Tess Declercq

Teksten

Anti-eenzaamheidstruien

Op dag één is Anja een verloren mens. Als verloren mens kan je in het asiel een kamer krijgen. Zolang je kan bewijzen dat je je weg naar huis niet vindt of geen huis hebt om naar terug te keren. Ze vragen aan de inkom om je naam af te staan. Anja wordt voortaan M1047 genoemd. De verloren mensen zijn meestal oud, met al tachtig jaar op de teller of meer. Ze zijn hun schoonheid en hun gezondheid verloren. Ze hebben overal pijn en wachten de dood af alsof die beter gisteren was gekomen. Anja, M1047, loopt kreupel en heeft continu pijn aan haar onderrug. Anja had gisteren al moeten sterven. De kamer die Frederik haar toewijst, moet ze delen met M923. De ramen staan wagenwijd open en kijken uit op de binnenkoer, waar je de klimop ziet die als een parasiet het gebouw over de jaren heen overneemt. Vanaf de lantaarnpaal, die recht voor het raam naar binnen lijkt te kijken, klimt de parasiet over op de donkerrode bakstenen waaruit de gevel van het hele asiel bestaat. De houten raamkozijnen staan zwak tegen de kracht van de natuur en krijsen als kinderen wanneer ze open of dicht worden gedaan. Samen met de vensterbanken dragen ze de gevolgen van de erosie die de winterstormen en hete zomerdagen hebben achtergelaten. De vloer is volgens een schaakpatroon getegeld en de bedden staan elk horizontaal tegenover elkaar, tegen een uiterste muur van de kamer geschoven. Verder heeft elke kamergenoot een nachtkastje en een stoel om de restjes van hun bezittingen op neer te zetten. De gordijnen bedekken de hele muur van het plafond tot aan de vloer en golven met de wind mee die via het raam naar binnen sijpelt. Voor beide bedden ligt een klein tapijt waar de kamergenoten ’s ochtends hun blote voeten op kunnen plaatsen zonder afgeschrikt te worden door de ijskoude tegels. De gordijnen en tapijten lijken sprekend op de dekens van het bed. Alsof ze allemaal gemaakt werden uit hetzelfde mysterieuze, zachte materiaal dat Anja niet kan plaatsen. Op haar bed ligt, bijna niet te onderscheiden van het deken, ook een zachte trui. M923 heeft haar versie van de trui aan wanneer ze de kamer binnenloopt om kennis te maken. “Anj- eh… M1047”, zegt Anja verlegen. M923 vertelt haar over haar eerste week in het asiel en dat ze zich, sinds ze de zachte trui heeft aangetrokken, niet eenzaam of verloren meer voelt. Soms als M923 heel stil is, kan ze de trui zelfs horen fluisteren over zijn vorige levens. Dan neemt de trui haar mee op reizen in een onbekend verleden en laat haar een glimp van de emoties voelen die ze zelf is verloren. Maar aangezien de truien het asiel niet mogen verlaten, heeft M923 besloten de rest van haar leven hier te blijven. Frederik komt binnen en neemt met zijn uitpuilende ogen de situatie in de kamer in zich op. Hij ziet er geniepig uit, denkt Anja, alsof hij continu op het randje is om van iets betrapt te worden. Hij is een man van rond de vijftig. Zijn haar, dat bijna doorzichtig is, is verzorgd naar achter gekamd en vastgezet met haarspray als het kapsel van een maffiabaas. “Mensen, het is etenstijd”. De medewerkers in het asiel mogen de verloren mensen enkel met ‘mens’ aanspreken. Kwestie van hen niet uit hun verlies te brengen door hun eigenschappen van vrouw- of manzijn toe te eigenen. ‘Mens’ beschrijft op de beste manier datgene wat er van de personen overblijft: een lichaam zonder doel. M1047 en M923 wandelen zij aan zij de trap af naar beneden. Eén van beide is eenzaam en verloren, de andere heeft een zachte anti-eenzaamheidstrui aan. Op dag twee wordt Anja wakker in hun gedeelde kamer. Ze plant haar voeten in het tapijtje langs haar bed en met een kreun duwt ze kracht naar haar zwakke benen om recht te staan. Loom wandelt ze naar de ramen en trekt ze de gordijnen open. Op de binnenkoer staat Frederik onder een boom curieus naar het dak van het gebouw te kijken. Wanneer Anja de ramen opent en uit het raam voorover buigt, merkt Frederik haar meteen op en zwaait hij. “Niet springen, hè, mens”, grapt hij. Maar dat vindt Anja niet grappig. Hoewel ze vorige nacht, onwetend dat het de enige keer in haar komend verblijf was, aan een stuk door heeft geslapen, voelt ze zich nog steeds eenzaam en verloren. M923 ontwaakt wanneer Anja terugschuifelt naar haar bed. Ze staat snel recht en trekt haar anti-eenzaamheidstrui aan. De kamergenoten kammen beiden hun haar. Anja merkt op dat de bos haar op het hoofd van haar kamergenoot er eentje is