Atlas staat bij ons in het park
veroordeeld tot zijn spiegelbeeld
in het zwarte water
Ik ren cirkels om hem heen
probeer mezelf in te halen
gedachten te knopen
die de dag heeft los-
gemaakt. Ze verschuilen zich hier
ergens achter een struik,
in het riet
op de bodem van de vijver
Ik leen zijn bronzen longen
en drink de vijver leeg
De bodem ruikt naar verf
naar vroeger en vergeten
In het slijk zit een luik
daaronder is het stiller
donkerder, aardser, killer
Boven passeert een onweer
Onder nieuw licht ren ik opnieuw
Aan zijn voetstuk
ligt nu de wereld

