gulzige grazers zijn we,
eeuwig op zoek naar groener gras,
gretige groeiwormen, gangmakers,
we wurmen ons even enthousiast in boeken
als in goudmijnen, vruchtbare aarde
of een astronautenpak.
aan de lopende band
laten we onze ogen vallen
op hebbedingen,
elke dag
planten we een vlag:
dit hier is nu van mij!
we kunnen veel hebben,
we denken grootschalig,
in rechte lijnen,
de aardbol is ons speelterrein
en iedereen doet mee.
je moet wel als je alleen boe of bah kunt zeggen
of als je met een groen hart maar zonder
stembanden geschapen bent,
je moet wel als je onder de armoedegrens woont
en je klimgerei stelselmatig wordt weggegrist
door de grote grazers in je leefgebied.
je hoort ons van verre aankomen met onze
oorlogshanden, bulldozers, bevelen,
wij aasgieren, rokkenjagers, we maaien het gras
voor je voeten weg, we pikken je laatste
graantjes mee, we kluiven je af tot op het bot,
en laten je dan achter in een land zonder hoop,
je was slechts tijdelijk ons hebbeding.
onze ogen reiken verder dan
de planeet dragen kan,
wij aardsvijanden,
doorgeschoten groenten,
te ver uit de kluiten gewassen apen,
de dierlijkheid voorbij,
ecologisch invalide.
als alle hebbedingen op zijn
gaan we naar Mars,
we nemen een vlag mee
want je weet maar nooit.