om trots op te zijn. M923’s donkerbruine, wervelende krullen hangen langs alle kanten van het hoofd en worden met hulp van de zwaartekracht naar de aarde getrokken. Wanneer beiden klaar zijn, benen ze met moeite en pijn hun weg van de trap naar beneden. Aan de ontbijttafel merkt Anja op dat iedereen met trots zijn eigen anti-eenzaamheid draagt. Afgeschrikt door de verhalen van M923 had ze vanochtend besloten om de trui nog niet aan te doen. Maar eens Frederik dat opmerkt, vraagt hij haar: “He M1047, heb jij geen trui gekregen? Het is koud vanochtend, straks word je ziek”. Dus Anja keert kreupelend terug naar haar kamer, neemt de trui die ze zorgvuldig over het frame van haar bed had geplooid en trekt hem aan. Ze voelt zich instant zacht en warm. Wanneer ze de kamer opnieuw uitloopt, struikelt ze bijna tegen een groene katoenen legerzak die tegen de binnenkant van de deurlijst staat. Zonder curiositeit geeft ze deze, tot zover ze kan, een schop en versnelt haar strompel terug naar het ontbijt. Over een kommetje overgebakken havermout vertelt ze M923 het gelukkige nieuws. M1047 voelt zich niet eenzaam meer. Het is nacht zeven wanneer M1047 voor de zoveelste keer wakker schiet uit een verschrikkelijke droom. Een bij draaide rond en rond haar hoofd met als enige doel zich in haar oor te nestelen. Daar zou hij haar het leven zuurder maken en zoemen tot ze alles op zou geven. De kamer ligt er bewegingloos bij, toch blijft ze onder de zware stilte een subtiel gezoem horen. Ze gaat rechtop zitten. Haar wazigheid klaart op en alles wordt weer rustig. Het licht van de lantaarnpaal, dat voor het raam naar binnen lijkt te kijken, wurmt zich een weg tussen een spleet in de gordijnen en trekt een streep op haar gezicht. Anja hoort iemand langs hun deur in de gang lopen. De passen verplaatsen zich richting de trap en kort daarna hoort ze het ritmisch gewandel weergalmen op het plafond. Op de verdieping boven hun kamer, de zolder, wordt het geluid van de voetstappen steeds doffer tot volledig onhoorbaar. Gerustgesteld gaat Anja weer liggen. Ze draait haar gezicht richting M923. Haar kamergenoot lijkt, in vergelijking met haar, geen moeite te hebben met moeilijke dromen en heeft al elke nacht volledig doorgeslapen. Anja merkt plots een kale plek achter het oor van M923 op. Waartegen het licht dat langs de andere kant van de kamer door de gordijnen sijpelt, weerkaatst. M1047 is verbaasd. Had haar kamergenoot geen grote krullen kruin waar ze enkel jaloers op kon zijn? Als ze haar ogen lichtjes toeknijpt, kan ze zich inbeelden dat het weerkaatste licht de Noordster is, die als eerste in de duisternis boven durft te komen. Omvangen door slaap, draait ze haar hoofd de andere kant op en dommelt ze in. Op dag dertien wordt M1047 moeizaam wakker uit een te korte nacht. De bij blijft haar nachten verstoren en overheerst bijna al haar dromen. Haar ledematen voelen zwaar en haar hoofd is wazig. Ze heeft het gevoel vastgenageld te zijn aan haar bed en als het kon, zou ze eeuwig blijven liggen. Rustig draagt ze haar beide benen boven de lakens uit en plant ze die in de zachte stof van het tapijtje voor haar bed. “Goedemorgen”, M923 kijkt haar stralend en uitgeslapen aan. De grootte en de hoeveelheid van de kale plekken op het hoofd van M923 zijn toegenomen. De zwaartekracht kan de krullen niet genoeg naar zich toe trekken om al haar haarverlies te bedekken. Waardoor M1047 overdag verschiet wanneer ze tegen de achterkant van M923’s hoofd blijkt te spreken. Besproken haaruitval zal M923 niet beter doen voelen, dus M1047 denkt dat het verstandiger is om er niets van te zeggen. Er komt een leeftijd waarop veranderingen niet meer mogen choqueren, ook al verandert er iets heel snel. Zelf lijkt M1047 ook last te hebben van haaruitval. Het is minder opvallend dan bij haar kamergenoot, maar toch moet ze toegeven dat ze al enkele ochtenden wakker geprikt werd door kleine haartjes die op haar kussen lagen. En wanneer ze ’s ochtends haar haar kamt, voelt ze plekken boven haar hals en achter haar oren die minder begroeid zijn dan ze dacht. Frederik komt binnen. Ook hij ziet er vermoeid uit. Op zijn rug slingert een groene katoenen legerzak, net als diegene waar Anja twee weken geleden tegen had getrapt. “Wat doen jullie mensen hier nog? Het ontbijt is al vijf minuten bezig, maak dat je beneden staat!”