Ze smeet haar hete zwarte vleugels
Zover dat zij zijn woede voelde
Zodat haar hart verduisterd koelde
En je de bliksem vallen zag.
Haar staart sloeg stralen in het water
Haar borst sloeg haastig op en neer
Ze zag voor zich geen vroeger, later
Ze was in heden en alleen.
Hij was geen iemand, hij was alles
En niets en stille oceaan
Haar tranen, draaiende orkaan
Hij was de satan van haar dromen.
De duivelsklauw die haar leven roofde
En haar maakte tot een hellekind
Die haar een halsband om de nek wond
En haar liet leven in de wind.
De wolken zijn haar schuilgewaden
De zon verlicht haar blote ziel
Haar lichaam is al weggenomen
Verlost, een woord dat Plato schreef.
Verlost van haar stoffelijke meester
Maar niet van haar donkere minnaar
Haar ziel lijdt onder deze heerser
Haar tweede leven is geen leven waard.
Alzo haar vleugels nogmaals spreidend
Kijkt ze gespannen in de zon
Verlost wil ze worden uit haar lijden
En nu voor eeuwig, als het kon.
Ze zweeft omhoog, ze voelt de warmte
Ze smaakt de zwoele zonnelach
Laat haar verschroeien, ze wil verbranden
Om weg te zijn van zijn geklaag.
Het vuur druipt langs haar zwarte vleugels
Intens doodringend, maar ook zacht
Zijn klauwen sterven af uit woede
Zij triomfeert en schaterlacht.
Hij is nu dood, zij is verrezen,
Maar niet als een verdwaalde geest
Zij is daar ergens in de hemel
Waar er de zon nu om haar geeft.