Mijn grootvader brengt zijn erf naar het wad,
ik zie het golven van zijn dunne haren.
Soms wacht hij en blijft nog even staren;
van alsmaar klagen heeft hij genoeg gehad.
Geruisloos ademt het grint zijn schrede,
het gebed dat hij elke dag voordroeg.
In zijn zieke knuist rust waar ik om vroeg;
wat bij hem lag, maakte hem tevreden.
Zijn lief kon hij achter schrikdraad palen,
toen de zomer nog fraaie bloemen had
en het veld achter de eeuwige grens was.
Achter zijn oren bewaart hij verhalen
die je kon horen bij het waterrad;
het wad schreeuwde toen ik haar zonde las.