. De kamergenoten trekken snel hun trui aan en slenteren met hun tengere benen de trap af naar de kantine, waar een afgekoeld bordje overgebakken havermout op hen te wachten staat. Wanneer ze in de namiddag terug op hun kamer komen, zijn de bedden opgemaakt. Samen schuiven M1047 en M923 hun stoelen voor het raam en kijken ze naar buiten. Op de binnenkoer worden breilessen gegeven. Maar aangezien de kamergenoten al heel de voormiddag anti-eenzaamheidtruien hebben gebreid, nemen ze pauze en kijken ze in rust mee. Door de wolken komt de zon boven en al streelt die hun gezichten, zien ze er beiden lelijk en versleten uit. De volledige zestiende nacht heeft M1047 uit angst niet geslapen. Ze heeft het gezien. Ze heeft alles gezien. De bij die haar elke nacht uit haar droom wakker maakte, kwam in grote gedaante langs en schraapte de haren van het achterhoofd van haar kamergenoot af. Frederik heeft een zoemende scheermachine en scheert de resterende haren van het hoofd van M923. De geknipte haren vallen openlijk in en rond het bed. Op het kussen, op het tapijtje en op het gezicht. Die haren verzamelt hij al kammend met zijn handen en legt ze in zijn grote groene katoenen legerzak. Nu is M923 helemaal kaal en bijgevolg waardeloos. M1047 durft niet meer te kijken. Ze sluit haar ogen, blijft zo stil mogelijk liggen en wacht in paniek haar beurt af. Wanneer Frederik boven haar hangt, ruikt ze zijn slaapzweet. Een koude rilling loopt over haar ruggengraat en nestelt zich in haar pijnlijke onderrug. Waarin haar hartslag als een drilboor een nagel lijkt te kloppen. Als een onderkoelde persoon ademt ze maar om de twee keer. Frederik haalt de bij boven en ze voelt hoe het dier zijn weg zoekt richting haar oor. Ze voelt het schrapen trillen tot in haar schedel. Ze hoort het zoemen tot achter haar ogen, die ze in alle macht gesloten probeert te houden zonder te knijpen. De tranen vormen zich in haar traanput. Ze hoopt dat het licht dat vanuit de spleet tussen de gordijnen naar binnen sijpelt haar niet verraadt. Ze hoort hoe Frederik de katoenen zak opentrekt en haar afgeschoren haren daarin achterlaat. Wanneer hij klaar is, trippelt hij richting de deur. Zijn geur verlaat M1047’s omgeving. Ze hoort zijn voetstappen voorbij de kamer komen, slingeren richting de trap en trippelen tot ze dof worden op de zolder. M1047 doet haar ogen open, haar onderrug voelt star en de ingehouden tranen lopen langs haar wangen haar kussen in. Ze draait haar hoofd en kijkt richting het bed dat tegen de andere muur van de kamer staat, op zoek naar de kale kruin die Frederik bij M923 heeft achtergelaten. Maar het bed is leeg. Op de zeventiende ochtend is de trap naar de zolder is stoffig. Vanaf het moment dat Frederik deze nacht haar kamer had verlaten heeft M1047 niet meer geslapen. Ze had de gordijnen open getrokken en haar stoel voor het raam gezet. Om zo, in de hoop haar systeem te kunnen kalmeren, naar de sterren te kijken. Wanneer ze deze ochtend Frederik weer op de binnenkoer naar het dak zag kijken, borrelde een duizelingwekkende afgunst in haar op, die haar het gevoel gaf dat ze moest overgeven. M1047 heeft daardoor deze ochtend niet ontbeten en had zich verstopt op het toilet naast de kantine. Het is de zeventiende dag waarop M1047 de doorgang naar de zolder stiekem betreedt. Boven haar lip vormt zich een snor van zweet en haar handen voelen klam. Ze is nerveus en oud en kan met moeite zichzelf nog naar boven heven. Haar handen en benen trillen wanneer ze de bovenste treden die de trap doen uitmonden in een grote kamer bereikt. Houten draagstructuren die als een wervelkolom het asiel rechtop houden imponeren zich boven haar met een licht resterende dons bedekte hoofdhuid. Ze ziet hoe de houten planken van het parket haar een weg leiden naar het einde van de kamer. Waar een houten deur de gigantische muur als een eenzaam erfstuk staat te sieren. Hoe dichter ze ernaartoe schuifelt, hoe boller de deur lijkt te staan. Alsof die met de lichtste streling van de klink helemaal open zou zwaaien. M1047 waagt het erop en met een knal vliegt de opening open. Krullende, steile, donkere, zwarte, bruine, blonde, rosse, ruwe en zachte haren zweven als een zwerm bijen van de torenhoge stapels uit het deurkozijn voor haar voeten neer. De dreun op de vloer zorgt voor een tegenbeweging en miljoenen haren zweven rond M1047 mee met de tocht die de opening van de deur met de rest van de kamer creëert. Omgeven door de restjes van duizenden levens, voelt Anja zich zelfs zonder haar anti-eenzaamtrui niet eenzaam of verloren meer.  

