaten aan zichzelf geeft de menselijke geest zich net over aan mythes, poëzie en theater. Hoe creatief ook, de menselijke verbeeldingskracht gedijt toch vooral in heel traditionele verhaalvormen, die bevrediging zoeken voor ons verlangen naar heldendom. Dat mensen zich verzamelen in een vrolijke stoet tegen een diersoort, waarvan ze de kwaadaardigheid schromelijk overschatten, is dan ook geen toeval. De wolf appelleert aan onze voorliefde voor een schurkachtige Ander (de wolf), een sympathieke held die ook een beetje slachtoffer is (de Limburgse boer), en een dramatisch voorval dat de hele epiek in beweging zet (‘wolf doodt schaap’). Alle andere personages zijn maar belangrijk voor zover ze een functie hebben in het verhaal. Het Grote Boze Wolven-epos kent een grote reeks aan nevenpersonages en figuranten: slachtoffers (pony’s, schapen, kinderen), handlangers (honden, de man of vrouw in de straat, opportunistische burgemeesters) en verraders (natuurbeschermers, politici, ‘Europa’). Empathische geest De mens is een geboren relnicht. Theatraliteit is zijn tweede natuur, maar het is niet zijn noodlot. Mensen zijn ook ascetische dieren. Ze zijn graag bereid om hun zintuigen uit te hongeren en hun geduld op de proef te stellen als ze geloven dat die lijdensweg eindigt bij de spreekwoordelijke kom rijstpap met gouden lepeltjes: een goddelijke openbaring, wetenschappelijke mijlpaal, sportieve prestatie of de catharsis op het einde van een goed boek. De grootste triomf van de mens is echter niet deze ascese, die zelfverloochening accepteert omdat een grotere beloning wacht, maar empathie: het vermogen om uit jezelf te treden, het perspectief van een medemens – of mededier? – aan te nemen – zelfs als daar géén beloning van afhangt. Empathie is geen simpele gedaanteverwisseling. Wat een ander denkt en voelt, is nooit direct waarneembaar. Het komt enkel tot de eigen ervaring via lichaamstaal, geluiden, handelingen en woorden. Wie wil begrijpen moet dus interpreteren. Empathie is dan ook de hoogste vorm van creativiteit. Het dwing mensen om uit hun eigen rol te treden en een rem te zetten op de wilde gedachten die hun geest bijna automatisch over de anderen denkt. Juist in die belangeloosheid en zelfbegrenzing ligt de ultieme menselijke vrijheid. Empathie staat goed beschouwd dichter bij wetenschap dan mensen aannemen. Inlevingsvermogen is de sleutel voor succes in onder meer de gedragsbiologie (of ethologie), de wetenschapstak die nagaat waarom een diersoort zich op een bepaalde manier gedraagt, hoe dat gedrag is ontstaan en hoe individuele dieren zich door hun leven ontwikkelen. Nodeloos te zeggen dat empathie dus ook een middel is om de verhouding tussen mensen en wolven te herdenken. Tragische mens De tragiek van een mensenleven is echter dat empathie verdomd moeilijk is voor een wezen dat met al zijn emoties en zintuigen geketend blijft aan de eisen van het bestaan. Dit verklaart waarom mensen andere diersoorten zo zelden een eigen plek onder de zon gunnen. Empathie is voor mensen zowel te moeilijk als te makkelijk. Mee leven, mee denken en mee voelen is het loodje te veel voor wie al een zware last torst. De boer die zijn schapen verliest of het gezin met een doodgebeten pony heeft weinig boodschap aan relativering door natuurbeschermers en gedragsdeskundigen. Ook vee-eigenaars verdienen empathie. Al is het maar omdat een diersoort beschermen in een wereld gedomineerd door mensen weinig zin heeft als de mensen het dier liefst zien verdwijnen. Voor andere mensen is empathie dan weer te gemakkelijk – of beter gezegd: het leert hen dat hun leven te banaal is voor de rol die ze zich graag toebedelen, namelijk die van de held. Een simpele perspectiefwissel toont immers dat mensen weinig hebben te vrezen van een wolf. In tegenstelling tot mensen hebben wolven – nou ja – een hondenleven. Ze staan bloot aan vergiftiging, verkeersongevallen en ziektes. Eeuwenlang werden ze door de mens meedogenloos vervolgd tot ze in veel contreien uitgeroeid waren. Zelfs zonder toedoen van die rechtopstaande, geklede aap leven wolven in een bijna permanente staat van uithongering. Mensen daarentegen hebben geen natuurlijke vijanden. Het grootste gevaar in hun leven is de samenleving die ze rond zich hebben gebouwd. Voor de meeste West-Europeanen is zelfs die maatschappij niet bijzonder uitdagend. De doorsnee West-Europeaan maakt zich druk om ochtendfiles, buurjongens wiens skateboards te veel lawaai maken, accijnzen op bier en tabak, een kras op de voorruit van zijn BMW X1, de fiscale aftrekbaarheid van een tweede verblijf of een burenruzie om een overhangende tak. Juist dit comfortabele leven maakt een demystifiëring van de wolf  zo onaantrekkelijk. De fabulerende diersoort homo sapiens wil immer graag de hoofdrol spelen in de verhalen die hij zich vertelt, maar wat stelt een held voor zonder vijanden? In zijn Aards Paradijs zonder goden, helden of demonen kan enkel een ouderwetse sprookjesschurk hem nog redden – ook als hij die zelf moet uitvinden. Pieter Van der Schoot

Pieter Van der Schoot
7 0

vierde golf

We zitten er midden in, ontkennen heeft geen zin. Net als bij de vorige golven beginnen nu opnieuw verschillende niveaus soloslim maatregelen af te kondigen. Wat opvalt is dat, mijns inziens, de jeugd het opnieuw moet ontgelden. Een scoutsfuif kan niet doorgaan, een afsluitend feestje op de sportclub passeert niet. Ondertussen blijven de discotheken volstromen, maar tja dat is niet de bevoegdheid van deze of gene gouverneur. Verder wordt de zwartepiet graag doorgegeven aan zij die, om god weet welke reden, zich niet laten vaccineren. Zij zijn de marginalen, de boosdoeners, deze keer. In maart 2020 waren we nog ‘one team’, naar analogie met dat ander team dat maar blijft bakkeleien waarom het sociale zekerheid op een billijke manier zou betalen. Enfin, een andere discussie, één van de vele andere twistpunten. Wat we niet kunnen ontkennen is dat wij ons nu laten verdelen. Wij zijn verscheurd, wij zijn niet langer één. Terwijl ik denk dat we met de vrij hoge vaccinatiegraad die er is wel iets kunnen tegenhouden. Maar ik denk dat er een veel performanter track en trace systeem zou moeten zijn. Want laten we wel wezen, daar loopt het helemaal spaak. Wie is daar verantwoordelijk voor? Zou het de politiek kunnen zijn? Die, alweer, na bijna 20 maanden eigenlijk nog steeds papt en nathoudt? Waarom wordt daar weinig over gezegd? De politiek had toch iets meer kunnen doen dan nu? Zij verdelen nu, door de maatschappij op te delen in goed en slecht. Zij leveren nu toch al keer op keer een diploma van onbekwaamheid af. Waarom komen ze daar zo makkelijk mee weg. Klopt het dan toch dat misdaad loont. Want daar begint het op te lijken: misdadig beleid. Waarom zijn er nog steeds geen bedden bij in de zorg, of handen? Want dat is een ware pandemie: er zijn te weinig middelen in alle lagen van de zorg (ik wens het niemand toe, maar je moet eens worstelen met mentale problemen). Begint dit niet een beetje op schuldig verzuim te lijken en moet dat niet op zijn minst eens bevraagd worden? Verder nog een kleine ergernis. Volgens de federale regering zitten we in een noodsituatie. Kan kloppen, natuurlijk. Maar hoe wenselijk is het wanneer een land in een noodsituatie terechtkomt dat beleidsmensen opdraven in quizjes en spelprogramma’s. Ondergraaft dat niet een beetje de sense of urgency die nodig is om iedereen bij de les te houden. Dit verwijt maak ik ook aan tal van virologen en andere intensivisten.  

brandnetel
6 0

Juist Genoeg (een reis door Veneto)

