Op dag één is Anja een verloren mens. Als verloren mens kan je in het asiel een kamer krijgen. Zolang je kan bewijzen dat je je weg naar huis niet meer vindt of geen huis meer hebt om naar terug te keren. Ze vragen aan de inkom om je naam af te staan. Anja wordt voortaan M1047 genoemd. De verloren mensen zijn meestal oud, met al tachtig jaar op de teller of meer. Ze hebben hun schoonheid en hun gezondheid verloren. Ze hebben overal pijn en wachten de dood af alsof die gisteren had moeten komen. Anja, M1047, loopt kreupel en heeft continu pijn aan haar onderrug. Ze wil niet dat het leven haar nog laatste hoop geeft, uit angst ook dat verloren te lopen. Anja had gisteren al moeten sterven. De kamer die Frederik haar toewijst, moet ze delen met M923. De ramen staan wagenwijd open en kijken uit op de binnenkoer. Vanaf de vensterbank zie je de klimop die als een parasiet over de jaren heen het gebouw overneemt. Vanaf de lantaarnpaal, die recht voor het raam naar binnen lijkt te kijken, klimt de parasiet over op de donkerrode bakstenen waaruit de gevel van het hele asiel bestaat. De houten raamkozijnen staan zwak tegen de kracht van de natuur en krijsen als kinderen wanneer ze open of dicht worden gedaan. De vensterbanken dragen de gevolgen van de erosie die de winterstormen en hete zomerdagen hebben achtergelaten. De vloer is volgens een schaakpatroon getegeld en de bedden staan elk horizontaal tegenover elkaar, tegen een uiterste muur van de kamer geschoven. Verder heeft elke kamergenoot een nachtkastje en een stoel om de restjes van hun bezittingen op neer te zetten. De gordijnen bedekken de hele muur van het plafond tot aan de vloer en golven met de wind mee die via het raam naar binnen sijpelt. Voor beide bedden ligt een klein tapijt waar de kamergenoten ’s ochtends hun blote voeten kunnen plaatsen zonder afgeschrikt te worden door de ijskoude tegels. De gordijnen en tapijten lijken sprekend op de dekens van het bed. Alsof ze allemaal gemaakt werden uit hetzelfde mysterieuze, zachte materiaal dat Anja niet kan plaatsen. Op haar bed ligt, bijna niet te onderscheiden van het deken, ook een zachte trui. M923 heeft haar versie van de trui aan wanneer ze de kamer binnenloopt om kennis te maken. “Anj- eh… M1047”, zegt Anja verlegen. M923 vertelt haar over haar eerste week in het asiel en dat ze zich, sinds ze de zachte trui heeft aangetrokken, niet eenzaam of verloren meer voelt. Soms als M923 heel stil is, kan ze de trui zelfs horen fluisteren over zijn vorige levens. Dan neemt de trui haar mee op reizen in een onbekend verleden en laat haar een glimp van de emoties voelen die ze zelf heeft verloren. Maar aangezien de truien het asiel niet mogen verlaten, heeft M923 besloten de rest van haar leven hier te blijven. Frederik komt binnen en neemt met zijn uitpuilende ogen de situatie in de kamer in zich op. Hij ziet er geniepig uit, denkt Anja, alsof hij continu van plan is om betrapt te worden. Hij is een man van rond de vijftig. Zijn haar, dat bijna doorzichtig is, is verzorgd naar achter gekamd en vastgezet met haarspray als het kapsel van een maffiabaas. “Mensen, het is etenstijd”. De medewerkers in het asiel mogen de verloren mensen enkel met ‘mens’ aanspreken. Kwestie van hen niet uit hun verlies te brengen door hun eigenschappen van vrouw- of manzijn toe te eigenen. ‘Mens’ beschrijft op de beste manier datgene wat er van de personen overblijft: een lichaam zonder doel. M1047 en M923 wandelen zij aan zij de trap af naar beneden. Eén van beide is eenzaam en verloren, de andere heeft een zachte anti-eenzaamheidstrui aan.