Tess Declercq
0 0

Want ik red

Wanneer een autootje waar kinderen in spelen door de lava wordt geduwd, dan zullen de banden smelten. Dan smelt de baby in de speelauto als deeg in de oven. De baby neemt de materie aan van klei die ik moet vasthouden, bijsturen, hervormen. Met mijn hand grijp ik de omvang van zijn veel te fragiele nekje om te voorkomen dat zijn hoofd verder in zijn lichaam smelt. Want smelten zal hij. En hij zal er eeuwig onder lijden. Dus ik vang zijn ledematen op en draai ze bij. De lava ons neemt ons beiden mee. Maar ik red. Wanneer mijn broer steeds naar een mysterieuze kamer verdwijnt. Daar waar computerschermen hem brainwashen tot een mechanisch bestaan. En niemand merkt op dat hij er lomer en lomer uitziet. Een beetje uitgerekt en zo ongelofelijk mager. Niemand merkt op hoe hij uren in de kamer verdwijnt wanneer het alarm afgaat. Maar deze keer zal ik meekomen. Deze keer trek ik hem weg. De kamer daar hij verdwijnt, waar hij bewusteloos in een stoel ligt, ligt hij vastgebonden te staren naar het computerscherm dat hem vertelt hoe hij ons moet verlaten. Maar geen zorgen, want ik red. Ik red ons allemaal. Wanneer de zombie meisjes met hun rode capes als onschuldige poppen in de berm liggen. Daar net tegenover de plaats waar mijn vriendinnen na het vluchten hun kamp opbouwen. De avond nadert en plots maken ze knarsende geluiden, ze lijken wel te ontwaken. En wanneer ze als vleesetende meisjes opstaan en aan zij die hun benen scheren beginnen knagen. Dan kom ik met maar één doel. Want ik red. Wanneer we verstoppertje spelen terwijl mama zich laat opereren. Verstop ik mij in de kast van de operatiekamer. Daar waar de dokters haar inslaap doen en ze met messen in haar lichaam beginnen snijden. Omdat ze haar schoonheid benijden? Daar zal ik haar dragen. Ik draag haar al ben ik maar acht of negen jaar. Al is ze voor mijn armpjes veel te zwaar. Ik zal haar redden. Wanneer zal mijn onderbewuste het mezelf vergeven dat ik papa niet redden kon. Wanneer zal ik stoppen met compenseren. Maar ik droom en droom en dat is al iets. Liever zulke dromen die ik overleef, als een situatie waar ik niet bang meer voor moet zijn. Dan niets.