  I. Een wankelend leven          De hemelsluizen staan open, die van Monsin houden stand. Nauwelijks. Het zijn bange nachten waarin de Limburgse inwoners langs de Maas vingers gekruist slapen. Ook bij ons staat het water aan de lippen na een overvloed aan COVID-19 maatregelen en aanpassingen op de al aangepaste maatregelen. In tegenstelling tot de inwoners van Meeswijk, Leut en Vucht-dorp kiezen wij niet voor een tot pop-up vaccinatiecentrum omgetoverde sporthal, noch voor een met veldbedjes gevulde bibliotheek. Wij kiezen voor Jumpy, ons busje. Wij hebben geluk. Wij laten ons huis achter omdat we het kunnen, niet omdat we moeten. Welkom op onze jaarlijkse vrijwillige evacuatie. Hoe wil je anders dat ik overleef?         Het is bij de eerste van laatste zonnestralen dat we vertrekken. Om files te vermijden rijden we de hele nacht door. Langs woeste rivieren in Wallonië, het landelijke Luxemburg, flikkerende snelwegen in Duitsland, ochtendzonnende bergen in Oostenrijk en uiteindelijk via de langgerekte Brennerpas langs de trots staande Tiroler Alpen in Italië. We rijden en we leven. Herleven. We dromen. De berg voor ons wordt een grazend paard. Ik spring erop en daag de auto’s beneden in het dal uit. Kom maar op met jullie snelheden, ik kom op plaatsen waar jullie enkel van kunnen dromen. Een berg links van ons blijkt dan weer een aangezicht te zijn waar de tranen tussen de rimpels heen vloeien. Het is een man die ik wil troosten, hij laat het niet toe. Mijn handpalmen leg ik op zijn gelaat. Ik sus hem en neem zijn tranen mee. Nog een andere berg herschep ik tot een grijzig versleten wigwam, achtergelaten door een roversbende op doortocht. Ik zie de mensen liggen. Ze zijn moe. Moe van het heropbouwen. Van het proberen, maar ik fluister dat ze nog even moeten wachten, bergen worden weer bergen.         We rijden er tussen, eromheen, erover, eronder en even vergeten we de drukte om ons heen. We zijn alleen. De eenzaamheid waar mijn generatie, volgens onderzoeksgroepen, nieuwsankers en de generatie zelf, onder lijdt, die zoeken we op. Wel samen. Eenzaamheid, niet in de vorm van sluipmoordenaar, eerder als schenker van sereniteit. Die verwelkomen we met open armen. Eenzaamheid als zeldzaam goed, in de hoop dat dit bestaat. Ik hoop het hier te vinden, op deze reis. Uit te vinden indien nodig, en mee te nemen naar huis om uit te delen. Aan iedereen die het nodig heeft. Om hen ook te troosten, en te zeggen, bergen worden weer bergen. En tussen die bergen zie ik een immense hangbrug in de verte. Talmend tussen twee titanische bergketens. Ik zie haar getrotseerd worden door enkele mensen. Zou ik het durven? Ik moet wel. Hiervoor ben ik grootgebracht. Je kan alles worden wat je wilt. Je kan het grootste bereiken. Je moet het gewoon doen. Dat is wat ik altijd gehoord heb. Maar nu we onder de brug doorrijden voel ik me zo niet. Ik ben niet geworden wie ik verwacht werd te worden en de schuld kan ik enkel bij mezelf zoeken. Alles was voorhanden, want alles was voorzien. En toch heb ik vandaag de grond onder mijn voeten amper onder controle, laat staan enkele verzaagde planken verbonden met wat kabels en vijzen boven een ravijn gevuld met voorbijrazende vluchtende toeristen.        Ik zie me daar al staan aan de rand van de brug. Omringd door mensen die zich opmaken het gevaar te trotseren. Een pakje would-be moed in de ene hand, smartphone in de andere. Alvast een fotootje delen met hun volgers. Maakt niet uit of ze de brug uiteindelijk zullen oversteken. Wat sta ik daar te doen? Zou ik ook een bericht plaatsen op mijn socials? Laten weten dat ik het niet zal doen? Geen filter. Ik zou wel willen, een vleugje waarheidszin, maar wie zit daarop te wachten? En worden ze daar dan gelukkiger van? Word ik daar gelukkiger van? Wat heb ik liever? Tegendraads in het gelid of helemaal niet?       Ik zie mijn vrouw staren door de met ochtenddauw bedruppelde achteruitkijkspiegel. Ik lees iets van rust in haar ogen. Iets van beheersing. Het is aanlokkelijk. Met dit bemoedigende gevoel rij ik verder, tot we enkele uren later een verroest wit-rood bordje langs de kant van de weg zien staan. Baone. Vanuit dit dorp zullen we steden als Verona, Padua en Venetië bezoeken. Steden waar het wellicht overloopt van vermoeide ouders die tien dagen hun werk willen vergeten en om dat te kunnen, hun kinderen (die ze genoodzaakt waren mee te nemen) meesleuren en dwaze dingen laten doen als over een Veronese bronzen borst wrijven of een foto nemen waarop de San Marco basiliek schijnbaar tussen hun vingers geknepen lijkt. Daar zijn we nog niet klaar voor en starten dus met de naastgelegen pittoreske dorpen Este, Arquà Petrarca en Monselice waar, in het laatstgenoemde dorp, de Cammino di Sant’Antonio passeert. Een pelgrimstocht van negen dagen.         Op dag drie van onze reis, rijden we tot aan de voet van wat volgens ons reisboekje de laatste halve kilometer van ‘dag twee’ hoort te zijn. Hier lees ik haar voor dat Paus Paulus V een bul uitvaardigde waarin stond dat een bezoek aan de kapellen dezelfde aflaat oplevert als een pelgrimstocht naar de traditionele Pelgrimskerken van Rome. Dus we gaan ervoor. Twee millennials. Een generatie die alles oh zo moeiteloos bereikt. We zullen er ons dan maar naar gedragen. Griploos met onze flipflops, stijl omhoog  de kinderkopjes over, langs de zes witte kapellen tot aan het oratorium van San Giogri. Hier komen we, als de 21-eeuwse christenen die we zijn, weer makkelijk van af.        II. The circus of life          Enkele dagen later, en naar alle schijn heiliger, besluiten we dan toch om de landelijke rust in te ruilen voor het spektakel dat een stad als Verona ons te bieden heeft. De tent laten we in Baone staan en we rijden met Jumpy doorheen met kerktorens gevulde dorpen tot we bij Hotel Martini aankomen. Nadat we onze spullen voor de komende twee dagen hebben gedropt, besluiten we het hart van de stad te ontdekken. De voetpaden zijn begroeid met wit-groene steps om het ons schijnbaar makkelijker te maken. Toch kiezen we ervoor de stad wandelend uit te pluizen. Tijd nemen. Via de Porta Palio kuieren we door de straten om bij de Ponte di Castelvecchio uit te komen. Hier blijkt dat een bijna zevenhonderd jaar oude brug, bestreken met de schittering van het onderliggende golvende water op haar rode bakstenen, een ideale combinatie is voor jawel, een Instagramfoto. Op de brug staat een menigte met schuin omhoog uitgestrekte arm. Allemaal in dezelfde houding. Zij tegen zij, zodat zelfs de wind geen ruimte krijgt om de brug over te steken.         Er breekt iets rond mij. De zon verdwijnt achter de wolken. Het wordt koud. Donker. De smartphones versplinteren. De honderden mensen staan neus aan neus tegenover elkaar, alsof ze in een staat van slaapverlamming verkeren. Arm nog steeds uitgestrekt. Aan de overkant van de brug opent de mensenzee. Een zwart glimmende Mercedes-Benz openbaart zich uit het volk en rijdt langzaam voorbij de menigte. Op de achterbank staat een grote kader met zwarte omlijsting. Een wit vlak met in het midden een klein zwart snorretje. Armen zakken en mensen vallen op hun knieën. Hun ideaal lijkt gevonden.         ‘Camera nodig?’        Ik ontwaak. Mijn vrouw geeft me het toestel aan. Terwijl het geroezemoes op de brug terug oploopt en ik mijn lens kuis, zie ik een vrouw op haar knieën het glas van haar smartphonescherm bijeen vegen. Andere mensen zoeken elk het meest unieke plaatsje op de brug voor hun selfie.             Hoeveel foto’s heeft een mens eigenlijk nodig van zichzelf? Ik verschuif mijn Panasonic Lumix knopje van Off naar On, wacht enkele tellen en trek ook een foto. Van het uitzicht. Ja, ook ik wil dit beeld vastleggen. Dit moment. Waarom toch? Een reisalbum maak ik er niet van. Om te tonen dan? Aan mijn toekomstige kleinkinderen? Of laat ik het hen allemaal zelf ervaren? Zonder voorgekauwd verhaal of beeldmateriaal. De kunst van het ontdekken. Of zal het daar te laat voor zijn? Zeg me niet dat het te laat zal zijn. Dat ontdekken in de toekomst niet meer zal bestaan. Als zij, de mensen op de brug, en ik maar alles blijven vastleggen en delen en opslaan, voor altijd. In één of andere cloud, een dikke donkere wolk vol opnames, zodat het nooit meer verdwijnt. Zodat het voor altijd, door iedereen, gezien kan worden. Ook door mijn kinderen later. Zelfs door mijn kleinkinderen. Zullen zij ooit nog iets kunnen ervaren? Echt fysiek iets nieuws ervaren. Emotioneel worden van een eerste blik op een geelgroen landschap. Tot tranen toe bewogen worden, zoals ik, bij het horen van een langzaam opgevoerd muziekstuk. Zal dat nog bestaan? Zeg mij alstublieft dat dit nog zal bestaan. Iemand? Ik wil niet medeplichtig zijn. Bespaar mij dit trieste gevoel. Red mij. Iemand. Geef mij een goede reden zodat ook ik zonder schuldgevoelens mijn reis kan vastleggen.         Ik geef mijn camera terug, zij draagt het zakje, en mij.         We laten de brug, die vanavond op het internet ronddoolt onder de noemers #Verona, #Italy achter ons. De selfieïsten niet. Die komen we wat verder nog tegen. Ze staan voor gebouwen die gedegradeerd worden tot half wazige objecten. Hiervoor lijken ze mij niet gebouwd te zijn, maar we kunnen er niet aan doen. Zo zijn we opgevoed. Dat de hele wereld rond ons draait. Express yourself. Ik zie het nog vet geschreven staan, met een rode alcoholstift, op de binnenkant van de wc-deur van onze school. Ik hoor het hen nog zeggen, op diezelfde school. Praat dan, zorg dat je iets te zeggen hebt, altijd. Iedereen zit met jou in. Ze bleven het maar herhalen en kijk nu. Is het gecultiveerd? Is social media enkel het antwoord van de markt op een generatie die verplicht werd te presteren? Verplicht zich te tonen. Te etaleren. Is de wereld gereduceerd tot achteruitgeschoven decorstukje en trekken wij eindelijk aan het langste eind? Zijn wij de hoofdrolspelers? De enige echte? De onvervalste langsverwacht hoofdrolspelers? Laten we dan maar dag in dag uit etaleren. Aan iedereen. Voor geen enkele reden. Enkel en alleen om ’s avonds teneergeslagen in ons bed onze eigen foto’s te aanschouwen. hoofdpersonage én publiek versmolten in één dromerig wezen. Hoe zit dat eigenlijk met mij?          ‘Aperol Spritz?’        Net op tijd. We nestelen ons op een terrasje op de Via Roma recht tegenover de Teatro Filarmonico en trachten de tijd tot stilstand te brengen. We zitten in de zon, met voor ons een ijskoud rood, ogenschijnlijk vlammend, glas en een kommetje olijven. We geven onszelf over aan het moment en vervolgens aan de stad.        Na een uurtje laten we het terras achter en drijven op een mensenzee richting de Arena. Af en toe zinken we, maar we komen steeds weer bovendrijven. Hand in hand, zinken en drijven. Zo komen we aan op de Piazza Brà en planten we ons tussen de andere mensen die ook de inhoud van hun rugzakken en handtassen nauwkeurig laten keuren zodat iedereen veilig en wel kan genieten van Verdi’s opera Aïda. Voor de meesten is dit een culturele uitstap, voor anderen vooral een dure Instagramfoto. Wij genieten. Dit is waarom we naar Verona zijn gekomen. Vanuit onze antiek Romeinse en veel te harde zitplaatsen gaan wij de strijd aan met de drukte die er rondom deze gewelven hangt. Wij gaan drie uur lang niet hollen, tieren of flitsen. Enkel luisteren naar de prachtige sopranen en tenoren en te midden daarvan, de zeldzame stilte beminnen.     III. Onder de platanen van Padua          Onder de platanen van Padua, op het elliptische Prato Delle Valle, flaneer ik samen met mijn factor-50 blinkende vrouw van schaduw tot zon. Rondom ons werden ooit een tachtigtal standbeelden opgetrokken. Politieke raadgevers uit de Griekse mythologie, dichters, koningen, beeldhouwers, astronomen, een man, een man, nog een man en plots, één lege sokkel. Geen beeld te bespeuren. Ik kijk naar het grijswitte voetstuk. Ik staar, zo lang dat het wazig wordt, tot alles rondom mij vervliegt.        Plots hoor ik kabaal, een drukte. Ik kijk op en zie wel duizend jongeren uit de omringende straten komen. Uit de Via Andrea Briosco bestormen een honderdtal tot op de tanden gewapende jongelui het plein waarop ik sta. Vanuit de Via Beato Luca Belludi, naderen jongeren op de fiets, op steps, op vespa’s. Allemaal donderen ze dezelfde richting uit, de mijne. Ik hoor hen roepen: Van mij! Van mij! Mijn sokkel! Mensen vallen, mensen sterven. Van het Loggia Amulea springen tieners van het dak hun dood tegemoet. Jongens en meisjes klimmen langs de zuilen naar beneden en worden meegetrokken door hun vallende vrienden. De overlevenden lopen en vallen en springen en trekken zich richting dat ene lege voetstuk. Ze duwen mij onder. Bedolven onder mijn generatie probeer ik het licht te zien. Eén voor één klimmen ze op sokkel nummer vijfenveertig. Ik zie een jongeman staan, zijn onderbenen vol geklemde handen. Ik hoor hem roepen waarom hij daar hoort te staan. ‘Kijk naar mij! Luister!’ Ik hoor hem wel, maar ik luister niet. Niemand luistert. De jongen glijdt van zijn kortstondige podium en ogenblikkelijk bestijgen de drie volgenden het voetstuk, met elk een ander persoon op hun rug, verrassend veel armen rond hun nek, over hun schouders, er wordt aan hun oren getrokken, hun mondhoeken scheuren, een ringvinger verdwijnt in een meisjesoog, ook het oog verdwijnt. Het meisje valt, naast mij, ze grijpt naar de bloedende holte in haar aangezicht. Ze verdwijnt in de menigte en ook ik word vertrappeld. Een knie in mijn zij, tot het kraakt. Een voet op mijn vernielde enkel. Tanden in mijn al stukgebeten nek. En plots een hand.         Een zachte hand. Ze knijpt zachtjes. Ik knijp terug. Maakt niet uit hoe ver ik in mijn gedachten verdwaal, zij brengt me altijd terug. Verder slenterend draai ik mijn hoofd nog één keer richting de lege sokkel. Ik geloof dat deze speciaal voor haar is vrijgehouden. Ze verdient het. En trouwens, blinken doet ze toch al.         Voor een echt beeld van een vrouw, moeten we nog een kwartiertje verder wandelen, richting de universiteit waar standbeeld zesendertig, Galileo Galilei, heeft lesgegeven. Universiteiten bezoeken staat altijd op ons onbestaand lijstje als we een nieuw land ontdekken. Het knappe kopje naast me, is altijd zot geweest van plaatsen waar een geschiedenis aan kennis rondzweeft. Ofxord en Camebridge werden enkele jaren geleden al doorschrapt op de reis waar we als verloofden van terug kwamen. Intussen gehuwd, kiezen we deze keer voor de Palazzo del Bo.        Hier worden we samen met een vijftiental andere toeristen ontvangen door een vriendelijke, bruinharige jongedame die ondanks haar scherpe Italiaanse klanken, een jong Brits koppeltje tracht uit te leggen dat een bezoek aan een achthonderd jaar oude universiteit niet bepaald verstandig is met een buggy in de hand. Het was meteen duidelijk dat deze tour niet in dit koppeltjes fotoalbum zou verschijnen vermits ze van bij de start een ‘Sorry, mag niet’ voor hun opgehaalde neus geschoteld kregen. Ze besloten dan maar om de rest van de tour met een lang gezicht als laatste de rij te volmaken. Wij maken er ons niet druk in, integendeel, we lachen ermee en lopen verder in het gelid, wachtend op Elena Cornaro, de vrouw die van ons beiden op sokkel vijfenveertig mocht staan maar nu wellicht een mooie plaats in de universiteit heeft gekregen. Voor we haar te zien krijgen, worden we nog door talloze volle en lege kamers geleid waar we verhalen horen over alle gelauwerde mannelijke alumni en hoe ze het zo ver hebben gebracht.         Gelukkig worden de kamers tijdig afgewisseld met het Teatro Anatomico. De ruimte blijkt zo klein dat we beurt om beurt, wel in duo, naar binnen moeten. Het jonge koppeltje met baby in de armen, dat plots hun weg naar voor heeft gevonden, gaat als eerste binnen. Uit interesse? Zes langere beurten en vele foto’s later is het aan ons. We gaan het kleine deurtje door en staan op het gelijkvloers van het theater, het gedeelte waar de dissecties werden uitgevoerd. Ik kijk omhoog, en terug naar beneden. Een hoofdknik die ik enkele keren herhaal. De ruimte valt tegen en toch is het prachtig. Klein maar gigantisch tegelijk. Wel vijfhonderd jaar geleden stonden hier honderden studenten te kijken hoe Andreas Vesalius naast België, ook het menselijk lichaam op de kaart zette. Ik zie ze kijken. Ze staren me aan. Vandaag ben ik het lichaam dat ze op de kaart trachten te zetten. Zodat ik, mezelf kan begrijpen. Ik hoor ze fluisteren. Dat ik moet proberen. Moet falen. En opnieuw proberen. Mijn tijd nemen. Waarom neem ik mijn tijd niet meer? Waarom zo vlug altijd?         Uit een andere deur bereikt het felle daglicht mijn ogen. We laten het theater voor wat het is en ontdekken vervolgens de oude bibliotheek, grote trappen met muurschilderingen en overige kamers gevuld met anekdotes. Ons lijkt het nu wel tijd voor Elena. Elena Cornaro, de eerste vrouw ooit die een doctorstitel behaalde aan een universiteit. Ze koos voor filosofie vermits de later (dan toch) heilig verklaarde kardinaal zich verzette tegen het verlenen van een doctorstitel theologie aan een vrouw. Haar eerste keuze was geen optie. Het blijkt dat je in de zeventiende eeuw niet kon worden wat je wou. Ze studeerde naast Italiaans ook Latijns, Grieks, Hebreeuws, Arabisch, Frans en Spaans. Doorzettingsvermogen bestond dan weer wel.        Ik kijk naar de foto van haar standbeeld in het foldertje dat we bij aanvang van deze tour kregen, terwijl onze tourgids ons allemaal samen roept. Ik geloof dat dit het moment is. Volgens haar, een vrouwelijke millennial, staat in de volgende ruimte het pronkstuk van deze tour. Dat we dit bewaard hebben, is al een unicum op zich, hoor ik haar in haar beste Engels verkopen. Dit moet Elena zijn. Haar grote voorbeeld? Terwijl we de nieuwe ruimte betreden, luisteren we naar de avonturen van Galileo, Mussato en Salviati. Mannen die terecht een standbeeld kregen op één van de grootste pleinen van Europa en ook op deze universiteit een verleden hebben. Het is pas wanneer onze groep zich op splitst dat ik besef dat deze mannen niets met Elena te maken hebben. Ik zie de enige echte lessenaar van waarop Galileo Galilei, onderwees openbaren van tussen onze verdeelde groep. Enerzijds de selfieïsten, te herkennen aan de stand van hun rug ten opzichte van het onderwerp in de ruimte, en anderzijds de culturele meerwaardezoekers, met de neus in de folder. Ik bekijk de veel te oude hertimmerde trap met verhoog dat vroeger in The Great Hall stond, maar er nu net buiten staat. Het paradepaardje wordt omringd met een goudkleurig touw om toeristen ervan te weerhouden wederom een podium te betreden. Toegegeven, het is best knap dat dit hier staat. Ik besef intussen dat we het beeld van Elena niet meer zullen zien. Dat ik ergens onderweg deze tour me iets te veel heb beziggehouden met de mensen rondom mij waardoor ik haar gemist heb. Het spijt me.         Wanneer we de laatste trappen afdalen, richting de uitgang, blijven we voor het ijzeren gesloten hek staan. Ik kijk erdoor, ik zie de mensen over de straat wandelen, ik zie de winkels waar we straks even zullen rondneuzen, het koffiehuisje waar we hopelijk onze vermoeide voeten zullen laten rusten. Ik voel een schouder tegen de mijne, ik herken het duwtje.        ‘Daar staat ze’.        Ik draai me om en inderdaad, ik zie het beeld van Elena, recht tegenover de uitgang. We krijgen een in mijn ogen te korte versie van haar leven te horen. Het is moeilijk te verstaan door de luidkeels vals gillende vrouw en haar gitaar anderhalve meter verder maar ik ben één en al oor. Al vraag ik me intussen af wat de gids hiervan vindt? Zou zij, als jonge vrouw, dit verhaal ook niet als hoogtepunt van deze tour willen zien? Of werd ze door het verleden beïnvloed de focus te leggen op de prestaties van alle mannen die hier geschiedenis hebben geschreven? Plots zit ik opnieuw met die lege sokkel op het Prato Delle Valle in mijn hoofd. Waarom werd haar beeld daar niet geplaatst? Tussen al die mannen? En neen, ‘het was een andere tijd’ is een veel te simpele uitleg om het verleden goed te praten. Als het van mij afhangt draag ik haar beeld op mijn bezwete rug over de straten van Padua en plaats ik er haar zelf op, zodat alle meisjes en jonge vrouwen die in de toekomst factor-50 blinkend over het plein zullen flaneren geïnspireerd worden door de grote (want dan zal ze ook twee meter hoog staan) Elena Cornaro.      IV. Verblind door glans          De leeuw, de stad en het water. Daarvoor zijn we, na een kort bezoek aan onze kampplaats in Baone, deze keer naar Venetië gekomen. Jumpy laten we in Marghera achter en de bus brengt ons de Via della Libertà over. Mijn vrouw kijkt naar buiten. Het water leeft. Ik kijk naar binnen. Het is doodstil. Mensen turen lusteloos voor zich uit. Ik grijp naar haar geruststellende hand. Een man voor me staart naar het achterhoofd van de vrouw voor hem. Uit ieder oor verschijnt een wit stokje. Op de plek waar een draad hoort uit te komen stopt het staafje al waardoor ik sneller dan verwacht uitgekeken ben. Ik tel vier kinderen op de bus. Het zoontje van de man met de kleine tentakels trekt aan zijn vaders mouw. Hij wil ook een stokje.        Vooraan in de bus zit een tweeling. Ik zag ze zitten toen we opstapten aan Orlanda Appia. Ze maakten ruzie. Beiden hadden ze één vinger op het vettige schermpje van hun moeders IPhone, maar het blijkt dat swipen niet werkt op die manier. Wordt er dan niets verslavends uitgevonden dat samenwerken stimuleert? Ik bedoel echt samenwerken, niet in één of andere virtuele wereld.        Op onze rij zit het vierde kind. Met één klein vingertje op zijn IPad hakt hij rustig en instinctief bomen om, om vervolgens een brug te bouwen. De jongens’ avatar, zoals ze dat noemen, die er bijna hetzelfde uitziet als het kind maar net iets groter, iets sterker, iets langer haar en met drie witte hondjes achter hem aan, loopt de brug over en komt op een nieuw eiland terecht. Hier vindt hij grotere bomen, zijn ogen groeien mee. Hij begint ze te kappen en na nog geen minuut heeft hij zoveel hout verzameld dat hij een nog grotere brug kan bouwen. Ik vraag me af waar hij vervolgens terecht zal komen.        Ook wij gaan een brug over. Geen houten brug, ook geen wiebelende hangbrug maar een echte brug. Een brug die volgens Cees Nooteboom nooit had mogen bestaan, zodat de ontelbare rolkoffers geen bezit zouden kunnen nemen van de binnenstad. En toch is hij er, deze langgerekte onwankelbare brug, speciaal voor ons aangelegd, zodat wij de stad in de lagune kunnen ontdekken.         Via de weg van de vrijheid komen we La Serenissima binnen. We zijn helemaal klaar voor dit labyrint van smalle steegjes en doodlopende gangen. Niets moet de komende dagen dus we zijn ontspannen. Wie nergens moet zijn loopt nooit verloren. Een gevoel dat ik buiten mijn vakanties wel eens durf te ervaren. Verloren lopen. Tussen fictie en realiteit, tussen vertragen of juist volgen, verloren tussen tonen of verbergen. Niet meer weten waar je moet zijn. Verdwaald in keuzes. Soms maakt me dat bang.        Maar niet nu, niet vandaag. Al voel ik toch een bepaalde beklemming opkomen. Voor de selfieïsten die we ook in Verona en Padua tegenkwamen. Als ze daar al rondhangen, wat moet dat in een stad als Venetië dan niet zijn? En het zijn niet alleen de selfieïsten, ook die te machtige subcategorie, die mannen die hier enkel zijn om de monumentale gebouwen, bruggen en het water te gebruiken. Gebruiken om voor, op of naast te staan en de liefde voor hun vrouw te delen met de rest van de wereld. Niet gedeeld is niet bestaand. Hou je van je vrouw? Bewijs het dan! Aan iedereen, heel de tijd. Niet enkel aan je vrouw. Ik zie hen staan. Niets voor mij. Mijn liefde voor haar, deel ik enkel met haar, zodat er niets meer over is om het dagelijks met anderen te delen.         Eindelijk geparkeerd, stappen we van de bus. Ook de jongen die intussen de twee witte stokjes van zijn vader draagt, en beduidend stiller is geworden, springt met zijn blik op het scherm, zonder enige aarzeling, de bus uit. Zijn de kinderen van nu wezens die al veel verder in de evolutie staan dan ik? Kunnen zij iedere dagelijkse handeling volledig onder controle uitvoeren zonder hun blik weg van het scherm te halen? Of krijgen we ooit een terugval waarin duizenden kinderen zomaar dood vallen door stommiteiten als onder een bus lopen, hun pols doorsnijden in plaats van hun sandwich of net naast een brug te wandelen? Ik hoop van niet. Of zouden we het pas dan doorhebben? Dat dit toch niet echt helemaal oké is. Is zo een tragische ineenstorting van het rijk der kinderen juist noodzakelijk? Alle gekheid op een stokje. Echt. Gekheid en chaos. Ik sta op het Piazzale Roma waar alle bussen, auto’s en taxi’s verzamelen. De laatste plaats in Venetië waar deze zijn toegestaan. Zelfs zonder smartphone voor mijn ogen zie ik geen uitweg, dus tast ik opnieuw naar iets gekend om mij veilig van deze drukte te verwijderen.        We gaan de Ponte della Costituzione over en hier voel ik het meteen. Alle toeristen voor me vervagen. Ik word verblind door glans. Nu al. Ik schrik ervan. Ik kijk naar mijn vrouw en zeg haar dat ik hier zou kunnen wonen. Ze lacht en ik begrijp dat ze lacht, we staan letterlijk dertig meter ver op het eiland. Nog nooit heb ik een stad als deze gezien. Alles is zo klaar. Het water is niet het blauw van elders. De felle zon maakt het een tint lichter. De gevels van de eerste gebouwen zijn niet grijs, neen, ze zijn wit. Sommigen zijn Crèmewit, Zuiver wit, akkoord sommigen Grijswit maar ze zijn allemaal wit. Andere gebouwen wat verderop zijn geel en oranje. Net zoals hun daken. Ook hun daken zijn oranje, fel, als draken die vuurspuwen doorheen de stad. Ik zie ze vliegen, ik vlieg mee over deze verblindende schoonheid. We leggen heel de stad in een laag van as. Maar het is wit, alles wordt wit. Een laag poeder bedekt de stad en ook ik wil de stad omsluiten en laat me vallen, wetend dat ik zal worden opgevangen door een stad vol dons. Ik voel me vrij hier. Ze lacht naar mij. Op mijn vraag wat er is hoor ik haar zeggen dat ze het ziet.        ‘Je ogen,ze zijn bleker. Groen, niet het dagelijks bruin.’        Het is pas op dag drie dat we iets volgen wat op een dagplanning zou kunnen lijken. De zon brandt heftig maar we klagen niet. In deze stad waar de gouden engel Gabriël vanop de Campanile de zonnestralen opneemt, sterkt en herverdeelt, nemen we zelfs in het donkerste steegje de warmte van de zon als goed nieuws aan. Over talloze bruggen, elk met een eigen verhaal, bereiken we de twee musea die we vandaag voorzien hebben. Starten doen we in het Peggy Guggenheim museum, eindigen in de Accademia dell’arte.        Hier kijk ik uit naar ‘Feest in het huis van Levi’ geschilderd door Paolo Veronese. Een schilderij dat eerst onder de titel ‘Het Laatste Avondmaal’ uitgebracht werd, maar van naam moest veranderen na verantwoording voor de inquisitie. De schilders’ interpretatie van het laatste avondmaal werd namelijk iets te vrij bevonden. Dat Veronese er zijn eigen invulling aan heeft gegeven is licht af te leiden van het feit dat deze versie zich buiten afspeelt in plaats van binnen zoals op het bekende werk van Da Vinci. Oké, ook de dronkaards, Duitsers en dwergen lijken figuren waar de Venetiaanse inquisitie misschien over struikelde. Veronese veranderde dus de naam en daar bleef het bij. Alle niet-heilige figuren bleven hun plaats houden op dit reusachtige doek. En daar ben ik blij om. Ik heb intussen plaatsgenomen op het zwartlederen bankje voor het werk. Ik zit stil. Mijn handen rusten op mijn knieën. Ik zwijg. Ik staar. De kleuren, de personages, het licht achter de donkere wolken, de zuilen, de mensen achter de ramen in de verte, de lange tafel, de obers, hier kan ik naar blijven staren. Het is overdonderend. Mooi.         Maar veel. Hebben wij te veel? Ik heb alles wat ik wil. Ik krijg alles wat ik wil. Ik krijg zelfs alles wat ik niet wil en dat wil ik niet. Waarom ben ik zo gulzig? Waarom staat mijn tafel, mijn leven, ook zo vol? De hele tijd vol. Met alles wat ik wil én niet wil. Ik zeg het nochtans tegen iedereen, geniet nu toch eens van wat je hebt, en zie me hier zitten, in Venetië, volgende Kerst in Kaapstad. Stopt dit ooit? Dat verlangen naar meer. Heel de tijd zie ik iedereen rond mij met de meest nieuwe smartphone in de hand, gekoppeld aan hun meest nieuwe smartwatch rond de pols. Smart. Maar zijn we verstandig bezig? Ben ik dat? Waarom heb ik zo een afkeer van de mensen om mij heen en heb ik tegelijkertijd zo een afkeer van mezelf omdat ik me heel de tijd moet inhouden niet te worden zoals de mensen om mij heen. We hebben altijd alles gewild. En het altijd moeten doen. Ons best. Niet alleen voor onszelf. Ook voor anderen. Omdat anderen het niet kunnen. Eet uw bord leeg! Er zijn kinderen in Afrika die verhongeren! Ik hoor het haar zo zeggen. De juf met haar komische kapsel, buitengewoon blond in het eerste, levenloos grijs en onmogelijk te staarten, in het zesde. Wat een foute redenering was dat toch. Waarom niet: anderen hebben dat niet, wees niet zo gulzig. Moet ik dan leven voor een ander erbij? Is dat de insteek die we de kinderen willen meegeven? In derdewereldlanden, je moet zo ver niet gaan, zelfs in steden als Charleroi, hebben ze de helft niet van wat wij hebben. Moeten wij dan wat een ander niet heeft, erbij nemen? Of wordt het tijd dat wij, neen ik, wat minder gulzig word? Altijd dat willen, dat hebben, dat nog een beetje alstublieft. Altijd dat feesten. Het leven is geen feest, dat moet Levi toch ook al begrepen hebben tweeduizend jaar geleden.        Ik wou dat ik terug in de tijd kon, mee aan die lange tafel en er op staan dat iedereen zou aanschuiven. Heilig, kind of dwerg. Zwart of Duitser. Hen zeggen dat wij, als mens, binnen tweeduizend jaar volledig uit evenwicht zullen geraken. Dat we er nu iets aan moeten doen, zodat we een voorsprong hebben. Maar terwijl ik dit denk, twijfel ik of ik er wel in geloof. Alsof een voorsprong van tweeduizend jaar zou helpen. Ik blijf dus maar beter hier. Een geluk dat tijdreizen niet bestaat.       V. Tijdreizen bestaat niet          En toch gebeurt het soms. Na enkele dagen Venetië zijn we terug in Baone. Met de zwoele adem van de Euganische heuvels in mijn nek en de voorgezweten ligstoel onder mij, word ik van Butcher’s Crossing meegezogen in de ogen van een zeventiger uit het noorden van Nederland. Hij staat aan de rand van het, op enkele schijndode insecten na, lege zwembad. De  grijsaard met het sappige accent, stapt zeer voorzichtig het laddertje af alsof het tot een zopas opgeboende zilverwerkcollectie behoort. Ik ken de man van enkele dagen terug. Hij sprak ons aan toen we met ijsjes in de hand van de winkel kwamen.        ‘Nouw nouw, gonje! Weer hejje dàt opdein?’.        Waar we de ijsjes kochten, vertolkte zijn vrouw. Sindsdien spreekt hij ons dagelijks aan en knikken wij giechelend attent. Nu zie ik hem even giechelend staan. Nadat zijn eerste enkel ondergedompeld wordt, kijkt hij zijn vrouw aan. Het water is ijskoud. Ze ziet het in zijn ogen. Ik ook, maar dat weet hij niet. Zijn lippen staan vol op elkaar geknepen, toch opwaarts gekruld als een ingeslikte lach. De rimpels rond zijn bronzen ogen vermenigvuldigen zich, maar de merkwaardige glans laat hem er toch jonger uitzien. Mocht ik mijn zonnende vrouw naast mij nu vragen wat ze zag, zou ze zeggen, een man. Met een beetje geluk voegt ze er nog een adjectief aan toe, een oude man. Ik kan het haar niet kwalijk nemen. Zij is naar een ander verleden gereisd en vertoeft momenteel in het gezelschap van Stephen Fry op de berg Olympus.        Ik zie meer dan een oude man. Ik zie de gelukzaligheid van een speelse kleuter. Ik zie zijn gezicht maar zonder de rimpels nu. Zo zag de man er vijfenzestig jaar geleden uit. Deze glans. Ik ben terug in de tijd. Samen met die man.        Ik zie hem fietsend de kasseien op een verlaten landweggetje overwinnen, als een cowboy op een te wilde hengst. Ik zie hem leven. Echt leven. En lachen. Zijn vader staat wat verder te kijken. Hij schudt zijn hoofd in een richting die aantoont dat hij niet begrijpt, niet voelt, waar zijn oudste zoon in godsnaam mee bezig is. Het kind fietst mijn richting uit en krult tussen kuil en bult, alsof hij een roversbende wil afschudden. Het is dezelfde roversbende die ik enkele weken terug, in de bergen zag. Ik blijf hem aankijken tot hij plots recht voor mij staat. Hij is klein, zit een beetje voorover op zijn rode fiets, ellebogen ontspannen op zijn blinkende stuur. Wat ik hier doe, hoor ik hem vragen. Of ik niet verloren gelopen ben. Of nog erger, gevlucht. Ik vraag hem wat er zo erg is aan vluchten maar hij draait zich om en rijdt langzaam richting zijn zwaaiende vader.        ‘Waarom zou je vluchten van iets wat goed is?’ Hoor ik hem zich afvragen.        Plots verandert het starende oogcontact met zijn vrouw in een verleidelijke knipoog. De rimpels zijn terug. De man laat zich zonder nadenken achterover vallen in het ijskoude water. Zijn vrouw, die lacht. Ik ook, heimelijk. Het water spettert in de lucht, op het droge gras en op een achtergelaten kinderhanddoek. Enkele schijndode insecten ontwaken en vliegen weg. Ook ik ben terug in het heden en van plan hier wat langer te blijven. Ik sta op en spring het water in. Je hebt gelijk! Roep ik naar de man. Hij lacht giechelend attent.         Buiten het zacht oppervlakkige geplens van de twee onderwatersproeiers is het zalig stil. Vanuit het water zie ik mijn vrouw liggen. Dit beeld. Dit is het. Dit is mijn redding. Zij is mijn redding. Hier moet ik niet van vluchten. Het is zij. Wat ik nu ervaar, dat wil ik meenemen. Terug via de langgerekte Brennerpas langs die trots staande Tiroler Alpen in Italië. Via die ochtendzonnende bergen in Oostenrijk. Dit gevoel neem ik mee via de flikkerende snelwegen in Duitsland, het landelijke Luxemburg en de woeste rivieren in Wallonië. Tot ik thuis ben. Met haar.         En God, ik zal ervan genieten. Ik alleen, nu meteen. Neen, ik kan niets meer wensen. Vergeet die selfieïsten, lang leve de egoïsten. De mensen die de liefde voor hun vrouw geheim houden, net tussen henzelf en hun vrouw. Die niet gauw wat kwelen en steeds met spoed alles delen. Enkel zeer sporadisch wanneer het er echt toe doet. Dan als een zondvloed van opgespaarde selfies met één magistrale flits de wereld in sturen. Als een verliefde dichter, een poëet. Vergeet die virtuele wereld waar we kinderen in kwijtraken, jongeren zich aan vasthaken, waar ouderen in verzeild geraken en vooral, vergeet al mijn ergernissen. Ik zal ze niet missen, die toeristen, die kinderen op de bus, dat swipen en dat scrollen. Dat rennen en hollen en haasten met de allerhoogste spoed en toch doelloos. Vanaf vandaag ga ik traag. Traag in diezelfde realiteit waar anderen snel gaan. Daar kies ik voor. Traag houden van. Traag egoïstisch zijn. Traag verborgen zijn. En geborgen. Niet meer op de vlucht, gewoon thuiskomen. Niet meer dromen. Nooit nog dat verlangen naar meer. Nooit nog te veel. Nooit meer dat akelige gevoel dat ik net versloeg.        Ik zie haar liggen en nu pas besef ik. Ik heb juist genoeg.

