Tess Declercq

Teksten

Jij

De zolder staat op de gelijksgrond en de eerste verdieping bevindt zich op de derde. Wanneer je de lift naar de gevel neemt sla dan rechts af naar mijn kamer. Mijn kamer bevindt zich op een hele hoge straat. Waar iedereen die ooit bestaan heeft langskomt. Vanop mijn bed kan ik ze zien. Allemaal. En dan zie ik jou. Bel mij. Bel mij. Bel mij op. De zolder had drie kamers, elke vreemder dan de vorige. Maar dat hing natuurlijk af van de volgorde waarin jij ze betrad. De eerste kamer werd omvergegooid tot een soepbar. In de soep die ze serveren zitten de haren van meisjes waar jij ooit verliefd op was. Het is iedereen die ooit bestaan heeft die komt proeven of de haren nog dezelfde parfum dragen. En dan proef je mij. Proef mij. Proef mij. Proef mij. Jij. De rijen van planken die als kasten uit de muren steken hebben voor iedereen die ooit bestaan heeft een claustrofobisch doel. De tweede kamer is een bib waar de miniatuur beeldjes staan van meisjes waar jij ooit iets voor hebt gevoeld. De categorieën zijn terug te vinden in de runes gegraveerd in de randen van de kast. En dan zeg je. Zeg mij. Zeg mij. Zeg mij. Jij. Welke categorie ik daarvan was. Iedereen van heel de wereld staat plots versteld wanneer de laatste kamer voor hun ogen wegsmelt. Een derde kamer aan de gevel van een hele hoge straat, daar draai jij als enige naar rechts. De laatste kamer op de gelijksgrond. De laatste kamer hangt vol bedrukte lakens als gordijnen aan het plafond. En bedrukt op de lakens, daar sta jij. Zo ben je dicht. Dicht bij. Dicht bij mij.