Tess Declercq
0 0

Jij

De zolder staat op de gelijksgrond en de eerste verdieping bevindt zich op de derde. Wanneer je de lift naar de gevel neemt sla dan rechts af naar mijn kamer. Mijn kamer bevindt zich op een hele hoge straat. Waar iedereen die ooit bestaan heeft langskomt. Vanop mijn bed kan ik ze zien. Allemaal. En dan zie ik jou. Bel mij. Bel mij. Bel mij op. De zolder had drie kamers, elke vreemder dan de vorige. Maar dat hing natuurlijk af van de volgorde waarin jij ze betrad. De eerste kamer werd omvergegooid tot een soepbar. In de soep die ze serveren zitten de haren van meisjes waar jij ooit verliefd op was. Het is iedereen die ooit bestaan heeft die komt proeven of de haren nog dezelfde parfum dragen. En dan proef je mij. Proef mij. Proef mij. Proef mij. Jij. De rijen van planken die als kasten uit de muren steken hebben voor iedereen die ooit bestaan heeft een claustrofobisch doel. De tweede kamer is een bib waar de miniatuur beeldjes staan van meisjes waar jij ooit iets voor hebt gevoeld. De categorieën zijn terug te vinden in de runes gegraveerd in de randen van de kast. En dan zeg je. Zeg mij. Zeg mij. Zeg mij. Jij. Welke categorie ik daarvan was. Iedereen van heel de wereld staat plots versteld wanneer de laatste kamer voor hun ogen wegsmelt. Een derde kamer aan de gevel van een hele hoge straat, daar draai jij als enige naar rechts. De laatste kamer op de gelijksgrond. De laatste kamer hangt vol bedrukte lakens als gordijnen aan het plafond. En bedrukt op de lakens, daar sta jij. Zo ben je dicht. Dicht bij. Dicht bij mij.