Jeroen Vanmulder
21 1

Dode[n]dagen

De herfst is het ideale jaargetijde om de doden te gedenken, kerkhoven op te fleuren, kinderen uit te dossen als zombies of wandelende skeletten, en tequila te drinken uit fluorescerende plastic schedels. Het vallen van de bladeren lijkt de mensen eraan te herinneren dat ook zij ooit verdorren. Of we die momenten nu Halloween, Allerheiligen, Allerzielen of Diá de los Muertos noemen, op al deze dagen staat de dood centraal. De boodschap is voor onze marktmaatschappij ondertussen minder belangrijk dan de massa’s geld die de verkoop van bloemen, pompoenen, snoepgoed, weerwolfmaskers en glow-in-the-dark-skulls in het laatje brengt. De economie is echter een kwestie van vraag en aanbod. Geen winst zonder behoefte, geen stormloop op bloemenkransen en chrysanten zonder rouw en verdriet. De behoefte om te herdenken is de reden waarom graven en urnevelden tijdens de eerste dagen van november schitteren in tinten van wit, geel, roze, rood en paars – alsof de dode zielen heel even opflakkeren alvorens weg te deemsteren in hun eeuwige winter. Deze tradities zijn zo sterk dat zelfs ik me de ochtend van Allerheiligen afvroeg wat ik kon doen om de overledenen te herdenken. De doden uit mijn leven vertoeven immers onder grafzerken die te afgelegen zijn om ze met een blitzbezoek te vereren. Mijn jaarlijkse dodentrip moet vooraf worden gepland, en organiseren ligt nu eenmaal niet in mijn aard.  Bovendien is al dat gemijmer over de doden volstrekt overbodig. Zelfs op drukke werkdagen spoken ze door mijn hoofd. Dat klinkt erger dan het is, want hun zielen zijn verre van kwaadaardig. Ze zijn eerder vage contouren van wat ooit een mens was. Af en toe verschijnen ze wat scherper in mijn geestesoog en slingeren ze een vergeten citaat of tafereel in mijn herinnering. Die ongewilde mijmeringen hebben niets te maken met een morbide aard of zo. Mijn hoofd is nu eenmaal een grabbelmand met herinneringen en gedachten die als spinrag aan elkaar klitten. Van zodra een stoffige anekdote mijn aandacht wekt, brengt die onmiddellijk een hele reeks associaties met zich mee. Wat meer bij mijn aard past dan vluchtige herdenkingen is nadenken over de zaken zelf. Wat heeft die dood nu eigenlijk te betekenen in het leven van een mens? Toegegeven, denken is een beetje uit de mode. Waarschijnlijk is de afleiding te groot. Zelfs op de hoogdagen van onze cultuur laten we onszelf – en elkaar – opslorpen door banaliteiten. Daarom besloot ik om die dagen gewoon niets te doen. Geen trick or treat, uitgeholde pompoenen of herhalingen van Halloween of Friday The 13th op All Hallow’s Eve. Geen chrysanten, familievisites en koffiekransjes op Allerheiligen. Zelfs het ‘Tiens, deze dag is er ook nog?’-gevoel op Allerzielen liet ik achterwege. Nee, de dodendagen waren simpelweg me time. Niets beter dan gewoon even lekker in de zetel hangen en de dood in de ogen kijken.  Dat laatste was makkelijker gezegd dan gedaan, want de dood heeft geen gezicht. Misschien hebben we daarom alle tralala nodig waarmee dodenherdenkingen gepaard gaan. Kleef een gezicht op de dood (een schedel bijvoorbeeld), omring hem met symbolen van verval, duisternis en verrotting, en hij is beter te vatten dan de grote gapende leegte die hij in feite is. Symbolen zijn een manier om grip te krijgen op het ongrijpbare, om het wezen te zien van wat in essentie onwezenlijk is. Zonder symbolen blijft de dood onzichtbaar.  Maar te veel symbolen verblinden ons, zoals ook de straatverlichting de sterrenhemel verduistert. Symbolen worden dan lege betekenaars die hoogstens een bepaalde sfeer moeten evoceren. Laat dat nu net het probleem zijn met die herdenkingsdagen uit het najaar. Hun symbolen zijn zo talrijk, kleurrijk en extravagant dat ze de dood niet langer een plaats geven. Het zijn uitdrijvingsmechanismen om het doembeeld van verval in de ban te doen. Dat de geraffineerde waardigheid van Allerheiligen en Allerzielen in de schaduw komt te staan van het snelle, oppervlakkige consumentisme van Halloween is misschien geen toeval. Halloween is het ideale dodenfeest voor een generatie mensen die het geloof in het hiernamaals verloor, zonder hun verlangen naar het paradijs te blussen. Dat paradijs wordt in elke cultuur bevolkt door gelukzaligen die van de bron van de eeuwige jeugd hebben geslurpt. Dit verklaart de paradox van moderne mensen: Naarmate hun levensverwachting stijgt, neemt ook hun obsessie toe om een leven lang jong, vitaal en up to date te blijven. Fear of missing out is de angststoornis waardoor hedendaagse psychiaters zich verzekerd weten van een onbeperkt cliënteel.  Ik koesterde dan ook een zekere trots toen ik die eerste november, maar zeker ook op Halloween, lamlendig in de zetel bleef liggen, terwijl ik mijn hoofd brak over de oogkleur of de schedelvorm die ik voor Magere Hein (of is het Pietje de Dood?) moest bedenken. Ik wist echter dat mijn daad van rebellie onbestraft zou blijven. De cultus van de eeuwige jeugd is niet minder hardnekkig dan de katholieke schuld- en boetemoraal, maar ze heeft geen dreiging van eeuwige verdoemenis om de ketters in het gareel te doen lopen. Toch is die cultus schatplichtig aan het christelijke geloof met zijn overtuiging dat de dood slechts schijn is, niet meer dan een poort naar het eeuwige heil aan de zijde van de Almachtige. Wat ze met elkaar delen is de verachting van een leven gekenmerkt door pijn en verval. Lijden heeft voor christenen weliswaar een betekenis. Wie zijn aftakeling lijdzaam aanvaardt, verzekert zich immers van een VIP-pasje voor het Koninkrijk Gods. De huidige mensen zijn ongeduldiger. Zij willen het paradijs hier en nu. Ze willen het mooiste lichaam, de eeuwige jeugd, een luxewoning en verre reizen naar oorden die altijd blijven verrassen. De ontgoocheling is dan ook groot, wanneer hun 40ste verjaardag nadert en de eerste grijze haren op hun slapen verschijnen. De kerk van Rome en de tempel van Harry Styles zijn twee manieren om de dood uit te drijven. Zelf voel ik er meer voor om eindigheid wel een plaats te geven. Wie wordt geboren, moet ook sterven. Ook wie een auto koopt weet dat hij binnen tien jaar kosten heeft. Kunnen we de dood volledig aanvaarden? Waarschijnlijk niet. Volkomen acceptatie is even illusoir als het geloof in volmaaktheid. Moord, doodslag, ziekte en honger blijven een schandvlek voor ons moreel kompas. Maar misschien moeten we het zover niet zoeken. Soms is het genoeg om de verhalen te veranderen, waarmee we de dood bezweren.  Een alternatief relaas van de dood vinden we bij de heidense voorouder van Halloween en Allerheiligen: Samhain. Tijdens dit Keltische feest, dat rond 31 oktober werd gevierd, was de sluier tussen de mensenwereld en de dodenwereld op zijn dunst. Elfen, geesten en goden dwaalden door straten, bossen en velden. De zielen van overledenen bezochten hun familieleden, vreugdevuren werden aangestoken, en mensen trokken rond vermomd als geesten.  Veel elementen uit dit feest vinden we nog terug in Halloween en Allerheiligen. In de meeste gebieden werden heidense rituelen vlotjes geïntegreerd in het christelijke geloof. Samhain was echter boven alles een feest van vernieuwing. Het markeerde het einde van de oogsttijd en het begin van de winter, maar was ook de ideale gelegenheid om komaf te maken met het verleden. De vreugdevuren waren een soort reinigingsritueel, net als het offeren van vee. Negentiende-eeuwse onderzoekers als John Rys of James Frazer opperden zelfs dat Samhain het Keltische nieuwjaar was.  Die visie is omstreden, maar het lijdt geen twijfel dat de Kelten een meer cyclisch wereldbeeld hadden, waarin de tegenstelling tussen licht en duisternis minder absoluut was dan in het christendom. De Keltische dag begon en eindigde tenslotte bij zonsondergang. Licht wordt geboren uit duisternis. Misschien keken de Kelten dan ook met een mildere blik naar de man met de zeis, precies omdat ze de dood – naar analogie met de duisternis – aanvaarden als een voedingsbodem van nieuw leven.  Veel van wat we veronderstellen over het oude Keltische geloof is gebaseerd op hypotheses en latere observaties van plaatselijke folklore in overgebleven Keltisch sprekende gebieden. Nieuwe heidenen en zelfverklaarde heksen volgen niet het oude geloof, maar een grotendeels zelf geconstrueerde cultus. Ongetwijfeld zijn veel aanhangers daarvan op de hoogte. De aantrekkingskracht van dit nieuwe geloof ligt voor hen niet in de authenticiteit ervan, maar misschien vooral in die meer ongedwongen omgang met verandering.  Tegelijkertijd legt de Keltische traditie iets fundamenteel tragisch bloot. De dood een plaats geven lukt nooit helemaal. Altijd weer moeten we onze toevlucht nemen tot verbeeldingskracht. We fantaseren over eeuwige jachtvelden, Koninkrijken Gods, eeuwige jeugd en rijstpap met gouden lepeltjes. Zelfs natuurreligies verzinnen verhaaltjes over elven, ronddwalende zielen en vruchtbaarheidsgoden om de kosmos een beetje gezelliger te maken. Dat begon ook mij te dagen toen ik die ochtend in november de dood in de ogen wou kijken, maar niet kon beslissen of ik hem nu Magere Hein of toch eerder Pietje de Dood zou noemen, of hij mannelijk, vrouwelijk of eerder non-binair zou zijn. De dood denken had geen zin meer, hoewel ik haar onmogelijk kon negeren. Wat me nog restte waren verhalen, die ik op lome herfstdagen liever consumeer als langspeelfilm, dan als literaire klassieker. Ik stond recht, nam een zak chips uit de voorraadkast, en keek voor het zoveelste jaar op rij naar de DVD van Halloween. Pieter Van der Schoot