Tess Declercq
7 0

Gesloten deuren

Zij leven in een huis vol gesloten deuren. Vol sleutels en sleutelgaten kleiner dan het oog van een naald. Draden vol geheimen. Nu vraag ik me af wat ze met hem gedaan heeft. Nu draag ik haat. En daar ben ik maar al te bewust van.   De kasten zijn groot en torenen boven mijn hoofd uit, de glazen ruiten geven het porselein weer van een vervlogen tijd. De tijd toen hier nog kennissen uitgenodigd werden. Nu niet meer. Nu zijn wij de enige. Er hangt stof in de lucht. De kamer is donker al is het middag. Het is er stoffig en ik hoest. We eten lasagne met room. Thuis eten we nooit room in onze lasagne. Mijn oma toont mij de computer en de stamboom van onze familie. Maar ik begrijp niet waarom ze contact schijnt te houden met mensen die ze nooit spreekt. Ik begrijp de geruststelling in het verbinden van namen niet. Ze verbindt ons met verre familie in de Verenigde Staten of Spanje. Een pionnetje. Een knoopje in de gestikte kleding. Een takje in de boom. De kasten zijn groot en torenen boven mijn hoofd uit. Alles is warm en overal valt er een hartslag te horen. Hoewel iedereen hier is voel ik me eenzaam. Het zullen herinneringen worden waarin ik alleen bij hen ben. Mijn zus en broer zitten in de zetel. Hun lichte huid en blauwe ogen schijnen in contrast met de donkere stof. De tv staat aan, te zacht. Ik vraag me af of zij zich er nog iets van zullen herinneren. Ik vraag me af waarom we nooit naar boven mogen gaan. De helft van het huis is voor mij onbekend. Het liefste ga ik naar het toilet om erachter te komen hoe ik bij die andere helft raak. De gang, door een kartonnen deur gescheiden van de keuken en woonkamer. Aan het ene einde zijn de toiletten koud. De tweede helft is koud. Aan het andere eind van de gang is er een plastieken deur met net, om de vliegen en beesten buiten te houden. Het net zit vol met gaten. Er staat ook een houten kastje. Dat vast vijfhonderd jaar oud is. De muren zijn behangen met blauwe bloemenprint. En de vloer bestaat uit donkeroranje tegels die lijken op de tegels in de toiletten op school. Het ruikt er muf. Wanneer ik de moed heb gevonden om de doorgang naar de tweede helft te openen. Een deur die verstopt staat naast de deur van de toiletten. Komt mijn oma uit de keuken de gang in. Haar greep is strak. ‘Kom, dessert’.   De blauwe auto waggelt. Ik kan de motor door mijn stoel heen voelen. De gordel snijdt in mijn nek. We zitten met drie op de achterbank. Ik ben de enige die geen kinderzitje meer moet. Papa zit aan het stuur, mama kijkt naar buiten. Mama probeert niet te laten merken hoe graag ze thuis wil zijn. Maar het sneeuwt. Plotseling. Frustratie vult de voorkant van de auto. Het lijkt erop dat we langer onderweg zullen zijn dan gepland. En voor wat? Papa zegt dat mama de volgende keren niet mee hoeft te komen en knijpt haar vluchtig in de knie. Er wordt altijd te veel verwacht. De terugrit als vaststelling van een teleurstellend bezoek, die dan ook nog verlengd wordt. Een walm overvalt me, en ik ben bang dat ik zal moeten kiezen. Maar ik hou zoveel van hen. Ik hou zoveel van hen en ik kan beginnen wenen. Het landschap veranderd in grijs. De avond valt als een doek over de horizon. De verlichtte huizen en straten als gaatjes in de nacht. Alles wat ons hoop gaf in de lente wordt bedekt met een laag witte sneeuw. Ik slik. Op de achterbank spelen we spelletjes. We zijn spionnen. De auto’s met de rode lampen snellen van ons weg. Het aangedampte raam kan veranderen in een bedieningspaneel. Uit de opties kies ik een bazooka, en ik zal ze neerschieten. Al die rode auto’s. Want ik zou niet willen dat er ooit iets met ons gebeurt. Ik draag liefde. Te veel en bakken ervan. En daar ben ik maar al te bewust van. Wanneer ik genoeg van heb van het spelen word ik boos op mijn zus. Want als ik wil stoppen moet iedereen stoppen. De auto is stil. De rit is lang. Mijn mama zegt dat ik mijn zus pijn doe met mijn woorden. Mijn mama zegt veel. Mijn mama zegt dat ik op mijn oma lijk.   De wind schuurt onze wangen rood. Gedoken in zelfgebreide sjaals en mutsen hobbelen we van de auto naar de voordeur. De sneeuw heeft zich ondertussen opgestapeld en komt tot aan mijn heupen. Papa’s vingers zijn te koud om de sleutels juist vast te houden en de deur open te doen. Mama doet de deur open. Mijn broer slaapt in haar armen. Ik probeer me de tijd te herinneren dat ik uit de auto gedragen werd. Maar herinner me weinig. Volgende keer dat we ergens van terugkomen zal ik doen alsof ik slaap. In de auto slapen wij nooit, mijn zus en ik. Er is een hele wereld om naar te kijken en zeker als er sneeuw valt. Mijn zus houdt van sneeuw, ik hou van mijn zus en voel me schuldig. Papa maakt mijn veters los en trekt mijn schoenen uit. Hij vindt dat het tijd wordt dat ik leer om dat zelf te doen. Hij zegt dat niet maar ik voel zijn mening in de manier waarop mijn schoenen uittrekken met een zucht gebeurt. Een zucht van een overbodige taak. Ik loop de trap op als een hond, op mijn handen en voeten. Mijn zus en ik delen een kamer. Ik ga op mijn bed liggen en wacht mijn nachtzoenen af.   Op school ben ik erg gelukkig. Ook al komen mijn twee beste vriendinnen niet overeen. Ze willen dat ik tussen hen kies. Maar ik zal niet kiezen. Tenslotte is dit mijn laatste jaar. Mijn laatste maanden. Mama en papa willen verhuizen. Het huis is te klein. In de opvang heb ik een andere vriendin, die ook Frans spreekt. We spreken Frans tegen elkaar. Louise heeft geen vrienden. Veel minder dan ik alleszins. Ik begrijp niet waarom. Ze zegt dat het komt omdat ze een plakker op haar oog moet dragen, onder haar bril. Ik kijk naar de plakker, er staat een prinses op. ‘Kan dat wat stiller daar?’. De juf van de opvang is dik. Wij mogen haar niet. Ze is bang dat we over haar spreken. Ze heeft gelijk, maar ze kan geen Frans. Wij mogen haar niet omdat ze je telkens maar één kleurplaat geeft die je niet mag kiezen. Vandaag heb ik geluk en mag ik een gelijkaardige prinses als die op de plakker van mijn vriendin inkleuren. Gisteren had ik Shrek. Omdat ik Shrek nog nooit gezien had en hem lelijk vond, wou Louise wel met mij ruilen. Ik begrijp niet waarom.