Tess Declercq
7 0

Gesloten deuren

Zij leven in een huis vol gesloten deuren. Vol sleutels en sleutelgaten kleiner dan het oog van een naald. Draden vol geheimen. Nu vraag ik me af wat ze met hem gedaan heeft. Nu draag ik haat. En daar ben ik maar al te bewust van.   De kasten zijn groot en torenen boven mijn hoofd uit, de glazen ruiten geven het porselein weer van een vervlogen tijd. De tijd toen hier nog kennissen uitgenodigd werden. Nu niet meer. Nu zijn wij de enige. Er hangt stof in de lucht. De kamer is donker al is het middag. Het is er stoffig en ik hoest. We eten lasagne met room. Thuis eten we nooit room in onze lasagne. Mijn oma toont mij de computer en de stamboom van onze familie. Maar ik begrijp niet waarom ze contact schijnt te houden met mensen die ze nooit spreekt. Ik begrijp de geruststelling in het verbinden van namen niet. Ze verbindt ons met verre familie in de Verenigde Staten of Spanje. Een pionnetje. Een knoopje in de gestikte kleding. Een takje in de boom. De kasten zijn groot en torenen boven mijn hoofd uit. Alles is warm en overal valt er een hartslag te horen. Hoewel iedereen hier is voel ik me eenzaam. Het zullen herinneringen worden waarin ik alleen bij hen ben. Mijn zus en broer zitten in de zetel. Hun lichte huid en blauwe ogen schijnen in contrast met de donkere stof. De tv staat aan, te zacht. Ik vraag me af of zij zich er nog iets van zullen herinneren. Ik vraag me af waarom we nooit naar boven mogen gaan. De helft van het huis is voor mij onbekend. Het liefste ga ik naar het toilet om erachter te komen hoe ik bij die andere helft raak. De gang, door een kartonnen deur gescheiden van de keuken en woonkamer. Aan het ene einde zijn de toiletten koud. De tweede helft is koud. Aan het andere eind van de gang is er een plastieken deur met net, om de vliegen en beesten buiten te houden. Het net zit vol met gaten. Er staat ook een houten kastje. Dat vast vijfhonderd jaar oud is. De muren zijn behangen met blauwe bloemenprint. En de vloer bestaat uit donkeroranje tegels die lijken op de tegels in de toiletten op school. Het ruikt er muf. Wanneer ik de moed heb gevonden om de doorgang naar de tweede helft te openen. Een deur die verstopt staat naast de deur van de toiletten. Komt mijn oma uit de keuken de gang in. Haar greep is strak. ‘Kom, dessert’.   De blauwe auto waggelt. Ik kan de motor door mijn stoel heen voelen. De gordel snijdt in mijn nek. We zitten met drie op de achterbank. Ik ben de enige die geen kinderzitje meer moet. Papa zit aan het stuur, mama kijkt naar buiten. Mama probeert niet te laten merken hoe graag ze thuis wil zijn. Maar het sneeuwt. Plotseling. Frustratie vult de voorkant van de auto. Het lijkt erop dat we langer onderweg zullen zijn dan gepland. En voor wat? Papa zegt dat mama de volgende keren niet mee hoeft te komen en knijpt haar vluchtig in de knie. Er wordt altijd te veel verwacht. De terugrit als vaststelling van een teleurstellend bezoek, die dan ook nog verlengd wordt. Een walm overvalt me, en ik ben bang dat ik zal moeten kiezen. Maar ik hou zoveel van hen. Ik hou zoveel van hen en ik kan beginnen wenen. Het landschap veranderd in grijs. De avond valt als een doek over de horizon. De verlichtte huizen en straten als gaatjes in de nacht. Alles wat ons hoop gaf in de lente wordt bedekt met een laag witte sneeuw. Ik slik. Op de achterbank spelen we spelletjes. We zijn spionnen. De auto’s met de rode lampen snellen van ons weg. Het aangedampte raam kan veranderen in een bedieningspaneel. Uit de opties kies ik een bazooka, en ik zal ze neerschieten. Al die rode auto’s. Want ik zou niet willen dat er ooit iets met ons gebeurt. Ik draag liefde. Te veel en bakken ervan. En daar ben ik maar al te bewust van. Wanneer ik genoeg van heb van het spelen word ik boos op mijn zus. Want als ik wil stoppen moet iedereen stoppen. De auto is stil. De rit is lang. Mijn mama zegt dat ik mijn zus pijn doe met mijn woorden. Mijn mama zegt veel. Mijn mama zegt dat ik op mijn oma lijk.   De wind schuurt onze wangen rood. Gedoken in zelfgebreide sjaals en mutsen hobbelen we van de auto naar de voordeur. De sneeuw heeft zich ondertussen opgestapeld en komt tot aan mijn heupen. Papa’s vingers zijn te koud om de sleutels juist vast te houden en de deur open te doen. Mama doet de deur open. Mijn broer slaapt in haar armen. Ik probeer me de tijd te herinneren dat ik uit de auto gedragen werd. Maar herinner me weinig. Volgende keer dat we ergens van terugkomen zal ik doen alsof ik slaap. In de auto slapen wij nooit, mijn zus en ik. Er is een hele wereld om naar te kijken en zeker als er sneeuw valt. Mijn zus houdt van sneeuw, ik hou van mijn zus en voel me schuldig. Papa maakt mijn veters los en trekt mijn schoenen uit. Hij vindt dat het tijd wordt dat ik leer om dat zelf te doen. Hij zegt dat niet maar ik voel zijn mening in de manier waarop mijn schoenen uittrekken met een zucht gebeurt. Een zucht van een overbodige taak. Ik loop de trap op als een hond, op mijn handen en voeten. Mijn zus en ik delen een kamer. Ik ga op mijn bed liggen en wacht mijn nachtzoenen af.   Op school ben ik erg gelukkig. Ook al komen mijn twee beste vriendinnen niet overeen. Ze willen dat ik tussen hen kies. Maar ik zal niet kiezen. Tenslotte is dit mijn laatste jaar. Mijn laatste maanden. Mama en papa willen verhuizen. Het huis is te klein. In de opvang heb ik een andere vriendin, die ook Frans spreekt. We spreken Frans tegen elkaar. Louise heeft geen vrienden. Veel minder dan ik alleszins. Ik begrijp niet waarom. Ze zegt dat het komt omdat ze een plakker op haar oog moet dragen, onder haar bril. Ik kijk naar de plakker, er staat een prinses op. ‘Kan dat wat stiller daar?’. De juf van de opvang is dik. Wij mogen haar niet. Ze is bang dat we over haar spreken. Ze heeft gelijk, maar ze kan geen Frans. Wij mogen haar niet omdat ze je telkens maar één kleurplaat geeft die je niet mag kiezen. Vandaag heb ik geluk en mag ik een gelijkaardige prinses als die op de plakker van mijn vriendin inkleuren. Gisteren had ik Shrek. Omdat ik Shrek nog nooit gezien had en hem lelijk vond, wou Louise wel met mij ruilen. Ik begrijp niet waarom.