Pieter Van der Schoot
0 0

droomkoe

Vanmorgen had ik weer een droom. Ik zat aan tafel met mijn familie, en een leerkracht gaf me mijn rapport. Ik ging naar een kunstschool, samen met mijn zusje. (De richting was iets omtrend acteren) De leerkracht had wit haar en een witte baard alsook een krachtig voorkomen. Hij was mager. De details sijpelen nu door mijn vingers heen, als een zandkasteel gemaakt van water.Maar de leerkracht, die man, was gemeen. Hij noemde me een moederskind. Een slappe sok. Het enige wat ik kon was me in haar armen verstoppen en jammerend wijzen naar de grote wereld. Ik had alleen maar onvoldoendes terwijl mijn zusje het veel beter had gedaan.Eerst lachte ik nog, toen wou ik hem slaan. Hij werd steeds gemener en kwader. Het was onmogelijk zijn tirade te onderbreken. Er was geen maar tussen te krijgen. Ik wou de man slaan. Ik stond op, trok mijn arm naar achter en maakte een vuist. Zoals een gespannen boog richtte ik me op hem. Het enige wat me weerhield was rede, redelijkheid en fatsoen. Hij leek het niet eens te merken!Ik werd vlak daarna wakker. De vorige keer droomde ik dat ik de kelder in brand stak. Dat ik me verzette tegen het gevoel van ogen die zich in mijn rug boorden. En het gevoel dat er iets vreselijk op het punt stond te gebeuren. Nee, tierend trok ik verder tot het verste punt van de kelder en stak alles in brand.Sindsdien droom ik veel minder over mijn ouderlijk huis. De keer daarvoor droomde ik dat mijn vader stierf en dat ik zijn plaats moest innemen. Dat was enkele maanden voor de geboorte van mijn eigen zoon. De keer daarvoor droomde ik dat ik auto reed maar niet kon remmen. Als een schip gleed ik verder. Daarvoor, de golf die me overspoelde. De zee dat me opslokte alsof het dorst had.

Stelselmatig
3 0

Hanoi

In het begin was er chaos. Dat bleek toen de taxi zich gewetenloos van de International Airport Noi Bai naar mijn eerste hotel bewoog. De chauffeur was het gewend om weke westerlingen op zijn achterbank te hebben en negeerde mijn halfvolle shocktoestand volkomen. In een file passeerden me op enkele minuten tijd wel honderd scooters. Erop zat men nooit alleen. Het ene gezin overtrof het andere en mijn waargenomen absoluut record bedraagt vijf. De man des huizes, sigaret slapjes tussen de lippen, bestuurde het ding met op zijn rug een vrouw gekleefd, die op haar beurt, armen achterwaarts reikend, het jongste kind in een grauwe draagzak voor de grootste schokken behoedde. Voor de man zat het middelste kind nog net op de punt van het zadel met zijn handen in de zij van zijn oudste broer die rechtop stond, zijn hoofd net onder de kin van zijn vader, twee handen mee op het stuur. Een plastic zak, wellicht hun avondeten, als teken van de tijd. Het kind op het zadel keek me aan. Ik vraag me nog steeds af wat hij gezien moet hebben, of hoe hij dit gezien moet hebben. Telkens ik terugdenk aan dit tafereel voel ik schaamte, zoals een verwende poedel misschien ook voelt – of zou moeten voelen – als hij door een arme, hardwerkende mierennest zou lopen. Ik voel de mierenbeten van de poedel in de blikken rondom me.    Ik wandelde naar het plein waar de taxi me had uitgebraakt en zuchtte me neer op de eerste bank. Het zou in dit land de enige plaats blijken waar verkeerslichten ietwat werden gerespecteerd, of toch door automobilisten. De mieren op de bromfietsen zagen in het rode licht geen reden tot stoppen en hielden de wet van de luidruchtigste in ere. Tussen verzorgde bloemperkjes naast het Hoan Kiem-meer zat een man te mediteren op het donkere gras. De zon raakte niet voorbij de wolken en zou zich voor de rest van de dag gewonnen geven. Ik had de neiging deze man te vragen onmiddellijk op te houden. Waar haalde hij het lef zijn innerlijke rust zo traag en breed uit te smeren op een van de weinige groene plaatsen van deze stad? Zag hij de drukte rondom zich dan niet, het gewriemel, de haast? Hoe kan je je in tijden van sociale en economische competitie zó verheven voelen dat je zo nodig de spot moet drijven met duizenden levensechte passanten? Hij verstikte zijn medemens door te tonen hoe goed het met hem ging. Is dat niet iets om binnenskamers te houden? Laat mensen die geen nood hebben aan vertraging met rust, besmet hen niet met van dat geitenwollen sokken geleuter dat we elke dag moeten plukken en dat we onszelf niet mogen verliezen in winstbejag, productiviteit en baatzucht. Is meditatie niet gewoon een teken van zwakte? Een noodkreet omdat de aardbol net voor jou te snel draait.  De man was grijs en klein, had een fijne sik en droeg zwarte kleren. Een paar schoenen stond nauwkeurig naast zijn oefenmat. Geruggensteund door de pittoreske Schildpadtoren in het meer achter hem, dolde hij met de drukte van deze metropool. De toren werd gebouwd om, jawel, een schildpad te eren. Nadat keizer Le Loi de Chinese indringers in 1428 had verdrongen met behulp van een magisch zwaard, was het de schildpad die dit zwaard in het Hoan Kiem-meer kwam ophalen om het terug naar zijn meester, de draak, te brengen. Een lome schildpad met meedogenloze meester, beiden ten dienste van Le Loi die een onafhankelijk Vietnam verwierf. Is de grijze man de schildpad van vandaag? De schildpad de rust, de draak de haast? Zijn beide dan noodzakelijk om een verhaal hier op aarde tot een goed eind te brengen? Geen snelheid zonder traagheid. Het onophoudelijke geclaxonneer stelde voor de imposante bomenrijen op de oevers niets voor; ze hadden destijds de Vietnamoorlog overleefd en wuifden stadig verder. De man balanceerde nu op zijn linkerbeen met z’n knie in een halve rechte hoek, zijn rechterbeen had hij voor zich uitgestrekt en zijn voet maakte steeds een halve cirkel naar links en terug, naar links en terug. Zijn twee donkerbruine kijkers volgden deze beweging mee. Niets aan de man leek onbestuurd, alles beheerst.  Misschien slaat al wat ik toen dacht, gezeten op een betonnen bank, net aangekomen in chaos, wel op niets. Ik voelde een schaamte toen ik me als vrije toerist mengde met het drukke leven daar. Iedereen die ik niet in de drukte zag passen wou ik meetrekken in mijn schaamte en in het gelid laten lopen. Waarom? Omdat ook ik me thuis al te vaak op een brommer hijs, rode lichten negeer en anderen, zelfs zonder toeteren, in een vicieuze cirkel duw. Omdat ook ik onderdeel ben van een race en deelneem aan een streven dat op persoonlijk vlak amper winst, vaker verlies oplevert. Ik ben een schuldig slachtoffer. Terwijl ik deze woorden op papier zet, krijg ik steeds meer sympathie voor de man. Hij durfde een schildpad te zijn, omgeven door draken. Ik niet. Wie door het park wandelde of passagier was kreeg dankzij deze man de kans te vertragen, even tot stilstand te komen, in zichzelf te kijken. Zou de moeder op de brommer de man ooit hebben opgemerkt? Of het kind dat me eerder die dag aankeek? Moest ik het kind zijn, zou ik denken dat de man in het park en mijn verschijning in de taxi misschien wel familie waren. De grijze man een eigenwijze vader, de man in de taxi zijn zoon. Ik zou denken dat de zoon zijn vader kwijt is en nooit zal vinden; hij bevindt zich in een stroom die de zijne niet is, zijn vader speelt standbeeld waar de stroom slechts meandert. 

de amechtige specht
3 0

40 jaar aids.

            Veertig jaar geleden, op 5 juni 1981, maakte het Amerikaanse Center for Disease Control (CDC) in een onrustwekkend rapport melding van enkele gevallen van een zeer ernstige vorm van longontsteking bij een paar gezonde mannen. Allen waren homoseksueel en sommige mannen waren al gestorven aan deze onbekende en ongekende ziekte die we later als aids zouden kennen.             Vandaag weten we dat aids al voor 1981 bestond. Al snel werd aids gekoppeld aan homoseksuelen en hiermee was het eerste intellectuele obstakel gepland. Al snel volgden de andere h’s: hemofilie, Haïtianen en heroïnegebruikers. Groepen van mensen werden gestigmatiseerd. 40 jaar lang hebben activisten, “par le sang et par le sperme’, ongeziene veranderingen teweeggebracht op zowel maatschappelijk als economisch, medisch, psychologisch, juridisch, sociaal en seksueel vlak. We hebben oude systemen in ons gezondheidsbeleid blootgelegd. In die systemen was de macht van het medisch corps alom (“als de dokter het zegt, zal het wel zo zijn”). Het is ook de geboorte van de biopolitiek. De zieke, de patiënt als reformateur. Hervormingen die we vandaag nog in gezondheid en welzijn kennen, dateren van die woelige periode waarin door machtsstructuren met de moraalvinger gewezen werd en groepen mensen gestigmatiseerd werden omwille van wie of wat we waren. Er waren goede seropositieven en slechte seropositieven. Maar we werden mondiger en we vergaarden kennis. Act Up New York en later Act Up Paris stonden onvermoeid op de barricaden, aan de labo’s en aan de deuren van de beleidsmakers. Ook in ziekenhuizen stonden duizenden vrijwilligers om muren te doorbreken. Helaas stonden we ook in het mortuarium. Wekelijkse kost. Knowledgde is a weapon, was onze slogan, want alleen met knowledge kon je aids bestrijden. Aids was niet alleen het laatste stadium van een resem aandoeningen maar ook een politiek debat en een maatschappelijk debat. Een positieve hiv-test betekende immers de aankondiging van een sociale dood. Veertig jaar later kent iemand die vandaag hiv-positief is, een even normale levensduur als iemand die seronegatief is. Maar het parcours blijft hobbelig. We mogen de psychologische, lichamelijke en maatschappelijke neveneffecten niet onderschatten. We denken vandaag veelal dat een pilletje wel helpt en voor jongeren en millenials is aids een ziekte voor oude mensen. Niets is minder waar. Vandaar dat een beetje geschiedenis, een beetje het geheugen opfrissen en weten waar vandaag onze rechten als patiënt vandaan komen, in het licht van deze 40ste verjaardag, belangrijk is om te begrijpen, om kritisch te blijven, om universeel te blijven en om niet toe te geven aan identiteitspolitiek, fake nieuws en populisme. In de nasleep van 1968 zijn we begin jaren ‘80 van de vorige eeuw ons gaan engageren tegen machtsstructuren in de maatschappij, in de medische wereld, in het onderwijs, in de psychologie, in de sociologie, in de literatuur, in de volksgezondheid, in het algemeen recht; wij hebben het landschap van activisme hertekend en de medische wereld speelde stilaan de alleenheerschappij over onze gezondheid kwijt. De ondergrond van onze maatschappij werd blootgelegd en politiek werd gedwongen krachtdadig te zijn voor een hele bevolking. Seksualiteit was niet langer weggelegd voor procreatie en heteroseksuelen. De wereld ontdekte gay seks. Blanke vrouwen en vrouwen van kleur lieten hun stem horen. Druggebruikers en prostitués, zowel mannelijke als vrouwelijke, kregen ook een stem. Trans vrouwen en trans mannen waren nog transgenders en verenigden zich in een gezamenlijke strijd tegen aids. Ook travestieten deden mee. Migranten en mensen van niet Europese origine hadden recht op volwaardige universele gezondheidszorg. Daar streden we voor. Het was vechten. Elke dag. Elke avond. Vergaderen, studeren, schrijven, het medisch jargon begrijpen, informeren en zich informeren, van de ene conferentie naar de andere conferentie gaan, roepen, met de vuisten op de tafel slaan, manifesteren, slogans die decennia later nog nablijven bedenken. Het was ook feesten. Gelukkig maar. Met drugs af en toe. Op house en disco. Het was ook zeggen dat we aan het sterven waren. Het was zorgen voor iedereen, niet enkel en alleen voor de eigen gemeenschap. Nooit vermoeid en altijd moe. En toch weer opstaan. Naar een meeting of naar alweer een begrafenis. Nooit opgeven, sterk blijven. We bleven ons verenigen. We bleven onze seksualiteit beleven. We eisten het recht op schone spuiten. We eisten het recht op medische zorg voor mensen zonder papieren. We eisten het recht op onze lichamen, we eisten veiligheid voor onze lichamen. Daarvoor hebben we gevochten. Het was vechten tegen de labo’s, niet als vijand, maar als bondgenoot. De coronamoeheid waarvan vandaag de media bol van staat, is een luxelachertje. Wat het afgelopen coronajaar in onze ziekenhuizen mogelijk heeft gemaakt, is aan mijn generatie te danken. De stilzwijgende generatie van vandaag. We hebben het te danken aan alle anonieme vrijwilligers. Aan een onvoorwaardelijke strijd tegen een virus. Aan onze gestorven kameraden.             Aids heeft zwakke schakels in de maatschappij blootgelegd maar aids heeft ook de macht die de farmaceutische bedrijven hadden – en vandaag nog altijd hebben – laten kennen. Als activist konden we onze rug niet keren of een knieval doen tegenover hun macht. We hadden hen nodig maar niet tegen eender welke prijs. Onze strategie bestond erin de labo’s die onze directe vijanden waren tot onze bondgenoten te maken. Mensen stierven. Wij hadden de dood in zicht. Labo’s treuzelden om aidsremmers op de markt te brengen en medicatie werd aan woekerprijzen op de markt gebracht waardoor hele bevolkingen geen toegang tot aidsremmers hadden. Het heeft ons slapeloze nachten gekost om generische middelen te verkrijgen en patenten vrij te geven. Het heeft levens gekost. Iedere epidemie heeft een directe invloed op de politiek, omdat een ongekende en stigmatiserende epidemie een bedreiging vormt en de hele sociale orde in vraag stelt. Dat geldt zeker voor aids, dat geldt vandaag ook voor corona. We moeten durven te kijken naar hoe aids niet alleen onze maatschappij veranderd heeft maar ook welke invloed aids had op ons gezondheidssysteem, hoe universeel en toegankelijk ons gezondheidssysteem vandaag geworden is maar evenzeer moeten we onder ogen zien welke maatschappelijke obstakels er in onze Westerse maatschappij nog leven. Dat dwingt ons ook onze relatie Noord-Zuid te herstellen. Dat kunnen we niet door identiteitspolitiek waar iedereen voor eigen parochie preekt. Onze ervaring moet niet voor onszelf maar een algemeen belang dienen. We moeten ons verenigen in consistente nooit opgevende sterke onafhankelijke structuren. Dag en nacht. Door wind en regen. Met kennis als wapen. Niet met gekneut of met identiteitspolitiek.             Aids heeft ons geleerd te weten welke eigenschappen een maatschappij geeft aan een ziekte: wie veroorzaakt de ziekte, wie bepaalt wat de ziekte is, op welke brutale manier verspreidt de ziekte zich en welke ravages richt ze aan, welke groepen in de maatschappij zijn meer vatbaar en kwetsbaar voor een besmetting dan anderen, hoe snel verspreidt een virus zich en in welke mate. Aids heeft ons ook doen afvragen waar in onze maatschappij de ziekte het felst toeslaat: in welke sociale, economische, religieuze, psychologische, politieke en medische context manifesteert de ziekte zich. Wie doet er iets aan en wie verdraait eerder de feiten. In de kantlijnen van deze eigenschappen moesten we ook weten waar de oorzaken van de verspreiding van de ziekte lagen, welke factoren meespeelden en op welke manier het virus zijn weg vond. Op die manier kon de maatschappij zich organiseren om adequaat op te treden om het virus bij het nekvel te grijpen en te beheersen. Helaas heeft diezelfde maatschappij al snel een zondebok willen zoeken en een sociaal bloedbad laten plaatsvinden.             Veertig jaar later staan we voor andere uitdagingen en geeft mijn generatie de fakkel door, áls de volgende generatie die fakkel wil overnemen. De strijd tegen aids is een universele strijd die de macht van de dokter en de politiek heeft weten te doorbreken. 2030 is nog steeds de ambitieuze streefdatum om aids de wereld uit te krijgen. Daarom is het belangrijk dat de generaties van vandaag de tricks en de tools aangereikt krijgen die als waakhonden letten op de gevaren van stilte of extremen in de politiek. We moeten blijven een solidariteit handhaven. We moeten ons universeel blijven scharen achter gelijkheid, ook al blijft dit een utopie. We moeten samen geloven in elke sociale strijd: tegen aids, tegen corona, tegen racisme, tegen homofobie, tegen transfobie. Wat wij zonder internet en zonder Smartphone bereikt hebben, moeten we vandaag meer dan ooit op een slimme manier ook kunnen gebruiken. Aids 2.0 en verder.             Het is geen gelukkige verjaardag maar als we blijven getuigen, als we weten wat we veertig jaar geleden gedaan hebben, dan komen we er. We moeten niet roepen tot opvoeden, we moeten onze kennis delen. Knowledge is a weapon. Knowledge is our weapon.