Tess Declercq
7 1

Chronische zandkastelen

Ik ben zestien wanneer ik het strand oploop. Ik bouw een zandkasteel waarbinnen het leven het mijne zal zijn. Want in overmate word ik continu teleurgesteld. En in eenzaamheid vind ik geen zelfrespect. In de duinen voel ik een frequentie dat elke cel van mijn bestaan ontspant. Haar ziel heeft een schoonheid dat haar lichaam niet dragen kan. Ik ben zeventien wanneer ik haar meeneem. Naar het kasteel van zand waarbinnen het leven het onze zal zijn. Het is de leeftijd waarop we met zekerheid niet meer veranderen zullen. Dus wij zingen en dansen tot wij onze persoonlijkheden onthullen. Tot wij de enige die ooit zagen zijn. Ik ben achttien wanneer ik er geshockeerd achter kom, dat niets minder waar blijkt. Dat mijn zandkasteel niet zo standvast is als een huis aan de zee. Want voor mij is het telkens binnenkomen, maar haar lichaam laat haar nooit buiten meer. Ik ben negentien wanneer zij me vraagt of ik in het lot geloof. Ik antwoord dat iedereen de les die hij uit een ervaring trekt als het lot aanschouwd. Zij zegt dat het lot ligt in de les die ze moeten leren. Ik zal twintig zijn wanneer ik mijn ogen sluit en weet dat ik nooit nog iemand anders nodig heb. In het zandkasteel waar we slapen, wanneer de duinen muziek maken. In ons leven waar ik me schuldig voel over een lichamelijkheid dat niet te vatten valt. Wat zijn wij met deze schoonheid als mijn taal dit niet uitdrukken zal? Ik zal eenentwintig zijn wanneer ik me niet eenzaam meer voel. Ik zal tweeëntwintig zijn wanneer zij mijn zandkasteel verlaat. 

Tess Declercq
10 0

De lama van Engeland

Met mededogen moet ik jullie meedelen dat ook de koningin van Engeland geraakt is. Een schot in de roos. Een schot in hun hart. Nooit worden er nog pantoffels gedragen in het paleis. Ronde hakschoenen staan aan de rand van hun bed. De tweeling. En nog maar zeven jaar oud. Landverraad is wanneer men mijn hoofd afhakt. Ik kan ze niet helpen. Ik kan Hare Majesteit niet helpen. Ik mag niet helpen. Dus ik leg de hakschoenen ochtend na ochtend naast hun bed. En ochtend na ochtend verkleed ik de lama’s. Toen de koning gestorven was, kon Hare Majestueuze Mathilda dit niet verdragen. En het paleis is leeg geweest voor maanden. Zij was Hare Mathilde gaan bezoeken in Frankrijk. Hare zuster. Mathilde heeft het haar altijd gewild; zij was het oudere overgebleven vlees. Het vlees dat ze lama’s voeden. Mathilde en Mathilda. De ‘a’ komt nu eenmaal eerder in het alfabet voor. Maar nu Hare Koning de grond ingeduwd is, kon Mathilde het haar niet meer willen. Dus werd Ze uitgenodigd en ontvangen. Frankrijk, niet het land van de olijfbomen. Niet het land van de appelsienen of de laurieren. Maar dat kon men niet zien in de grote tuin van Mathilde. Die haar dagen doorbracht rondwandelend in haar moestuin en haar serre. Haar bedienden commanderend. ‘U zult dit plantje afstoffen. ‘U zult de olijfboom planten’. Mathilde draagt zijden handschoenen. Mathilde kan dus niet zelf in haar tuin werken. De plafonds zijn hoog en de zon schijnt door het glas door de bladen de serres groen. Mathilde is geen koningin en heeft Mathilda er altijd om gewild. Maar hare Koning is gestorven. Dus zal ze Mathilda ontvangen en een laurierboom in Zijne naam planten. ‘Wat een imposante laurierboom’, zal haar zuster zeggen als ze aankomt. ‘Wat een fanatieke lama’s’, zal haar zuster zeggen als ze de lama’s rondom de boom ziet grazen. De lama’s en de boom staan in de serre. De serre heeft een hoog plafond en aangezien de planten niet allemaal opake bladeren hebben, zorgt de zon dat er overal groen licht schiet. En dat is prachtig. En dat vindt Mathilda natuurlijk ook. We zullen er geen doeken om winden. De koning was een lelijke man. Met schaapachtige rossen krullen die doorgleden langs Zijne bakkebaarden tot aan Zijne kin. Zijne lip was naar boven geplakt. Door een fout gespijkerde nagel in zijn kindertijd? Mathilde wist op wat hij leek. En zij liet het grazen naast Zijne imposante nagedachtenis. ‘Wat een fanatieke lama’s’, dat is wat Mathilda zegt. En dat is het enige wat ze nog zal herhalen gedurende haar verblijf. Na de eerste week kon men Hare Majesteit niet meer van de laurierboom wegkrijgen. Na de tweede week vroeg Hare Majesteit een kom water voor op haar kamer. Na de derde week vroeg de tweeling achter hun moeder. Na de vierde week vertelde ik dat Ze bijna terugkomen zou. Na de vijfde week werden er hopen hooi aan het lege paleis afgeleverd. De zesde week. De koningin van Engeland keert weder. Ze verschiet wanneer ze haar dochters ziet. Is de Majestueuze haar kinderen vergeten? ‘Wie heeft zulke kruipers binnengelaten in ons paleis?’, gilt ze mijn oor streng toe. “Kruipers”. ‘Uw dochters zijn zeven geworden deze week, Uwe Majesteit’. Haar blik verstart: ‘Kunt u me uitleggen hoe een lama voor mensendochters zou zorgen?’. Week zeven. Ook Hare Majesteit is geraakt. Want ik moet schuilen in het paleis waar ik opgegroeid ben. Ik moet schuilen en neem Hare dochters onder mijn vleugels. Dan doen we opgezette dieren na. Dan vluchten we de hallen door. Die niet stil het geluid van onze snellende hoeven verspreiden. Acht. Geeft u mij acht weken om terug te draaien en ik vertel het u. Want de lama’s verspreiden zich in de tuin. En hoe de krullen in de Hare’s haren exponentieel toenemen. En als de mensendochters ontwaken en hooi toegeschoven krijgen, ben ik degene die vluchten moet. Die hun aankleden en vliegen moet. Maar zelfs in de keuken is er niets anders dan hooi meer te verkrijgen. 9. Ze willen mijn hoofd. Ik zie er te mens uit. ‘BENT u LAMA OF NIET!?’, huilt de koningin uit. ‘ZIJN HET LAMA’S OF NIET?!’. Ze wijst haar dochters toe. ‘Het zijn geen lama’s, Uwe Majesteit’. ‘U bent geen lama, Uwe Majesteit’. Ze willen mijn hoofd. Ik spreek te mens.