Tess Declercq
7 1

Chronische zandkastelen

Ik ben zestien wanneer ik het strand oploop. Ik bouw een zandkasteel waarbinnen het leven het mijne zal zijn. Want in overmate word ik continu teleurgesteld. En in eenzaamheid vind ik geen zelfrespect. In de duinen voel ik een frequentie dat elke cel van mijn bestaan ontspant. Haar ziel heeft een schoonheid dat haar lichaam niet dragen kan. Ik ben zeventien wanneer ik haar meeneem. Naar het kasteel van zand waarbinnen het leven het onze zal zijn. Het is de leeftijd waarop we met zekerheid niet meer veranderen zullen. Dus wij zingen en dansen tot wij onze persoonlijkheden onthullen. Tot wij de enige die ooit zagen zijn. Ik ben achttien wanneer ik er geshockeerd achter kom, dat niets minder waar blijkt. Dat mijn zandkasteel niet zo standvast is als een huis aan de zee. Want voor mij is het telkens binnenkomen, maar haar lichaam laat haar nooit buiten meer. Ik ben negentien wanneer zij me vraagt of ik in het lot geloof. Ik antwoord dat iedereen de les die hij uit een ervaring trekt als het lot aanschouwd. Zij zegt dat het lot ligt in de les die ze moeten leren. Ik zal twintig zijn wanneer ik mijn ogen sluit en weet dat ik nooit nog iemand anders nodig heb. In het zandkasteel waar we slapen, wanneer de duinen muziek maken. In ons leven waar ik me schuldig voel over een lichamelijkheid dat niet te vatten valt. Wat zijn wij met deze schoonheid als mijn taal dit niet uitdrukken zal? Ik zal eenentwintig zijn wanneer ik me niet eenzaam meer voel. Ik zal tweeëntwintig zijn wanneer zij mijn zandkasteel verlaat. 

Tess Declercq
10 0

De lama van Engeland

Met mededogen moet ik jullie meedelen dat ook de koningin van Engeland geraakt is. Een schot in de roos. Een schot in hun hart. Nooit worden er nog pantoffels gedragen in het paleis. Ronde hakschoenen staan aan de rand van hun bed. De tweeling. En nog maar zeven jaar oud. Landverraad is wanneer men mijn hoofd afhakt. Ik kan ze niet helpen. Ik kan Hare Majesteit niet helpen. Ik mag niet helpen. Dus ik leg de hakschoenen ochtend na ochtend naast hun bed. En ochtend na ochtend verkleed ik de lama’s. Toen de koning gestorven was, kon Hare Majestueuze Mathilda dit niet verdragen. En het paleis is leeg geweest voor maanden. Zij was Hare Mathilde gaan bezoeken in Frankrijk. Hare zuster. Mathilde heeft het haar altijd gewild; zij was het oudere overgebleven vlees. Het vlees dat ze lama’s voeden. Mathilde en Mathilda. De ‘a’ komt nu eenmaal eerder in het alfabet voor. Maar nu Hare Koning de grond ingeduwd is, kon Mathilde het haar niet meer willen. Dus werd Ze uitgenodigd en ontvangen. Frankrijk, niet het land van de olijfbomen. Niet het land van de appelsienen of de laurieren. Maar dat kon men niet zien in de grote tuin van Mathilde. Die haar dagen doorbracht rondwandelend in haar moestuin en haar serre. Haar bedienden commanderend. ‘U zult dit plantje afstoffen. ‘U zult de olijfboom planten’. Mathilde draagt zijden handschoenen. Mathilde kan dus niet zelf in haar tuin werken. De plafonds zijn hoog en de zon schijnt door het glas door de bladen de serres groen. Mathilde is geen koningin en heeft Mathilda er altijd om gewild. Maar hare Koning is gestorven. Dus zal ze Mathilda ontvangen en een laurierboom in Zijne naam planten. ‘Wat een imposante laurierboom’, zal haar zuster zeggen als ze aankomt. ‘Wat een fanatieke lama’s’, zal haar zuster zeggen als ze de lama’s rondom de boom ziet grazen. De lama’s en de boom staan in de serre. De serre heeft een hoog plafond en aangezien de planten niet allemaal opake bladeren hebben, zorgt de zon dat er overal groen licht schiet. En dat is prachtig. En dat vindt Mathilda natuurlijk ook. We zullen er geen doeken om winden. De koning was een lelijke man. Met schaapachtige rossen krullen die doorgleden langs Zijne bakkebaarden tot aan Zijne kin. Zijne lip was naar boven geplakt. Door een fout gespijkerde nagel in zijn kindertijd? Mathilde wist op wat hij leek. En zij liet het grazen naast Zijne imposante nagedachtenis. ‘Wat een fanatieke lama’s’, dat is wat Mathilda zegt. En dat is het enige wat ze nog zal herhalen gedurende haar verblijf. Na de eerste week kon men Hare Majesteit niet meer van de laurierboom wegkrijgen. Na de tweede week vroeg Hare Majesteit een kom water voor op haar kamer. Na de derde week vroeg de tweeling achter hun moeder. Na de vierde week vertelde ik dat Ze bijna terugkomen zou. Na de vijfde week werden er hopen hooi aan het lege paleis afgeleverd. De zesde week. De koningin van Engeland keert weder. Ze verschiet wanneer ze haar dochters ziet. Is de Majestueuze haar kinderen vergeten? ‘Wie heeft zulke kruipers binnengelaten in ons paleis?’, gilt ze mijn oor streng toe. “Kruipers”. ‘Uw dochters zijn zeven geworden deze week, Uwe Majesteit’. Haar blik verstart: ‘Kunt u me uitleggen hoe een lama voor mensendochters zou zorgen?’. Week zeven. Ook Hare Majesteit is geraakt. Want ik moet schuilen in het paleis waar ik opgegroeid ben. Ik moet schuilen en neem Hare dochters onder mijn vleugels. Dan doen we opgezette dieren na. Dan vluchten we de hallen door. Die niet stil het geluid van onze snellende hoeven verspreiden. Acht. Geeft u mij acht weken om terug te draaien en ik vertel het u. Want de lama’s verspreiden zich in de tuin. En hoe de krullen in de Hare’s haren exponentieel toenemen. En als de mensendochters ontwaken en hooi toegeschoven krijgen, ben ik degene die vluchten moet. Die hun aankleden en vliegen moet. Maar zelfs in de keuken is er niets anders dan hooi meer te verkrijgen. 9. Ze willen mijn hoofd. Ik zie er te mens uit. ‘BENT u LAMA OF NIET!?’, huilt de koningin uit. ‘ZIJN HET LAMA’S OF NIET?!’. Ze wijst haar dochters toe. ‘Het zijn geen lama’s, Uwe Majesteit’. ‘U bent geen lama, Uwe Majesteit’. Ze willen mijn hoofd. Ik spreek te mens.