Erwin Abbeloos
5 0

De definities der dingen

De juiste woorden vinden om sensaties zo accuraat mogelijk te omschrijven, is één van mijn passies. Wie zich herkent in de liefde voor taal, weet ook dat ze haar beperkingen relatief snel blootgeeft. Het is vaak cirkelen omheen de essentie. Creatief taalgebruik is als het creëren van een mal van een vorm die nooit gezien kan worden. De inhoud van de mal kan enkel gevoeld worden, afgaande op de contouren. Ik hou ervan om de contouren van hetgeen ik wil overbrengen zorgvuldig te sculpteren en polijsten. Om de boodschap esthetisch te verpakken en tegelijkertijd de kern zo dicht mogelijk te benaderen. Eenmaal mijn creatie de wereld is ingestuurd, is ze onderhevig aan interpretatie. Interpretatie kan mijn mal doen oxideren of blutsen. Wat soms een interessant effect geeft. Veel woorden worden achteloos uitgewisseld, met een schijnbaar vanzelfsprekende consensus omtrent hun inhoud. De tijdsgeest kleurt de betekenis van woorden. Elke definitie is onderhevig aan haar tijd, aan omgevingsfactoren. Niets is absoluut of een vaststaand feit, maar voor het gemak doen we alsof dat wel zo is. We doen bijvoorbeeld alsof we unaniem weten wat er wordt bedoeld met woorden zoals realiteit, gevoelens, vibratie, waarheid of God. Ik neem deze woorden als voorbeeld omdat ik een sterke tegenstelling ervaar tussen mijn persoonlijke definitie en de collectief aanvaarde en gedeelde visie. En ik besef ook dat het woord God in het rijtje zodanig zwaar beladen is met hardnekkige connotaties dat het heel deze tekst kleurt. Misschien boetseer ik wel eens een mal rond dat woord in een volgende tekst, voorlopig hou ik het bij het omschrijven van een fenomeen dat de authentieke betekenis van mijn woorden aantast. En definities vast laat roesten. Het educatief systeem houdt zich ook niet bezig met het uitdiepen van definities. Alleen al aan het woord realiteit zouden ze een hele kluif hebben. Het contempleren over zulke zaken draagt bij aan een verbreding van het bewustzijn. Onze cultuur heeft deze activiteit filosofie genoemd en gelinkt aan mannen met baarden. Ik vat het nu erg kort door de bocht samen, maar ik denk dat het onze samenleving zou verrijken indien we onze kinderen hierover spelenderwijs leerden nadenken. In de huidige door ratio gedreven samenleving staat wetenschap voor waarheid.  Het erkennen dat we het merendeel van het leven niet begrijpen is een taboe. Het is moeilijk om toe te geven dat we de essentie vaak niet kunnen vatten en klampen ons daarom vast aan alles dat op een hard feit lijkt. Abstract denken en voelen zijn onderschatte vormen van intelligentie, simpelweg omdat ze niet kunnen ‘bewezen’ kunnen worden volgens de wetten van de wetenschap. Contempleren over de subjectiviteit van de realiteitservaring leidt bijvoorbeeld niet tot sluitende conclusies en wordt daarom als zinloos tijdverdrijf afgedaan. De meest basale onderwerpen kunnen een diepe poel aan inspiratie en inzichten vormen, als je bereid bent om alle aangeleerde en voorgeprogrammeerde veronderstellingen los te laten. Woorden zijn collectief geladen met zulke veronderstellingen. Het in vraag stellen van geruisloos aangenomen definities is een verrijking voor de geest. Je kunt door de mal van woorden breken door meesterlijk te leren voelen. En definities van woorden weer authentiek te maken. Alleen zo kan de essentie aangeraakt worden.

KarolienDeman
15 1

Het vitale falen

In de eerste plaats ben ik lezer. Hoe graag ik ook het imago van schrijver zou willen hebben, ik heb geen flauw benul hoe ik een boek zou moeten schrijven, laat staan dat ik weet welk boek. Dat is niet alleen een kwestie van talent of inspiratie (of het gebrek daaraan) maar ook van energie. Als ik al eens iets uit mijn hersenen wring zoals oud afwaswater uit een schotelvod, koester ik die rauwe braakballen. Schrijfdocenten hebben naar ’t schijnt een hekel aan pupillen die hun prematuurtjes als veel meer zien dan therapie. Maar is dat juist niet wat schrijven is? Een zalven, een troosten, een aanklacht, een onwetendheid oplossen? Maar dan voor de lezer in plaats van de schrijver? Ik zou eerlijk gezegd niet weten wat ik u te bieden heb. Wat ik te vertellen heb, is al door grotere geesten geschreven, ik ben amper een flauw afkooksel. Dat is wellicht ook het succes van de heilige boeken. Wat kan je daar nog aan toevoegen? Hebben die op moreel vlak niet alles gezegd wat er gezegd moet worden? ‘Gij zult niet doden.’ Een wijsheid van millenia waar de mens nog steeds niet klaar mee is.   Het woord meta is hier wellicht op zijn plaats. De mens kan overstijgen, spiegelen. We schrijven boeken, maar we schrijven ook boeken over boeken schrijven. We denken na, maar we denken ook na over nadenken. Deze meester-procrastineerder is daar een voorbeeld van. In plaats van gewoon te schrijven, vergaloppeer ik mij meestal in dwangmatig piekeren, als een hamster in een rad. En blijft het wit maagdelijk wit. Meta kan dan ook verraderlijk zijn. Idealiter is al mijn schrijven vitalistisch: een literaire stroming die geassocieerd wordt met Hemingway en Houtekiet. Ze gaat over een volmondig ja zeggen tegen het leven. A lust for life, joie de vivre. De boeken die vitalisten meenemen naar een onbewoond eiland zijn boeken over ‘hoe een boot te bouwen’. Voor een stuk is de film Dead Poets Society vitalistisch. Carpe Diem zegt Robin Williams tegen zijn studenten. De film is eigenlijk een flauwe voetnoot uit de jaren ’90 (die reeds hardcore competitief waren) en een anti-intellectualisme tentoon wilde spreiden dat begin jaren ’70 reeds gestorven was samen met de flower power. Hemingway en Williams hebben beiden trouwens zelfmoord gepleegd, het anti-orgelpunt van wat het vitalisme zou behoren te zijn.   Andere literatuur die ik met plezier geconsumeerd heb omdat ze voor mij het leven groter maakte, is pervers genoeg Holocaustliteratuur. Maus van Art Spiegelman, de boeken van Primo Levi, ik heb hen cultureel toegeëigend. Het is niet zo ver gezocht dat deze boeken de ultieme avonturenromans zijn. Steven Spielberg is niet alleen de regisseur van Indiana Jones en Jaws, maar ook van Schindler’s List. Voor een deel is hij zelf schuldig aan een wellicht ongewilde bagatellisering van de oorlog. Maar dit trauma kan alle richtingen uitgaan in een zoektocht naar verlossing. Kunst en entertainment als therapie. Maar pervers blijft het, of toch op zijn minst bizar dat je kan genieten van miserie. Dit is ook weer meta. Zo is die andere Holocaustparel Son of Saul een cinematografisch meesterwerk hoe tragisch het verhaal zelf is. Genieten en walgen tegelijkertijd, wij, mensen, kunnen dan. Maar leren we er ook wat van?   Jef Geeraerts was voor mij een ontdekking na het college. Uiteraard stond zijn Black Venus niet op de verplichte leeslijstjes van een conservatief jezuïtencollege. En ook is Geeraerts ondertussen persona non grata door zijn koloniale gedachtengang. Zonder schroom vertelt hij dat hij de plaatselijke Congolese bevolking er met de chicotte van langs gaf. En zijn veelwijverij met zwarte meisjes en vrouwen is pure machtsmisbruik van zijn blank of wit privilege en had vooral heel veel met seks en weinig met liefde te maken. En toch, er is ook een liefdesverklaring aan het land Congo, aan de mensen en hun manieren van leven. Alleen is die weeral die van de ‘noble savage’. Vitalisme en romantiek gaan zo hand in hand. Vitalisme is zo quasi een contradictio in terminis: hoe kan je schrijven als je primitief wil zijn?   Een ander staaltje van culturele toeëigening is het boek De Zoon van Philipp Meyer. Ik vond het een meesterwerk al is het puur literair totaal niet vernieuwend. Het is een hagiografie van Texas en behandelt de conflicten tussen de Comanches, Mexicanen en witte kolonisten. Het is geschreven door een witte Amerikaan die zich weliswaar verdiept heeft in zijn onderwerp maar ik vraag me toch af wat de Comanches er zelf van vinden. Ze worden geweldig geportretteerd, als linke, bloeddorstige krijgers met een verlangen naar een authentiek wild leven. Ze kidnappen kinderen van witte Amerikanen en Mexicanen die ze roede laten lopen. De sterksten nemen ze op in hun stam om hun bloedlijn gezond te houden en inteelt te vermijden. Het voormalige Comanche stamhoofd Quanah Parker had een Duitse moeder. Ik ben de laatste om iets tegen maatschappijkritiek te hebben maar dit boek deed me de beschaving zo haten dat ik wou dat ik zelf een Indiaan was.   Een ander vitalistisch boek is non-fictie: Primitieve Dagen van William Finnegan, een surf auto-biografie van weer een witte Amerikaan. Toen deze, tja, sport is niet het juiste woord, way of life nog relatief inheems was voor Hawaii, was Finnegan een pionier in de jaren zestig, om wereldwijd spots te ontginnen. Zijn avonturen brengen ons van Hawaii naar Californië, van Madeira naar de idyllische eilanden van de Stille Zuidzee. Dit boek maakt je hemeltergend jaloers, als je leeft in een land waar veldrijden het summum van sexy sporten is. Dit lage, bange, platte land van boeren en kerktorens en xenofobie, maar wel de grote Jan uithangen in Congo … Dit vitalistische boek wil je niet lezen, je wilt het zelf beleven. Dus wederom, wat is eigenlijk de zin van vitalistisch schrijven, als je vitalistisch wil leven?   Het laatste vitale geschrift, want ik kan zo nog wel even doorgaan, dat ik wil aanraken is een boek van Jonathan Raban: een zeilreis in Alaska. De schrijver beschrijft zijn reis die hij maakt langs de westkust van Noord-Amerika ter hoogte van Alaska, en betrekt hierin de Inuit-cultuur, je weet wel, zij die smalend eskimos genoemd worden. Het zijn de oorspronkelijke bewoners van Groenland en het hoge noorden in Amerika. Ze leefden in een woestenij van sneeuw, ijs en immense vriestemperaturen van wat de natuur hen te bieden had. Ze waren meesterjagers op walvissen, robben, narwals, walrussen, ijsberen, en andere dikhuidigen. Geen idee of ze naast al die vis en dat vlees in hun dieet ruimte hadden voor groenten, fruit, graan. Maar dat het taaie klootzakken zijn, staat als een paal boven water. Hun kunst en cultuur kent het motief van de enkele golf. Dat was ook de essentie van hun bestaan: in hun kayaks op het water, was het kunnen lezen van het water van primair levensbelang. Het is dan ook pijnlijk te vernemen dat naarmate hun manier van leven in het gedrang kwam door de modernisering en de buitenlandse vissers, ook bij hen de suïcide-cijfers abnormaal toenamen tot epidemische hoeveelheden. Zelf-destructie of destructie in de vorm van guerrilla en/of terreur is dan klaarblijkelijk de terechte culminatie van de gekoloniseerde rancune.   Het cynische is dat wij vitalisten jaloers zijn op zij die werkelijk lijken te leven. Door comfort te winnen (what else?) hebben we ons ook losgekoppeld van een belangrijke levensader. Laten we het avontuur noemen. En we zoeken die: door te reizen naar Costa Rica of Bali, door yoga te doen of Afrikaanse dans, door te benji-springen en onszelf te tattoeëren. We maken ook gewoon kinderen met die Andere. Hun lach en no-nonsense zijn balsem voor onze ziel. Maar wie zijn ze werkelijk? Moeten we hen redden van onze smartphones? Hun behoeden voor onze ivy league universiteiten? Hoe belachelijk het er ook mag uitzien, ik heb alle begrip voor de bleekscheet die zijn heil zoekt in een dansende Pinksterkerk. Of het meisje dat zich bekeert tot de Islam en een hoofddoek draagt omdat zij eigenlijk eindelijk meer bekeken wordt als een ziel dan als een lichaam. Het toont nog maar eens het immense falen van de katholieke kerk aan. Zij heeft zichzelf van alle levenslust beroofd. Laat ons hopen dat die cultus die we er voor in de plaats hebben gekregen, die van het geld, van de vele nutteloze en overbodige dingen, dat ééndimensionale surrogaatgeluk snel als sneeuw voor de zon verdwijnt. Zoniet blijft die neurotische tweespalt tussen vitalisme en een werkelijk vitaal leven bestaan.   De honderdjarige tulpenboom in het park is van groter belang dan de snertauto waarmee je stilstaat op de macadam. Waarom kan ik niet uitleggen, het is iets wild en een verlangen naar authenticiteit, en mijn vitale delen protesteren tegen zoveel kunstmatigheid. Ook al zal ik wellicht nooit de gal van een bizon over zijn vlees spuiten nadat ik hem zelf geschoten en gevild heb. Ik ben dan ook geen Comanche. Gelukkig maar, zij waren vijanden voor altijd, van iedereen. Al is dat ook wederom culturele toeëigening. Zelf noemen ze zich Numunuu, het volk. Comanche is een Spaanse verbastering van het Ute-woord Kohmahts (zij die tegen ons zijn). Ik ben vooralsnog tegen de beschaving juist omdat ik zo beschaafd ben. Comanche  

ovlijee
19 1

Kleur van huid heeft niet het monopolie op falen.