Op dag twee wordt Anja wakker in hun gedeelde kamer. Ze plant haar voeten in het tapijtje langs haar bed en met een kreun duwt ze kracht naar haar zwakke benen om recht te staan. Loom wandelt ze naar de ramen en trekt ze de gordijnen open. Op de binnenkoer staat Frederik onder een boom curieus naar het dak van het gebouw te kijken. Wanneer Anja de ramen opent en uit het raam voorover buigt, merkt Frederik haar meteen op en zwaait hij. “Niet springen, hè, mens”, grapt hij. Maar dat vindt Anja niet grappig. Hoewel ze vorige nacht, onwetend dat het de enige keer in haar komend verblijf was, aan een stuk door heeft geslapen, voelt ze zich nog steeds eenzaam en verloren. M923 ontwaakt wanneer Anja terugschuifelt naar haar bed. Ze staat snel recht en trekt haar anti-eenzaamheidstrui aan. De kamergenoten kammen beiden hun haar. Anja merkt op dat de bos haar op het hoofd van haar kamergenoot er eentje is om trots op te zijn. M923’s donkerbruine, wervelende krullen hangen langs alle kanten van het hoofd en worden met hulp van de zwaartekracht naar de aarde getrokken. Wanneer beiden klaar zijn, benen ze met moeite en pijn hun weg van de trap naar beneden. Aan de ontbijttafel merkt Anja op dat iedereen met trots zijn eigen anti-eenzaamheid draagt. Afgeschrikt door de verhalen van M923 had ze vanochtend besloten om de trui nog niet aan te doen. Maar eens Frederik dat opmerkt, vraagt hij haar: “He M1047, heb jij geen trui gekregen? Het is koud vanochtend, straks word je ziek”. Dus Anja keert kreupelend terug naar haar kamer, neemt de trui die ze zorgvuldig over het frame van haar bed had geplooid en trekt hem aan. Ze voelt zich instant zacht en warm. Wanneer ze de kamer opnieuw uitloopt, struikelt ze bijna tegen een groene katoenen legerzak die tegen de binnenkant van de deurlijst staat. Zonder curiositeit geeft ze deze, tot zover ze kan, een schop en versnelt haar strompel terug naar het ontbijt. Over een kommetje overgebakken havermout vertelt ze M923 het gelukkige nieuws. M1047 voelt zich niet eenzaam meer.
Het is nacht zeven wanneer M1047 voor de zoveelste keer wakker schiet uit een verschrikkelijke droom. Een bij draaide rond en rond haar hoofd met als enige doel zich in haar oor te nestelen. Daar zou hij haar het leven zuurder maken en zoemen tot ze alles op zou geven. De kamer ligt er bewegingloos bij, toch blijft ze onder de zware stilte een subtiel gezoem horen. Ze gaat rechtop zitten. Haar wazigheid klaart op en alles wordt weer rustig. Het licht van de lantaarnpaal, dat voor het raam naar binnen lijkt te kijken, wurmt zich een weg tussen een spleet in de gordijnen en trekt een streep op haar gezicht. Anja hoort iemand langs hun deur in de gang lopen. De passen verplaatsen zich richting de trap en kort daarna hoort ze het ritmisch gewandel weergalmen op het plafond. Op de verdieping boven hun kamer, de zolder, wordt het geluid van de voetstappen steeds doffer tot volledig onhoorbaar. Gerustgesteld gaat Anja weer liggen. Ze draait haar gezicht richting M923. Haar kamergenoot lijkt, in vergelijking met haar, geen moeite te hebben met moeilijke dromen en heeft al elke nacht volledig doorgeslapen. Anja merkt plots een kale plek achter het oor van M923 op. Waartegen het licht dat langs de andere kant van de kamer door de gordijnen sijpelt, weerkaatst. M1047 is verbaasd. Had haar kamergenoot geen grote krullen kruin waar ze enkel jaloers op kon zijn? Als ze haar ogen lichtjes toeknijpt, kan ze zich inbeelden dat het weerkaatste licht de Noordster is, die als eerste in de duisternis boven durft te komen. Omvangen door slaap, draait ze haar hoofd de andere kant op en dommelt ze in.
Op dag dertien wordt M1047 moeizaam wakker uit een te korte nacht. De bij blijft haar nachten verstoren en overheerst bijna al haar dromen. Haar ledematen voelen zwaar en haar hoofd is wazig. Ze heeft het gevoel vastgenageld te zijn aan haar bed en als het kon, zou ze eeuwig blijven liggen. Rustig draagt ze haar beide benen boven de lakens uit en plant ze die in de zachte stof van het tapijtje voor haar bed. “Goedemorgen”, M923 kijkt haar stralend en uitgeslapen aan. De grootte en de hoeveelheid van de kale plekken op het hoofd van M923 zijn toegenomen. De zwaartekracht kan de krullen niet genoeg naar zich toe trekken om al haar haarverlies te bedekken. Waardoor M1047 overdag verschiet wanneer ze tegen de achterkant van M923’s hoofd blijkt te spreken. Besproken haaruitval zal M923 niet beter doen voelen, dus M1047 denkt dat het verstandiger is om er niets van te zeggen. Er komt een leeftijd waarop veranderingen niet meer mogen choqueren, ook al verandert er iets heel snel. Zelf lijkt M1047 ook last te hebben van haaruitval. Het is minder opvallend dan bij haar kamergenoot, maar toch moet ze toegeven dat ze al enkele ochtenden wakker geprikt werd door kleine haartjes die op haar kussen lagen. En wanneer ze ’s ochtends haar haar kamt, voelt ze plekken boven haar hals en achter haar oren die minder begroeid zijn dan ze dacht. Frederik komt binnen. Ook hij ziet er vermoeid uit. Op zijn rug slingert een groene katoenen legerzak, net als diegene waar Anja twee weken geleden tegen had getrapt. “Wat doen jullie mensen hier nog? Het ontbijt is al vijf minuten bezig, maak dat je beneden staat!”. De kamergenoten trekken snel hun trui aan en slenteren met hun tengere benen de trap af naar de kantine, waar een afgekoeld bordje overgebakken havermout op hen te wachten staat. Wanneer ze in de namiddag terug op hun kamer komen, zijn de bedden opgemaakt. Samen schuiven M1047 en M923 hun stoelen voor het raam en kijken ze naar buiten. Op de binnenkoer worden breilessen gegeven. Maar aangezien de kamergenoten al heel de voormiddag anti-eenzaamheidtruien hebben gebreid, nemen ze pauze en kijken ze in rust mee. Door de wolken komt de zon boven en al streelt die hun gezichten, zien ze er beiden lelijk en versleten uit.