Tess Declercq
8 0

Accepteren

Zes jaar, dat is één derde van mijn leven. En al bijna één derde leef ik zonder papa. Eenzaamheid voel je niet in de weken na zijn vertrek, maar in de maanden en jaren die volgen, wanneer je realiseert dat hij niet terugkomen zal. En hij zal niet terugkomen. En ik zal hem nooit meer zien. Dat is moeilijk om te zeggen, omdat ik daar zelf niet in wil geloven. Maar ik kan de dingen niet naar mijn hand zetten, enkel omdat ik wou dat ze anders waren. Als ik in het hiernamaals geloofde dan zou ik tegen de hogere macht spreken. Wat ik voor lange tijd heb gedaan. Maar het werkte niet, omdat ik niet in haar geloof. Als een kat je kat niet is moet ze niet verwachten dat je haar voedt. Met een beetje moeite zou ik opnieuw geloven, zoals ik mezelf met een beetje moeite een atheïst noem. En daar is niets mis mee. Ik moet me dan ook niet slecht voelen, dat ik zogenaamd het contact met mijn papa verbreek door te geloven dat ik hem niet meer zal zien. Want ik voel en zie hem overal. In muziek en anderen die ik ontmoet. Soms zie ik hem op straat of is hij mee op vakantie. Dan kijk ik eens goed, en blijkt het iemand anders te zijn. Dan denk ik dat hij een spelletje met mij speelt. En dat hij blijft bestaan in de herkenning die ik in de wereld vind. Hij is daar, wanneer ik hem wil zien. Enkel hij-zelf is er niet meer. Hij IS niet meer. Murakami zegt dat het geen kwestie is van leven of dood. Ik dacht over de dood, tegenover het leven, als iets toevalligs. Alsof het toevallig was dat papa zelfmoord gepleegd heeft en het evengoed de volgende had kunnen zijn. Maar alles om me heen bloeit uit pure toeval. Terwijl zijn dood altijd al een zekerheid is geweest. En dat stelt me gerust. Dat hij in zekerheid’s handen zit. ‘Vandaag sterven is net zo goed als eender welke volgende dag’. Ik wil zijn pijn niet kennen. Ik hoop dat zijn vertrek mijn pijn waard was. Ik vroeg hem of hij spijt had. Maar hij was niet meer.

Tess Declercq
8 1