Er circuleert – alweer – een open brief gericht aan de Vlaamse radio- en televisieomroep in het vuilste café van het internet. De Open Brief aan de VRT van _mainlyfelicia is de zoveelste in de rij die serieus genomen wil worden maar die het doel voorbijschiet. Het zoveelste zelfde profiel: de hoogopgeleide stedelijke en gecultiveerde elite van kleur die de brandende actuele problemen in de maatschappij (racisme, discriminatie, ongelijkheid, dekolonisatie...) alleen maar kan aanschouwen door het prisme van de eigen identiteit. Wie ík ben, wat ík zie en wat ik vooral niet zie, is belangrijker dan voor het maatschappelijk welzijn van mijn medeburgers (van alle kleuren) te ijveren. Meestal komen deze profielen ook met een gebruiksaanwijzing, en dan niet enkel en alleen om hun verengelst Nederlands te begrijpen. De brief stelt dat de VRT op de werkvloer van de omroep niet divers genoeg zou zijn en er wordt met weblinks naar cijfers en rapporten gegooid dat het een lieve lust is maar die helaas de kern van het betoog totaal torpederen. Eigenlijk is het maar een stormpje in een glas water, het is vrij schools ook, een beetje als een timide spreekbeurt voor een klas van gelijkgezinden; maar het trekt wel de aandacht. Enfin, het doet de wenkbrauwen fronsen. “Wij hebben racisme niet uitgevonden, wij moeten het dan ook niet oplossen.” Het is één van de vele holle slogans die afgevuurd worden wanneer je in discussie wil gaan.  Maar in discussie gaan is te vermoeiend. Ook in deze Open Brief staan de barrières zo hoog als een kathedraal en vraag je je af: wil je eigenlijk nog wel in discussie gaan met zoveel voorspelbaarheid? Net zoals haar generatiegenoten is het gezeur van de auteur slechts onderbouwd door beeldvorming en beeldcultuur – wat ze ziet en wat ze niet ziet, namelijk zichzelf - en lijkt zij in de onmogelijkheid verder te kijken dan de huidskleur van iemand en van zichzelf of verder te kijken in de wereld buiten het scherm van de televisie tout court, of het nu gaat over de VRT, VTM of het Woestijnvis en Verhulst Imperium of de geschreven media. Want de realiteit is écht anders. Het feit dat zij of andere mensen van kleur studies in de media niet afmaken of er zelfs niet aan beginnen, is volgens de auteur het gevolg van zichzelf niet te zien op het scherm. De vooringenomenheid werkt hier echter contraproductief en is gevaarlijk voor mensen die zij in safe spaces gaan sturen. Het ontneemt kansen aan mensen die wél getalenteerd en competitief zijn maar die door het conformisme van de social justice warriors gesommeerd worden in de rol van slachtoffer te blijven. Je moet al verdomd sterk in je schoenen staan om tegen zoveel politieke correctheid in te gaan. Maar ik geloof in mensen, ik geloof in de sterkte van mensen, ongeacht hun huidskleur. Haar betoog is een regelrechte belediging naar mensen van kleur die wél te zien zijn in de media, op de voorgrond, in de coulissen maar ook buiten de media en die succesverhalen schrijven zonder dat hun huidskleur een quota, het resultaat van een diversiteitsonderzoek, een klaagzang op Instagram of een akkefietje in een IG-post is. Zou het niet interessanter zijn als mevrouw _mainlyfelicia zich eerder kwaad zou maken over het aantal Vlaams Belangers in onze parlementen? Dat zou iets collectiefs én constructiefs zijn! Kunnen zijn, want je moet het ook willen. Of een collectief statement maken voor burgerrechteractiviste Zhang Zhan die in China 4 jaar naar de gevangenis moet omdat ze feiten over Covid-19 in Wuhan met de wereld deelde. Of voor Ahmadreza Djaldi? Ik ben benieuwd of de VRT gaat reageren. Ik hoop van niet omdat het hier opnieuw over een persoonlijk verhaal gaat. Een kip zonder kop. Een verhaal sans queue ni tête. Het gaat hier helemaal niet over racisme of discriminatie bestrijden maar het is een persoonlijk verhaal (“Als ik vroeger als kind wat meer mezelf had gezien op tv had ik misschien wat meer in mezelf geloofd.”, schrijft de auteur op haar IG). Ik kan haar evenwel geen ongelijk geven in het zichzelf herkennen op televisie of in de media. Als homo die behoort tot de stilzwijgende generatie X – de generatie tussen de boomers en de millenials – heb ik mezelf ook nooit gezien op televisie. In Mister Humphries in “Are you being served”, Steven Carrington in “Dynasty”, Jos Brink in “Wedden dat” heb ik mezelf als homo niet herkend. Paul Codde was niet mijn type en Luc Appermont was de ideale heteroseksuele schoonzoon. Ik keek in 1978 wel op naar Martine Tanghe die als eerste vrouw de hele BRT-redactie platwalste tot haar onlangs gerechtvaardigd pensioen. Martine deed dat alleen, zonder zeuren en kneuten. Daar keek ik naar op, naar de kracht van die vrouw. Naar kracht tout court. En al waren de homo’s op het scherm niet de homo die ik ben, toch heb ik van mijn leven een succesverhaal kunnen maken, met de mannen die ik uit eigen sterkte zelf heb gekozen. Huidskleur, net als homo zijn, heeft niet het monopolie op falen. Ik heb deuren tegen mijn smoel gekregen en ik heb evenzeer zwarte mensen als even competente collega’s aan mijn zij gehad, als gelijke collega, als overste en zelfs als docent. Maar ik heb nooit opgegeven of zelfs maar willen toegeven aan ingebeelde of vermeende boze blikken en goedbedoelde mopjes om en over mijn geaardheid. Ik ben er als mens en deal with it. Welke negatieve boodschap geeft de auteur wel niet aan een generatie mensen: omdat je jezelf niet ziet, heb je geen kansen? Representatie van een identiteit is geen garantie tot slagen. Ik denk dat hiermee de mythe van de woke-cultuur doorstoken is en dat we eindelijk, eindelijk redacties, het onderwijs en de media wakker kunnen maken om zoveel bullshit. Sorry voor het woord. Soms kan ook gewoon een boek lezen muren doorbreken en levens positief beïnvloeden. De auteur wil alles raciseren en zij gelooft niet in de sterkte van een minderheid. Of ze ziet het niet. Dat kan ook. Voor de auteur – en voor alle identiteitsdenkers – is zwart of persoon van kleur zijn gelijk aan minderwaardig, iemand die uit de boot valt, iemand die geen kansen maakt door zijn/haar/hun huidskleur, iemand die niet gezien wordt. Wat een vooringenomenheid. En wat een afrekening voor mensen die het maken als mens. Ik ben zwart, ik zie me niet op tv dus ik besta niet. De slachtofferrol van deze mensen die enkel als referentie sociale media, televisie, Wikipedia en Google hebben, is te belachelijk voor woorden, en toch krijgt het rasiseringsproces telkens weer een platform. Daarom hoop ik dat de VRT hier niet op in gaat. En dat ook de mainstream media hun karren vanaf nu draaien. Een poging om identiteitspolitiek bij de VRT te brengen is ook aan de gang op de VUB. Wat ooit een liberale, vrije en vrijzinnige plek was waar alle ideeën mogen gezegd worden, start ook daar binnenkort de dictatuur van de identiteitspolitiek in de vorm van enkele vooringenomen lezingen. Progressief links kaapt de hele discussie, als dat maar goed komt! Niet te verwonderen dat links in een impasse zit. Ik situeer mezelf in de linkse hoek van de politiek maar zonder deze waanzin van stampvoetende hoogopgeleide zogenaamde feministen die het debat alleen maar verzuren, verdraaien en in de kiem smoren. En met referenties naar Wikipedia verwijzen. Ik dacht dat de VUB beter kon. Het gelijkheidsplan van de VUB daarentegen getuigt in theorie van veel ambitie maar kijkt veel te weinig naar de competenties en laat maar één stem horen: die van de cancel dictatuur en de polarisatie cultuur. Ik hoor daar nog steeds studenten zeggen dat mensen aangenomen moeten worden op basis van hun identiteit, niet op basis van hun competenties. Het wij/zij denken heeft daar ook lelijk huis gemaakt. Bij wie ligt de fout? De fout ligt bij zogenaamde activisten, influencers en opiniemakers zoals _ mainlyfelicia en haar vriendinnetjes en die als lege dozen de kranten vullen en de sociale media domineren zonder ook maar, onder andere, racisme te bestrijden. De fout ligt evenzeer bij de politiek die mensen van kleur in de etalage zetten om hun propaganda te staven. Politiek faalt. Partijen gebruiken de tricks van de reclamewereld door logo’s te veranderen, slogans te herschrijven en in tv-programma’s met hoge kijkcijfers op te treden en waar om ter luidst wordt gelachen. Van politieke daadkracht gesproken. Politiek heeft geen ambitie meer. Politica schrijven boeken over ideale werelden die ze nooit kunnen verwezenlijken omdat de partij vroeg of laat tegenwerkt maar die boeken kunnen wel tellen als stemmen bij volgende verkiezingen. Gelukkig zijn er nog politiekers van kleur die wél daadkracht hebben voor de hele maatschappij, niet in ademnood geraken omwille van hun huidskleur en zijn er ook blanke politiekers die niet aan boetedoening doen en zich scharen met alle collega’s rond een gezamenlijk politiek project. Dat zijn de politiekers die een land nodig heeft. Ook bij de media ligt de fout. Een hele generatie woke millenials beheerst vandaag de grootste kranten in Vlaanderen. Gelukkig zijn er buitenlandse kranten waar échte diversiteit en niet enkel de pseudo-diversiteit van openbriefschrijvers die over zichzelf komen klagen aan bod komen. De journalistiek, zeg maar, is er genuanceerder en meer in balans. Vlaamse media – vooral geschreven media – hebben een tegenwoord nodig want we vallen een beetje in slaap en we kijken meer en meer naar de grotere broers en zussen in het buitenland. Zelfs over de taalgrens heen. De fout ligt ook bij scholen en universiteiten zoals de VUB die niet in staat zijn af te zien van identiteitspolitiek en zo van onze toekomstige studenten brave conformistische vrouwen en mannen maken die nooit geleerd zullen hebben kritisch te denken en misschien ooit scripties met emoji’s zullen afleveren. We klappen in de handjes voor de sterrenstatus van gastsprekers, niet voor een kritische en onderbouwde kijk op racisme, diversiteit, gelijkheid, dekolonisatie. Het extremisme in de maatschappij heeft nog mooie dagen in het vooruitzicht. Onderwijs heeft geschiedenis nodig om de cancel cultuur tegen te gaan bijvoorbeeld maar evenzeer is er nood aan filosofie om het kritisch denken aan te moedigen. Een rondvraag in enkele Franse scholen geeft aan dat leerlingen de dader van de moord op Samuel Paty wel begrijpen. En het zijn niet alleen maar moslims die zo denken. Is dat niet onrustwekkend? Willen we dat, brave conformistische burgers maken die vrije meningsuiting niet kunnen vatten? Passieve Instagram-volgers die klaphandjes, kusjes en hartjes plaatsen in plaats van eens een serieuze vraag op te werpen? Ah ja, woke-mensen gaan met niemand in discussie (emoji met hand op het hoofd). Kunnen dan de mensen die open brieven of open boeken schrijven en open lezingen geven onze ministers van Onderwijs bijvoorbeeld aanmoedigen om op de eerste schooldag iets uit te leggen over wat vrije meningsuiting is, wat een rechtsstaat is, wat een vrije maatschappij is en waar een leerkracht voor staat in plaats van ongelijkheid te schreeuwen in de conformistische mainstream media over oorbellen en jurken voor jongens? Want dat kan je zonder fifteen minutes of fame meteen afdwingen in het begin van een schooljaar. En zeker via de leerlingen en/of studentenraad. We moeten nú de dingen, het debat of hoe je het ook wil noemen terug in elke context plaatsen en het gejank van de gekwetste generatie achterwege laten. We hebben nood aan sterke en kritische mensen die vuisten op de tafel slaan, muren slopen en barrières breken, met woorden en met daden. We hebben geen nood aan jankende millenials die van de tafel wegblijven, muren optrekken en zich isoleren in safe spaces. Het progressieve links is helemaal doorgeslagen en maakt op comfortabele manier de weg vrij voor rechts-extremisme. Marine Le Pen heeft van haar winkel een voor velen aannemelijke en aanvaardbare versie van extreemrechts gemaakt en als eindpunt van haar oeuvre half links weggekaapt dankzij de politiek van de woke-generatie; bij ons begint deze versie ook vormen aan te nemen. In onze parlementen, op onze universiteiten en in onze media. Links is vandaag in een impasse, geblokkeerd door de kneuterige kleutertjes van de woke-politiek en we zien mensen de linkse boot verlaten. Links heeft haar eigen volk verloochend en geruild voor de nachtmerrie van identiteitspolitiek. In de Verenigde Staten zijn Biden en Harris niet de oplossing. Zij vertegenwoordigen wél een overgangspolitiek en kunnen alleen maar de gemoederen bedaren en het fatsoen in de politiek terugbrengen. En dan hopen dat in 2024 Harris president wordt. De Black Lives Matter in België van wie we sinds juni niets meer hebben gehoord, zullen nooit gehoord kunnen worden als zij stuurloos en verloren in identiteitspolitiek blijven hangen. Wie een beetje de geschiedenis van activisme kent – en ik ken die -, dan zien we zo de valkuilen van deze bewegingen. We hoorden meer van BLM tijdens Trump dan onder Obama en binnenkort onder Biden. Trust me, I’ve been there. We moeten nú de dingen doen. Echt, wie zal het doen? Want ’t is nogal dringend.

Erwin Abbeloos
6 0

Seksuele energie

Het hoogtepunt van seks is niet een orgasme, maar een bewuste connectie die alle woorden, gedachten en gevoelens overstijgt. Voeg daar dan nog een orgasme aan toe en je hebt het summum van wat seks zou kunnen zijn. Seksuele energie wordt zwaar onderschat. Seks is een krachtig creatieproces en dan heb ik het niet over het creëren van een kind. Door seks te hebben, zowel met jezelf als met een ander, worden er dingen het leven in geroepen. De energie manifesteert zich in de tastbare realiteit en juist daarom is het van belang om bewust te zijn van de aard van deze energie. Veel mensen hebben seks zonder zichzelf te eren of lief te hebben. Zo vond ik vroeger de gedachte om gebruikt en overmeesterd te worden erg opwindend, tot het tot mij doordrong dat ik hiermee een zelfdestructief patroon in stand hield. Mijn idee over seks is doorheen de tijd drastisch getransformeerd. Nu ben ik meer bewust van de manier waarop ik mezelf open stel en de waarde die ik mezelf toeschrijf. Het is veel meer dan een vleselijke lust. Seks is een uitwisseling van energie, idealiter met een evenwicht tussen geven en nemen. Door seks te hebben met iemand, kunnen verschillende energieën samengebald worden tot één krachtige generator. Deze kan ingezet kan worden om dromen te verwezenlijken en verlangens te vervullen. De visualisatie die aangedreven wordt door twee samensmeltende zielen heeft een bijzonder grote slaagkans. Net zoals bij meditatie is aandacht voor de ademhaling van essentieel belang tijdens het seksuele creatieproces. De adem fungeert immers als een portaal tussen lichaam en ziel. Wie staat er stil bij de krachtige hoeveelheid energie die uitgeblazen wordt tijdens een orgasme? En wie weet dat je die energie eveneens naar binnen kunt trekken (inademen) in plaats van ze de wereld in te sturen? En welke ideeën, gevoelens en verlangens zitten er achter die energie? Vlak voordat je zulke kracht naar buiten loodst of naar binnen trekt, zou je ze kunnen laden met een intentie. Dit kan een beeld of een gevoel zijn. Iets dat je graag wil manifesteren in je leven. De seks waarover ik spreek, ook wel tantra genoemd, is niet alleen een fysieke connectie maar evenzeer een mentale. Warm en veilig verstrengeld zitten in elkaars bewustzijn is een extra dimensie die door veel mensen overgeslagen, afgewezen of ontkend wordt. Niet iedereen verlangt naar dit soort van verbinding. Ik begrijp best dat veel mensen tevreden zijn in een relatie met seks die louter fysieke bevrediging brengt. Op zich is dat al heel wat. Maar het kan ook zijn dat dit op een gegeven moment in de persoonlijke ontwikkeling niet langer als ‘voldoende’ wordt beschouwd en dat er een verlangen naar meer diepgang ontstaat. Ik ervaar persoonlijk dat dit verlangen slechts matig en tijdelijk onderdrukt kan worden. Het steekt hoe dan ook van tijd tot tijd de kop op. Seks hoeft niet altijd een spirituele ervaring te zijn, er is niets mis met seks die puur gericht is op bevrediging. Het zou wel fijn zijn als meer mensen bewust waren van de mogelijkheden en kracht die er achter seksuele energie zit. Want het is een prachtige menselijke capaciteit om dankbaar voor te zijn.      

KarolienDeman
11 1

Brief aan Vlaanderen

Ik ben een zeventienjarig meisje dat zeer graag in Vlaanderen woont. Opgegroeid in een normaal gezin. Mama en papa die mij steunen in alles wat ik wil bereiken. Twee broers waar ik een goede band mee heb. Opgegroeid in een rustig gelegen huis is een dorp. Ik ga graag eens naar een drukke stad, maar ben ook heel graag op het platteland. Ik vind dat Vlaanderen de ideale mix is en dat ik zeer dankbaar mag zijn dat ik hier geboren ben. Wel heb ik mijn eigen mening over bepaalde dingen en kunnen sommige dingen zeker beter aangepakt worden in deze maatschappij. We leven nu in een pandemie, dat maakt het natuurlijk niet makkelijker. Maar misschien heeft het wel voordelen voor ons gedrag tegenover elkaar en de maatschappij.  Ik keek voor corona naar Vlaanderen met een bezorgde blik. Ieder voor zichzelf, dat was de maatschappij. Wil je iets bereiken, dan moet je er zelf voor zorgen. Dat is het zeker nog wel op sommige vlakken, maar corona heeft er ook voor gezorgd dat Vlaanderen warmer werd, naast natuurlijk alle miserie dat het virus met zich meebracht.  Mijn kijk op Vlaanderen is een beetje veranderd, maar toch ook niet helemaal. Ik zie mensen nog steeds in een boog rondom mij gaan of naar de grond kijken als ze mij passeren. Misschien is dat normaal, misschien is dat uit angst voor het virus, maar dat was soms ook al voor corona. Ik zie het juist als een kans om de mensen eens in hun ogen te kijken. Meer te vragen hoe het met hun gaat, want emoties kan je moeilijk aflezen van een gezicht waarvan meer dan de helft bedekt is met een mondmasker.  Er zijn mij zeker dingen opgevallen. Zo had je het applaus voor de zorgsector elke avond om acht uur. Een heel mooi gebaar vind ik, die mensen zijn de echte helden in deze crisis. Doe het maar eens, elke ochtend opstaan wetende dat je met honderden mensen in contact gaat komen die besmet zijn met een dodelijk virus waar men nog niet eens alles over weet. De moed en passie voor hun werk moet immens zijn. Elke dag weer alles eraan doen om zoveel mensen zo snel mogelijk te genezen. Mijn respect voor die mensen is enorm groot. Eerlijk gezegd, ik zou er de moed niet voor hebben. Ook was er een drone die soms over Vlaanderen vloog waar je een boodschap kon overbrengen voor iemand, de zorg, de bevolking, wie dan ook. Ook dat vond ik een zeer mooi gebaar. Het is zoals ik hiervoor al zei, Vlaanderen is warmer geworden. Over na corona kan ik nog niet praten, want we zitten er nog midden in. Ik hoop dat mensen dat ook beseffen.  Frustraties zijn er altijd. Je kan het nooit eens zijn met alles en iedereen. De beslissingen van de overheid snap ik vaak niet. Maatregelen laten vallen wanneer er nog steeds zeer veel besmettingen zijn frustreert mij mateloos. Langs de andere kant ben ik ervan overtuigd dat die mensen wel gewoon hun best doen, maar gewoon ook niet voor iedereen goed kunnen doen. Ik denk dat er veel dingen zijn die wij niet beseffen waar de overheid rekening mee moet houden. Ook frustreert het mij wanneer ik de bus opstap en vier veertienjarigen hun mondmasker niet zie dragen en hoor roepen naar elkaar of ik iemand zie met zijn neus uit zijn mondmasker. Het is nu ook niet moeilijk de maatregelen correct te volgen. Het zijn er al niet veel, leef ze dan ook na! Sommige mensen kunnen zeer respectloos zijn tegenover andere mensen zonder dat ze het zelf beseffen.    Mijn boodschap voor Vlaanderen zou zijn, maak het beste van de situatie waar we nu inzitten. Sterker zelfs, maak er gebruik van eens mensen in de ogen te kijken, te vragen hoe het met hen gaat, knik eens, knipoog, spreek met uw ogen! Zeg eens dank u als je een verpleger, dokter of eender wie ook tegenkomt die echt wel de titel held verdient. Hou de warmte in Vlaanderen, ook na de pandemie. Draag uw mondmasker, bescherm niet alleen uzelf, maar ook een ander. Wederzijds respect, liefde en het creëren van een warm gevoel bij uzelf en de mensen rondom u zijn de ingrediënten voor de ideale samenleving. Laten we samen van Vlaanderen een maken.  