Tess Declercq
8 0

Accepteren

Zes jaar, dat is één derde van mijn leven. En al bijna één derde leef ik zonder papa. Eenzaamheid voel je niet in de weken na zijn vertrek, maar in de maanden en jaren die volgen, wanneer je realiseert dat hij niet terugkomen zal. En hij zal niet terugkomen. En ik zal hem nooit meer zien. Dat is moeilijk om te zeggen, omdat ik daar zelf niet in wil geloven. Maar ik kan de dingen niet naar mijn hand zetten, enkel omdat ik wou dat ze anders waren. Als ik in het hiernamaals geloofde dan zou ik tegen de hogere macht spreken. Wat ik voor lange tijd heb gedaan. Maar het werkte niet, omdat ik niet in haar geloof. Als een kat je kat niet is moet ze niet verwachten dat je haar voedt. Met een beetje moeite zou ik opnieuw geloven, zoals ik mezelf met een beetje moeite een atheïst noem. En daar is niets mis mee. Ik moet me dan ook niet slecht voelen, dat ik zogenaamd het contact met mijn papa verbreek door te geloven dat ik hem niet meer zal zien. Want ik voel en zie hem overal. In muziek en anderen die ik ontmoet. Soms zie ik hem op straat of is hij mee op vakantie. Dan kijk ik eens goed, en blijkt het iemand anders te zijn. Dan denk ik dat hij een spelletje met mij speelt. En dat hij blijft bestaan in de herkenning die ik in de wereld vind. Hij is daar, wanneer ik hem wil zien. Enkel hij-zelf is er niet meer. Hij IS niet meer. Murakami zegt dat het geen kwestie is van leven of dood. Ik dacht over de dood, tegenover het leven, als iets toevalligs. Alsof het toevallig was dat papa zelfmoord gepleegd heeft en het evengoed de volgende had kunnen zijn. Maar alles om me heen bloeit uit pure toeval. Terwijl zijn dood altijd al een zekerheid is geweest. En dat stelt me gerust. Dat hij in zekerheid’s handen zit. ‘Vandaag sterven is net zo goed als eender welke volgende dag’. Ik wil zijn pijn niet kennen. Ik hoop dat zijn vertrek mijn pijn waard was. Ik vroeg hem of hij spijt had. Maar hij was niet meer.

Tess Declercq
8 1