De volledige zestiende nacht heeft M1047 uit angst niet geslapen. Ze heeft het gezien. Ze heeft alles gezien. De bij die haar elke nacht uit haar droom wakker maakte, kwam in grote gedaante langs en schraapte de haren van het achterhoofd van haar kamergenoot af. Frederik heeft een zoemende scheermachine en scheert de resterende haren van het hoofd van M923. De geknipte haren vallen openlijk in en rond het bed. Op het kussen, op het tapijtje en op het gezicht. Die haren verzamelt hij al kammend met zijn handen en legt ze in zijn grote groene katoenen legerzak. Nu is M923 helemaal kaal en bijgevolg waardeloos. M1047 durft niet meer te kijken. Ze sluit haar ogen, blijft zo stil mogelijk liggen en wacht in paniek haar beurt af. Wanneer Frederik boven haar hangt, ruikt ze zijn slaapzweet. Een koude rilling loopt over haar ruggengraat en nestelt zich in haar pijnlijke onderrug. Waarin haar hartslag als een drilboor een nagel lijkt te kloppen. Als een onderkoelde persoon ademt ze maar om de twee keer. Frederik haalt de bij boven en ze voelt hoe het dier zijn weg zoekt richting haar oor. Ze voelt het schrapen trillen tot in haar schedel. Ze hoort het zoemen tot achter haar ogen, die ze in alle macht gesloten probeert te houden zonder te knijpen. De tranen vormen zich in haar traanput. Ze hoopt dat het licht dat vanuit de spleet tussen de gordijnen naar binnen sijpelt haar niet verraadt. Ze hoort hoe Frederik de katoenen zak opentrekt en haar afgeschoren haren daarin achterlaat. Wanneer hij klaar is, trippelt hij richting de deur. Zijn geur verlaat M1047’s omgeving. Ze hoort zijn voetstappen voorbij de kamer komen, slingeren richting de trap en trippelen tot ze dof worden op de zolder. M1047 doet haar ogen open, haar onderrug voelt star en de ingehouden tranen lopen langs haar wangen haar kussen in. Ze draait haar hoofd en kijkt richting het bed dat tegenover het hare tegen de andere muur van de kamer staat, op zoek naar de kale kruin die Frederik bij M923 heeft achtergelaten. Maar het bed is leeg.
Op de zeventiende ochtend is de trap naar de zolder is stoffig. Vanaf het moment dat Frederik deze nacht haar kamer had verlaten heeft M1047 niet meer geslapen. Ze had de gordijnen open getrokken en haar stoel voor het raam gezet. Om zo, in de hoop haar systeem te kunnen kalmeren, naar de sterren te kijken. Wanneer ze deze ochtend Frederik weer op de binnenkoer naar het dak zag kijken, borrelde een duizelingwekkende afgunst in haar op, die haar het gevoel gaf dat ze moest overgeven. M1047 heeft daardoor deze ochtend niet ontbeten en had zich verstopt op het toilet naast de kantine. Het is de zeventiende dag waarop M1047 de doorgang naar de zolder stiekem betreedt. Boven haar lip vormt zich een snor van zweet en haar handen voelen klam. Ze is nerveus en oud en kan met moeite zichzelf nog naar boven heven. Haar handen en benen trillen wanneer ze de bovenste treden die de trap doen uitmonden in een grote kamer bereikt. Houten draagstructuren die als een wervelkolom het asiel rechtop houden imponeren zich boven haar met een licht resterende dons bedekte hoofdhuid. Ze ziet hoe de houten planken van het parket haar een weg leiden naar het einde van de kamer. Waar een houten deur de gigantische muur als een eenzaam erfstuk staat te sieren. Hoe dichter ze ernaartoe schuifelt, hoe boller de deur lijkt te staan. Alsof die met de lichtste streling van de klink helemaal open zou zwaaien. M1047 waagt het erop en met een knal vliegt de opening open. Krullende, steile, donkere, zwarte, bruine, blonde, rosse, ruwe en zachte haren zweven als een zwerm bijen van de torenhoge stapels uit het deurkozijn voor haar voeten neer. De dreun op de vloer zorgt voor een tegenbeweging en miljoenen haren zweven rond M1047 mee met de tocht die de opening van de deur met de rest van de kamer creëert. Omgeven door de restjes van duizenden levens, voelt Anja zich zelfs zonder haar anti-eenzaamtrui niet eenzaam of verloren meer.