Marg
6 0

Moederliefde

Er is geen liefde puurder, altruïstischer en warmer dan echte moederliefde. Helaas heeft niet iedereen het geluk dit te mogen ervaren. De relatie met je moeder laat een afdruk na op het verloop van je leven. Ik ben ontzettend dankbaar voor de warme relatie met mijn moeder en dat ze mij al 35 jaar laat voelen wat onvoorwaardelijke moederliefde is. Ik kies er bewust voor om zelf geen moeder te zijn in dit leven. Dit wil echter niet zeggen dat ik geen moederliefde kan geven. Ik kan moeiteloos het kind zien in iemand. In ieder van ons huist een kind dat niets liever wil dan geliefd worden. Ongeacht iemands leeftijd, zie ik een kleine jongen of meisje door alle lagen heen schemeren. Ik ben in staat om naar iemand te kijken met de ogen van een moeder. Dat zijn ogen die liefdevol kijken met mededogen, geduld en begrip. En vanuit dat standpunt is het maar een kleine stap om ook moederlijk te handelen, door bijvoorbeeld zorgzaam of troostend te zijn. De bron van waaruit mijn liefde ontspruit is oneindig. Het werd mij onlangs heel scherp duidelijk dat de moederliefde die ik naar anderen overhevel, naar het prachtige voorbeeld van mijn eigen moeder, eveneens aan mezelf geschonken kan worden. Daarmee wil ik zeggen dat ik mezelf als een moeder kan liefhebben. Ik kan mezelf vanuit datzelfde moederperspectief bekijken, verzorgen, troosten, aanmoedigen of geruststellen. Eveneens kan ik mezelf aanraken als een moeder door mezelf te strelen of knuffelen. Ik vermoed dat veel mensen hier weerstand tegen zullen voelen. Jezelf liefdevol aanraken is iets dat niet echt cultureel ingeburgerd is en eerder als raar wordt beschouwd. Toch is het ontzettend heilzaam en een uiting van eigenliefde. Ik zou mensen willen aanraden om dit ondanks de ingeprente tegenzin toch te proberen. Vooral in tijden als deze, waarbij het afstand houden zo fervent gepredikt wordt, kan dit een gezond tegenwicht bieden. Als ik bijvoorbeeld iets moeilijk moet doen, dan knijp ik zacht in mijn bovenarm en bevestig ik wat een flinke meid ik wel niet ben en dat ik best trots mag zijn op mezelf. Of als ik verdriet heb, dan streel ik over mijn wang terwijl ik zeg dat het oké is om te huilen. Niemand kan zo goed zorgen voor mij als ikzelf. Niemand weet en voelt beter dan ikzelf wat ik nodig heb. Wat mij betreft is dat eigenliefde van de bovenste plank. Er is niets zo helend als eigenliefde. Het is het ultieme medicijn. Als je als kind een schrijnend gebrek aan moederliefde gekend hebt, hoeft dit niet meteen te betekenen dat er geen voeling kan zijn met de energie van moederliefde. Intens ervaren wat iets niet is, kan helpen om klaar te zien in wat het dan eigenlijk wel is. Iemand die bijvoorbeeld als kind mishandeld is geweest, kan vanuit die ervaring bewust beslissen om het bij zijn of haar eigen kinderen geheel anders aan te pakken. Sommige mensen zijn in ons leven om ons te laten zien wat we niet willen. Ook dat is erg waardevol. Want zo wordt de focus op wat we wel willen alleen maar scherper. En hoe scherper we voor ogen houden waar we naar verlangen, des te meer kans dat het dan ook op ons pad zal terecht komen. Dat heet visualisatie, iets waarover ik reeds vol passie en overtuiging heb gesproken en geschreven. Tot slot maak ik nog even de bedenking dat moederliefde niet uitsluitend iets vrouwelijk is. Het is een term die gelinkt wordt aan vrouwelijkheid, maar een man kan uiteraard eveneens deze liefdevolle energie gewaarworden en uiten. Moederliefde is slechts een woord om een specifiek gevoel te omschrijven, maar de onderliggende betekenis is veel ruimer.

KarolienDeman
5 0

Het boek

Voor ieder van ons ligt er een boek. Het is een ontzettend lijvig boek met erg kleine lettertjes. Je kunt je hele leven wijden aan het lezen, bestuderen en naleven van de inhoud. In dit boek staan al je overtuigingen, levenslessen, conclusies, verwachtingen, oordelen, beschermingsmechanismen en alles dat je werd ingeprent. Het beschrijft wie je denkt dat je bent en moet zijn. Er is ook een uitgebreid hoofdstuk gewijd aan wat normaal en acceptabel is en wat niet. Een deel van het boek hebben we zelf geschreven en andere delen werden door anderen ingevuld. Zo heeft onze cultuur bijvoorbeeld voorgeschreven hoe ons leven en keuzes er horen uit te zien. Onze opvoeding heeft eveneens een steentje bijgedragen aan het volume van het boek. En dan is er nog ons genetisch materiaal dat de stijl en toon van de tekst bepaalt. Het is een soort van handleiding waar we ons bij twijfel tot wenden. En we twijfelen veel. Veel mensen staren gefixeerd naar hun opgeslagen boek. Hun ogen wenden zich nooit af van de letters. Het hoofd blijft permanent gebogen boven de pagina’s. In feite hebben ze zelfs niet meer door dat ze aan het lezen zijn. Wat ze zien wordt als realiteit en absolute waarheid aangenomen. Wat daar staat, is waar ze in geloven. Als ze het hoofd zouden oprichten en rondkijken, krijgen ze het gevoel alle houvast te verliezen. Ontmoeten ze iemand die op een totaal andere wijze dan de voorschriften handelt, dan zullen ze verontwaardigd verwijzen naar de paragrafen die volgens hen van toepassing zijn. Het boek bakent een ruimte af waarbinnen er geleefd kan worden. Het dicteert een zijnswijze. Het is menselijk om structuren, patronen en betekenis te zoeken als leidraad in de hoeveelheid keuzes die in een leven gemaakt kunnen worden. Het boek heeft een zelfbeschermende functie en dient als ankerpunt. Door het naleven van de voorschriften hopen we rust te vinden. Als compensatie tegenover de  alomtegenwoordige en fundamentele bestaansonzekerheid. Maar het is ook zeer beperkend. De inhoud van ons boek kan zonder dat we het beseffen sterk afwijken van onze authentieke aard. We hopen goed te doen door het boek bij twijfel te raadplegen, terwijl we onszelf daar misschien eigenlijk kwaad mee doen. Want misschien wijkt onze authentieke zelf wel sterk af van alles wat onze opvoeding, cultuur en omgeving voorschrijft. En dan verloochenen we onszelf door het boek in plaats van onze ware zelf te volgen. Het vraagt een open geest, moed en zelfvertrouwen om je hoofd te rechten, het boek dicht te klappen en rond te kijken. Want de ruimte rondom het boek is werkelijk oneindig. In de ruimte rond het boek is alles mogelijk. De enige leidraad in die weidsheid is je hart en gevoel. Wat goed voelt, dat is daar de norm. Het kan goed zijn dat je persoonlijke keuzes veroordeeld of afgekeurd worden omdat ze sterk afwijken van wat er in de meeste mensen hun boek staat. Constructief omgaan met die oordelen zonder jezelf in te binden is een kracht die doorheen de tijd kan versterkt worden. Je kunt jezelf leren om stabiel in je authenticiteit te blijven staan terwijl anderen niet begrijpen of goedkeuren wat je doet. Je zou het jezelf anderzijds erg moeilijk maken indien je het boek definitief van tafel zou vegen en alle voorgeschreven structuren negeert. Want de maatschappij waarin we leven rekent erop dat je bepaalde voorschriften volgt. Het is wel handig om te weten wat er verwacht wordt en welke stappen er moeten gezet worden indien je iets wil bewerkstelligen in de collectieve realiteit. De regels hebben een functie. Ze zijn er om chaos te weren en alles in goede banen te leiden. Maar ze hoeven ook niet te serieus genomen te worden. Het is gezond om de voorschriften te accepteren en te respecteren, maar om tegelijkertijd wel te beseffen dat ze geen ultieme waarheid zijn. Doe jezelf een plezier door zonder oordeel of schaamte te dansen in de ruimte rond het boek. Door vrijuit te spelen en onbegrensd te visualiseren over wat je graag zou bereiken in het leven. Ongeacht wat er in je boek staat kun je jezelf onvoorwaardelijk liefhebben, met geduld en mededogen. Verlos jezelf van de voorgeschreven beperkingen door met een kinderlijke open blik verwonderd rond te kijken. Zo’n boek is tenslotte maar een nietig ding ten opzichte van de oneindigheid van het universum.

KarolienDeman
11 1

Racisme in Brussels Regenbooghuis.

Over racisme in de LGBT-gemeenschap.            In een interview met Zizo (Zizomag) laat Rachael Moore, coördinator van het Brusselse Rainbowhouse uitschijnen dat de ‘witte’ LGBT-gemeenschap (begrijp: cisgender witte homomannen) racisme in de eigen gemeenschap niet onder ogen willen zien. Toen ik haar daar over aansprak, schreef Moore in een persoonlijke mail naar mij en in naam van het Rainbowhouse dat “witte mannen in onze geschiedenis nooit zij aan zij stonden met mensen van kleur.” Het kapen van een zinvol debat rond racisme lijkt bon ton te zijn in de media en sluipt nu ook de LGBT-gemeenschap binnen. Met mijn betoog wil ik aantonen welke kans Moore aan zich voorbij laat gaan omdat zij met haar persoonlijke verontwaardiging het debat steriliseert en zichzelf in de voeten schiet door mensen in de eigen gemeenschap aan te vallen in plaats van structuren in de maatschappij. De identiteitspolitiek en vooral de dogmatische politieke correctheid die Moore in het Regenbooghuis hanteert, is verbluffend, contraproductief en vooral discriminerend. Dat kan tellen voor een huis dat welzijn bij LGBT’ers wil promoten. Volgens de coördinator lijkt welzijn voor bepaalde mensen uit de LGBT-gemeenschap toch niet besteed aan iedereen binnen die gemeenschap. Ook het feit dat zij alles en iedereen reduceert tot huidskleur, past helemaal niet in een inclusief project binnenin de LGBT-gemeenschap. Tenslotte wil ik ook het cultuur cancelen die het Regenbooghuis in Brussel hanteert, aankaarten en een oproep doen om snel aan het serieuzere werk te beginnen, de ego’s en de incompetentie achterwege te laten en er te zijn voor de hele LGBT-gemeenschap               Moore stelt dat de wereld waarin witte en zwarte mensen zij aan zij stonden, als gelijken, niet bestaat en nooit heeft bestaan. Ook schrijfster Fleur Pierets bezondigt zich in een column in De Morgen aan het conformistische politiek correct denken wanneer zij een oproep doet om ‘witte’ LGBTQI+-mensen mee te hebben in de strijd tegen racisme met een lichte toon van verwijt want “het allerminste dat de witte LGBTQI+-gemeenschap naar mijn mening kan doen is zij aan zij gaan staan met hen die op straat komen voor hun bestaansrecht.” Het allerminste? Pardon? Wat hebben die witte mannen (en vrouwen) dan niet gedaan? Het is tijd voor een update, voor een reminder aan onze gemeenschappelijke geschiedenis en pistes uit te denken welke mensen en strategieën nodig zijn om in onze gemeenschap voor iedereen te zorgen.             Ik zeg het meteen: blanke homomannen hebben nooit de strijdarena verlaten. Nooit. Ik trek bewust een parallel met HIV/aids. De ravage uit de jaren ’80 en ’90 van vorige eeuw heeft veel machtssystemen blootgelegd die duizenden doden op het geweten hebben. Daardoor hebben veel 50-plussers van vandaag hun vrienden verloren. Ik heb toen ook vrienden verloren. We leefden elke dag met angst en heel ons sociaal leven werd erdoor gekleurd. De dood was iedere dag aanwezig. We werden afgerekend op onze seksualiteit, op onze huidskleur, op onze afkomst, op onze eisen voor gelijkheid, op onze identiteit, op onze ziekte. We waren de pest. We werden uit onze jobs, onze woningen en onze relaties gezet. Niet onze sekspartners waren onze vijanden, niet de naalden die we deelden voor onze drugs waren onze vijanden, niet het bloed dat we via transfusie kregen was onze vijand. Een lakse overheid, een machtig medisch orgaan, politiek correct denken en de hebzucht van de labo’s waren onze vijanden. Dus gingen we op zoek naar bondgenoten. We verenigden ons in vzw’s, creëerden onze eigen safe spaces en we gingen terug studeren om mondig te worden, weerwoord te bieden en kennis te vergaren. We kwamen op televisie en in de media om te zeggen dat we aan het sterven waren. We zochten verder naar bondgenoten. Homomannen waren de meest getroffen personen en ook het meest gemakkelijke doelwit. En toch hebben blanke homomannen niet voor eigen blanke gemeenschap gestreden. HIV kende en kent nog steeds geen kleur. HIV maakt geen onderscheid tussen blank en zwart. Aids wel. Hetzelfde geldt voor racisme. En dan moet je kijken naar structuren, niet naar mensen. Wanneer je naar de archieven van die periode kijkt, zie je dat we mannen, vrouwen en transgender personen van alle kleuren waren. Ook de archieven van pakweg De Rooie Vlinder uit 1978 laten duidelijk zien dat blanke mannen én vrouwen samen met zwarte mannen en vrouwen zij aan zij stonden in de strijd voor gelijkheid. In de tentoonstelling in Brussel afgelopen zomer over feminisme in België “Vrouwen vrij, een andere wereld” ging het ook niet enkel en alleen over blanke heterovrouwen. In 1985 liep ik als 17-jarige rond met de badge “Touche pas à mon pote”. In de jaren 2000 hebben we met man en macht sociale rechten opgeëist – en gekregen - voor iedere seropositieve sans-papier. Zwarte vrouwen en mannen werden naar het land van herkomst in Afrika teruggestuurd waar geen aidsremmers ter beschikking waren. We hebben ook de rechten van de patiënt laten gelden. In 2002 hebben we in Parijs tegen Le Pen betoogd toen de man bijna als president werd verkozen. Extreemrechts, grootste partij, zegt u dat iets? En je moet echt een opportunistische activist(e) zijn als je de tentoonstelling over Keith Haring niet gezien hebt. Zeg me dus nooit, nooit meer dat we nooit iets samengedaan hebben. En schrijf nooit meer dat het minste wat we kunnen doen, zij aan zij gaan staan is. Het met de vinger wijzen naar die blanke homomannen moet stoppen. Het moet stoppen met beledigingen te sturen aan het adres van duizenden activisten en duizenden doden. We hebben veel gedaan en we kunnen nog veel maar de breuk die deze polariserende politiek neerzet, verlamt een hele strijd in eigen gemeenschap.             Homo of lesbisch zijn in de zwarte gemeenschap ligt zeer gevoelig. Dat zijn pistes die we vandaag in onze gemeenschap moeten durven bewandelen, ook al is niet iedereen queer. Bovendien identificeert niet iedereen zichzelf via zijn of haar huidskleur. Blanke holebi’s hebben nooit in de plaats van mensen met kleur gestreden. Integendeel. Activisme doe je niet via een column in de mainstream media of op een YouTube-filmpje. Het is tijd voor opnieuw ‘wij’ denken. Het is hoogtijd om activisme te reactiveren, de speeltuin te verlaten en aan het werk te gaan. Tijd om samen het monster racisme samen in onze gemeenschap te bestrijden. Nog volgens het Rainbowhouse en Rachael Moore heb ik als ‘witte’ cisgender homoman niets te zeggen. Moore stelt dat ik nog steeds van mijn witte privileges geniet. Ik zeg het meteen: ik ben niet geprivilegieerd. Geprivilegieerd zijn rijke mannen of vrouwen van alle kleuren die hun verdiensten en privileges te danken hebben aan hun naam of hun aandelen. Ik vecht zoals zoveel andere stilzwijgende Belgen nog iedere dag voor gelijkheid voor iedereen. In mijn job als leerkracht bijvoorbeeld. Mijn ‘witte’ maar blijkbaar toch niet-geprivilegieerde grootouders hebben hun godganse leven gewerkt om alleen even arm als de straat te blijven en even arm te sterven. Arbeiders kwamen op straat en verloren ook hun leven: Een onvergetelijke bloednacht.  Deze overwinningen zijn systemen waar Moore ook vandaag van geniet. Hoe comfortabel is het toch om een gerieflijk forum in de media te krijgen maar daar helaas niet verder komen dan roepen, tieren, cancelen, deleten en zeggen dat het vermoeiend is.             Ik zie een generatie die het graag over ‘ik’ heb. Een generatie, verwend, onopgevoed en die er niet in slaagt, op geen enkele manier, om de erfenis van het activisme over te nemen en om te zetten in daadwerkelijke en urgente veranderingen in onze maatschappij. Wil deze generatie écht politiek dwingen de wetten aan te passen? Heeft deze generatie de kennis en de ervaring genoeg om politiek sterk te staan, het verschil te maken en te zorgen voor iedereen in de maatschappij en de eigen gemeenschap? En is het constant refereren naar Wikipedia en UberFacts écht zo kritisch onderbouwd?             Tenslotte is er vanuit de LGBT-gemeenschap veel kritiek geuit op het verhaal rond het fresco van Ralf König en die je kan bewonderen in de Brussele Lollepotstraat. Volgens Moore en het Rainbowhouse is deze fresco een racistische afbeelding. Ralf König heeft een weerwoord op zijn website geschreven Ralf König. Het illustreert de povere kennis van de eigen geschiedenis en het onvermogen om kunst in de tijdsgeest te plaatsen. Ik ben tot op vandaag nog steeds razend kwaad omdat mijn geschiedenis door het politiek correct denken van het Brussels Regenbooghuis niet meer mag bestaan. De blanke homopersonages worden op dit fresco overigens ook niet zeer flatterend en eerder cliché gewijs afgebeeld maar geen enkel blanke haan die daar naar kraait. Zelfs Moore lijkt niet verontwaardigd te zijn maar daar zegt ze niets over. Ik daag het Regenbooghuis openlijk uit om de eigen geschiedenis te kennen, te kaderen, te koesteren, te respecteren en vooral weten te waarderen.             Racisme bestaat ook in de LGBT-gemeenschap zoals in alle lagen van de bevolking en alle gemeenschappen maar je moet toogpraat weten te onderscheiden van serieuze haatpraat die machtsstructuren hanteren. De bron van die structuren vind je in de politiek, religie, onderwijs, justitie, gezondheidszorg, de media maar evenzeer in de cancel/delete cultuur die dogmatische activisten hanteren. Wil je racisme in de LGBT-gemeenschap blootleggen, zal je toch met meer concrete feiten naar boven moeten komen. En ook je bedoelingen uitleggen. Suggereren dat de Brusselse Kolenmarkt een straatje is voor witte cisgender homomannen is volledig van de pot gerukt. Moore en het Rainbowhouse promoten eerder een eigen agenda van identiteitspolitiek dan daadwerkelijk racisme in de eigen gemeenschap te bewijzen en aan te pakken.             Racisme is overal en nergens. Racisme is even zichtbaar als verdoken. Maar daarom moet je je hoofd nog niet in het zand steken. Iemand die een Rainbowhouse leidt, moet verbindend zijn, er staan voor iedereen en geen leugentjes rondstrooien of er een eigen persoonlijke agenda op nahouden. Overheden die deze instellingen subsidiëren zouden zich daar ook bewust van mogen zijn. Of duidelijker zijn in de communicatie: “Witte cisgender homomannen niet welkom.” En dan kunnen we de oproep van Pierets meteen in de vuilnisbak gooien. Voor haar moeten we samen opkomen, voor Moore kan dat echt niet en zal dat ook nooit gebeuren. Mensen zijn niet alleen mensen met kleur. De dictatuur van deze identiteitspolitiek drijft progressieve LGBT’ers weg van een hele gemeenschap, enkel en alleen om de persoonlijke agenda van een identiteitspolitiek uit te voeren. Het valt dan ook niet te verwonderen dat vele holebi’s verschuiven naar N-VA, sommige zelfs naar Vlaams Belang. Met hun so called activisme verliezen ze echter ook hun eigen bondgenoten en dat zijn heus niet enkel en alleen die gemene blanke cisgender homomannen waar continu naar verwezen wordt. Hier moet ook een alarmbel afgaan maar dogmatische activisten blijven doof, blind en vooral afwezig voor deze signalen. Vandaag zetelen 23 parlementsleden van het Vlaams Belang in het Vlaams parlement, 7 leden in de Senaat, 18 in het federaal parlement, 3 in Europa, 1 in Brussel en 2 zitjes in de Raad van Bestuur van de VRT. Dat zijn er 54 te veel. Moeten we ons daar beter niet mee bezig houden? Ik woon in het hartje van Brussel. Vanuit mijn woonkamer heb ik zicht op de Sint-Michiel en Sint-Goedele kathedraal. Ik denk vaak hoeveel tijd, hoeveel bloed, hoeveel zweet en hoeveel miserie het niet gekost heeft om die daar te zetten. Hoeveel sociale strijden de verschillende lagen van dit meesterwerk dragen. De kathedraal staat daar nu al zolang, als een architectonisch wonder. Zo is ook eender welke sociale strijd anno 2020 er een van intelligent en gefundeerd voortbouwen op de steenlagen in onze maatschappij die ook met zweet, bloed, tranen en miserie, vastgeklonken en verankerd in de geschiedenis staan. De strijdtechnieken van de dogmatische politiek correcte activisten zijn achterhaald. Ze dienen enkel individueel ongenoegen en staan in fel contrast met een historisch beladen collectieve strijd. De strijd tegen verondersteld racisme in de LGBT-gemeenschap heeft nood aan serieuzere actoren en strategieën die discriminerende realiteiten en machtssystemen die elk individu van ons en onze gemeenschap aanbelangt, blootlegt. Moore wil liever de LGBT-geschiedenis herschrijven. Laten we dat vooral niet doen maar laten we eerder ons bouwwerk verderzetten met alle lagen en kleuren van onze gemeenschap. Het speeluurtje is voorbij. Het is tijd voor een groot debat met alle actoren over alle generaties heen om ook voor iedereen in onze gemeenschap een veilige plek in de wereld te creëren. Ik ben als cisgender homoman zeker van de partij. Foto in bijlage: © Pierre Maraval: 1000 regards contre le sida.

Erwin Abbeloos
7 0

Postmodernisme? Epic

In een tijdlaag die afzonderlijk is. Wat is omgekeerd aan een teleologie?Een passief individu. En een individu, dat kan heel wat zijn:traag, op zichzelf een lichaam, valt het van de atmosfeer of kosmos (whatever eigenlijk)naar beneden (op mijn hoofd): eerst de luchtlaag, dan de aardlaag, dan door mijn hoofd op de korst van een ademende globe. In zijn vluchtval nam het tijd & ruimte mee; zonder af te nemen in grootte.  De tijdlaag of individu verlangt ernaar positief te zijn, maar is vooral OOK negatief, dus vult het zichzelf af. Nieuwe staat, nieuwe term: neutraliteit. Om te creëeren moet je helemaal niet leeg zijn / Je moet vol zijn, maar dan bedoelt men:vol van intentie, leeg van content. Nieuwe concepten vragen om een consensus, zoals een zin om een syntax vraagt; ook al is die van tevoren nog niet bepaald. Anders was hij geen zin, maar een taal.Zo ook met een bewustzijn, een nieuw werk, al deze synoniemen, voor creaties binnen kunst - of filosofant (filosofische / hallucinante) goede ideeën, die zovelen al voor me hadden:je bent namelijk nooit alleen in je denken, dus ook nooit de pionier.Omdat niemand die is, ben jij dit toch een beetje.De tijdlaag zakt af, en zet af, op de aardkorst. Leem werd beschreven door Galina Rymbu, maar zij was wel feministe. Of Jeroen Mettes: "hoe lang is het geleden dat ik nog eens heel (ik zou zeggen 'geheel') feministisch was?". / Dat dus hé: je vraagt er om gepest te worden, en dat is iets goeds: je mannetje (oh no) staan. In zijn val neemt het mee: partiële partners. Vervangbare materie. Deze zet het af. Vertelt een nieuw verhaal vanuit een nieuw idee, een concept. Het weet waar het voor staat.

Dries Verhaegen
10 0

Over het hoofddoekenverbod.

Studente Samia Bachiri vraagt zich in een opiniestuk VRT Nws af waarom zij haar hoofddoek moet afleggen als ze de schoolpoort binnenstapt. Ze stelt dat het hoofddoekenverbod – en niet de hoofddoek zelf – een vorm van onderdrukking is. Dat is niet helemaal waar. De vrije wil - of niet - om een hoofddoek te dragen hier terzijde gelaten, getuigt haar betoogt van een telkens weer terugkerende oneerlijke framing dat het debat weg draait van zijn historische essentie dat juist haar vrijheid om te studeren beschermt. De betoging van zondag 5 juli in Brussel, georganiseerd door HijabisFightBack, is daarom heel dubbel. In hun strijd naar vrijheid kan ik de dames – en de enkele heren aanwezig – geen ongelijk geven. Onze veelal Westerse maatschappijen hebben hard gestreden – en doen dat nog steeds – voor de vrijheden van iedere vrouw. Met vrouwen, voor vrouwen en door vrouwen. Ik zou zo nog meestappen als ik zou zien dat haar vrijheden door het toedoen van de mens in de maatschappij beknot zou worden. Helaas brengt deze betoging geen zoden aan de dijk. Op 3 november 1998 tijdens de lange discussies over het samenlevingscontract PACS in Frankrijk, haalt Christine Boutin, toen rechtsgezinde spilfiguur in het Franse parlement, de Bijbel naar boven om later op straat “les pédés au bûcher” te onderschrijven. De debatten rond de PACS waren de eerste timide stappen van de Franse regering om het samenleven van onder andere twee mensen van hetzelfde geslacht (met uitzondering van broers en zussen) een evenwaardig juridisch kader te geven als bv. mensen die een huwelijk aangaan. Op vraag van onder andere Aides en Act Up Paris werd dit debat gevoerd doordat onder andere seropositieve mannen en vrouwen als koppel gediscrimineerd werden. Het debat werd die dag meteen stilgelegd. Dit voorbeeld kan een antwoord zijn op Bachiri’s prangende vraag waarom zij haar hoofddoek – en bij uitbreiding elk religieus symbool – niet kan dragen. De hoofddoek is, net zoals elk ander attribuut dat verwijst naar een god, de religieuze uiting van een macht. Die macht heet religie. Wanneer je die macht in publieke instellingen toelaat, legitimeer je die macht om zich te manifesteren tegen vrouwen, tegen holebi’s, tegen ongelovigen en ga zo maar door. Tegen iedereen die zich niet aan die religieuze macht onderwerpt. Niet onze maatschappij anno 2020 belemmert Bachiri en alle andere gelovige vrouwen in hun godsdienstbeleving. Nergens in onze wetgeving van onze seculaire maatschappij waar zij ook deel van uitmaakt wordt het dragen van religieuze tekens verboden. Nergens in diezelfde wetgeving wordt hen de toegang tot het onderwijs geweigerd. De ironie wil dat het juist religie is die hen toegang tot studeren belemmert. In een maatschappij waar je wél religieuze symboliek in publieke instellingen toelaat, creëert na verloop van tijd diezelfde symboliek het gevaar om als vrouw geen beroep te kunnen doen op het Hooggerechtshof. Het is juist om vrouwen te beschermen dat justitie geblinddoekt afgebeeld wordt om zo religie geen kans te geven vrouwen van (officieel) onderwijs of hun fundamentele vrijheden te ontzeggen. De dag waarop religieuze symboliek ontladen zal zijn van de macht en de invloed die ze wil uitoefenen op de mens en de maatschappij, zie ik graag hoofddoeken op de schoolbanken. Waar het om gaat is de scheiding van religie en staat. En voor die scheiding zal ik altijd blijven strijden. Het kledingstuk wordt niet gepolitiseerd zoals het regelmatig beweerd wordt. Het kledingstuk heeft niet alleen zichzelf gepolitiseerd maar is ook gerecupereerd door de politieke macht. Want wat is macht? Macht is controle. Of stemmenronselarij om groter te worden. Laat nu juist het onderwijs een plek zijn waar controle door macht de grote afwezige moet zijn om jezelf als mens te kunnen ontplooien. De verzuiling is achter de rug en vandaag genieten we als vrije burger van vrij onderwijs. Dat valt niet samen met religieuze voorschriften. Niet op school, niet aan het loket. Het is een gemiste kans van deze studente om zich aan kritische analyse van het debat te onderwerpen. Moslima’s hebben het recht, net als protestanten en christenen, op onderwijs dat hun vrijheid garandeert. Daarvoor teken ik meteen. Tenslotte, als in 1998 de maatschappij Christine Boutin niet op de vingers had getikt, hadden vandaag de dag duizenden seropositieve mannen en vrouwen geen rechten, waren er geen wetten om homofobie en homohaat te bestraffen en kon ik vandaag als Erwin nooit trouwen met Sébastien.  

Erwin Abbeloos
10 0

Wat is de realiteit?

Het is een uitdaging om concepten te definiëren die als vanzelfsprekend worden beschouwd. Want eenmaal je een sluitende definitie probeert te vormen, merk je al snel dat de dingen vaak niet zijn wat ze lijken. Wat verstaan we bijvoorbeeld onder het begrip ‘realiteit’? Wat bedoelen we precies als we zeggen dat we ‘realistisch’ moeten zijn? Stilzwijgend en quasi unaniem nemen we aan dat de realiteit een vaststaand gegeven is. Iets waar we niet omheen kunnen. Vanuit die veronderstelling voelen we ons vaak geworpen in de realiteit, als een toevalligheid dat onderhevig is aan externe wetten. De realiteit wordt dan als positief of negatief geïnterpreteerd. Gunstig of ongunstig. Als iets waar we dienen mee rekening te houden. We beperken onszelf ook door te stellen dat het ‘onrealistisch’ is om bepaalde dingen te denken of verwachten. Want we gaan ervan uit dat we ons moeten aanpassen aan de realiteit rondom ons. Maar wat als de realiteit geen op zichzelf staand fenomeen is? Wat als de realiteit een product is van onze gedachten en interne leefwereld? Het interessante aan deze stelling is dat ze wetenschappelijk onderbouwd kan worden, gestaafd op zogenaamde harde feiten. Het is namelijk een feit dat de manier waarop wij onze realiteit ervaren afhankelijk is van ons perceptievermogen. En dat perceptievermogen bestaat uit onze hersenen die externe prikkels omzetten naar een verstaanbaar en gemakkelijk hanteerbaar geheel. Verstoorde hersenfuncties of psychische aandoeningen tonen aan dat de realiteit veranderlijk is. Kortom: wat je ervaart, is wat je zelf maakt. De hersenen creëren een logica die gericht is op zelfbehoud en overleving. Het is niet te bewijzen, maar we gaan ervan uit dat iedereen met ‘normaal’ functionerende hersenen min of meer hetzelfde ervaart. Als er iemand iets beweert dat niet strookt met het algemeen aanvaarde idee over wat de realiteit is of niet is, dan twijfelen we aan de functies van het perceptievermogen van die persoon. Stel dat de realiteit inderdaad iets is dat buiten onszelf bestaat, iets dat zonder bewustzijn of perceptie voort blijft bestaan. Wat als de realiteit geen levend wezen nodig heeft om te kunnen zijn? Wat voor iets is de realiteit dan? Hoe zou je dit omschrijven? Dit is een vraag die zich zeer moeilijk laat beantwoorden omdat het onmogelijk is om ons voor te stellen wat de realiteit is zonder ons bewustzijn. We zitten als het ware gevangen in ons perceptievermogen en kunnen daarom de realiteit niet interpreteren of omschrijven als iets dat los van onszelf bestaat. Het concept realiteit is eveneens iets dat we zelf bedacht hebben, zonder menselijke interactie is er niets dat als dusdanig wordt aangeduid of gecategoriseerd. Wanneer de realiteit als een fenomeen wordt afgebakend, dan impliceert dit dat het tegengestelde van de realiteit ook moet bestaan. We denken te weten wat de realiteit is en wat ze niet is. Maar we kunnen dit slechts beoordelen binnen de beperkte grenzen van ons perceptievermogen. Dus eigenlijk kunnen we onszelf alleen maar iets wijsmaken en binnen het kader van die illusie afspraken maken. Dat de realiteit veranderlijk is en onderhevig aan het perceptievermogen is een feit. Want elk levend wezen op aarde ervaart de realiteit op een andere manier. Zo zal de realiteit van een bacterie er anders uitzien dan de realiteit van een dolfijn. Er zullen ongetwijfeld wel mensen zijn die ervan overtuigd zijn dat het perceptievermogen van de mens superieur is ten opzichte van dat van andere wezens. En dat daarom de realiteit die een mens ervaart de ‘juiste’ perceptie is. Zulke denkwijze functioneert zeer nauw binnen de beperking van de eigen vermogens. Een denkwijze die mij interessanter lijkt, gaat ervan uit dat de perceptie van elk levend wezen een bijdrage levert aan het concept realiteit. Dat elke visie, elke bewustzijnsvorm, een elementair en evenwaardig deeltje vormt van de algemene ervaring van het leven. En we kunnen het denkveld zelfs nog breder open trekken door niet alleen levende wezens capabel te achten om een realiteit te ervaren. Want wie zegt dat planten geen realiteit ervaren? Of rotsen? Of de tafel waarop ik nu aan het schrijven ben? Misschien ben ik ondertussen de aandacht van een deel van mijn lezers verloren. Het stellen dat een tafel een vorm van bewustzijn heeft, is voor veel mensen dan ook een brug te ver. En ik kan dat begrijpen. Maar anderzijds vraag ik me ook af waar de grens dan precies getrokken wordt? Moeten we het concept realiteit linken aan het hebben van een zenuwstelsel en hersenen? Of nemen we de percepties van de plantenwereld er ook nog bij als willen weten waar het ervaren van de realiteit precies eindigt en begint? Het lijkt me alleszins wel duidelijk dat de realiteit zich minder gemakkelijk en afgelijnd laat definiëren dan dat veel mensen denken. Als men mij dan ook het advies geeft om ‘realistisch’ te zijn, dan kan ik daar weinig betekenis aan geven. Of toch niet de betekenis die het gros van de mensen voor ogen heeft bij het horen van die woorden. Ik leef volgens de wetenschap die zegt dat ikzelf verantwoordelijk ben voor mijn realiteit. Alles wat ik als realistisch beschouw, kan zich manifesteren in mijn realiteit. Ik wacht niet op gunstige omstandigheden, maar ik creëer zelf mijn omstandigheden. En daarmee bedoel ik dat de keuze om op een bepaalde manier ergens op te reageren geheel bij mezelf ligt. Wat ik denk, ervaar en voel is het product van mijn perceptievermogen. Het is aan mij om dat perceptievermogen zodanig af te stellen dat ik er baat bij heb. Ik ben ook kritisch als het gaat over de percepties waarmee mijn hersenen komen aandraven. Want ik weet dat ze vaak veiligheidshalve vanuit gewoonte ontstaan. Mijn ingebakken, aangeleerde responsen en interpretaties zijn niet altijd de meest gunstige of slimste. Mijn tekst genaamd ‘Het brein en ik’ sluit naadloos aan bij deze slotwoorden.

KarolienDeman
32 0