Over Lennart Vanstaen

Lennart Vanstaen studeerde Nederlands en Theater, film- en literatuurwetenschappen. Hij doceert Nederlands als tweede taal in Antwerpen en presteert overuren als vader van twee kinderen. Hij schrijft de wereld van zich af op zijn blog en af en toe ontsnapt hem een gedicht. Met Pieter Van Den Brande schreef hij onder de naam Flabberghast twee theaterstukken en publiceerde hij de verhalenbundel De comeback van de pompbak in eigen beheer. Hij publiceerde o.a. bij Elders Literair, Papieren Helden, De Schaal van Dighter, Verzin, Aanlegplaats en Het Gezeefde Gedicht en was ook al te gast op het podium van de Dinsdagclub, Sprekende Ezels en Ballonnenvrees. Momenteel schrijft hij de laatste zin van zijn debuutroman en werkt hij aan een briefproject met Flabberghast.

Opleiding

Taal- en letterkunde Nederlands - Theater-, film- en literatuurwetenschappen (UA)

Publicaties

Publicaties:

  • 2010   Publicatie Had ik geweten in 1001 Liefdes, uitgegeven door Creatief Schrijven - poëzie
  • 2011   De Comeback van de Pompbak (eigen beheer) onder Flabberghast - proza, poëzie
  • 2015   Prins 6 – een fantastische omweg naar avontuur (eigen beheer, theater) onder                                 Flabberghast - regie, co-auteur
  • 2015   De Comeback van de Pompbak, 2e nauwelijks herziene druk (eigen beheer) onder                       Flabberghast - proza, poëzie
  • 2016   Met opgeheven hoofd – memoires van Agens Onzea door haar kleinzoon (eigen beheer) – biografie / non-fictie
  • 2018   De rustdag van Franky en Melchior, maar toch vooral van Franky (eigen beheer) onder                       Flabberghast - regie / co-auteur
  • 2021   Officiële toetreding tot Aanlegplaats, plaats voor literaire blogs (o.l.v. Dirk Van Boxem & Jo Komkommer) – proza
  • 2023   Publicatie Tijd om naar binnen te keren Elders Literair – proza
  • 2023   Publicatie Van voorbijgaande aard Het Gezeefde Gedicht – poëzie
  • 2024   Publicatie Reünies en ruïnes (maart) op Elders Literair – proza
  • 2024   Publicatie Aanscheid (maart) op Elders Literair – proza
  • 2024   Interview + gastvisser Aanlegplaats (augustus)
  • 2024   Publicatie Afspiegelingen in VERZIN - bespreking door Vitalski (oktober) – proza
  • 2025   Publicatie Tijdelijk thuis in Stockholm op neerlandistiek.nl – column
  • 2025   Publicatie Man met lanyard in Papieren Helden – proza
  • 2026   Publicatie Eiland op De Schaal van Dighter – proza
  • TBA     (Mijn eerste roman)

Prijzen

Prijzen:

  • 2010  Juryprijs mooiste gedicht Had ik geweten (Jeugd & Poëzie) - poëzie
  • 2010  Eervolle vermelding voor De pelgrimstocht (De Gouden Meeuw) onder Flabberghast – proza
  • 2018  Prijs Beste Opkomende Talent (Fameus/OpenDoek) voor De rustdag van Franky en Melchior, maar toch vooral van Franky onder Flabberghast 

Erkenning:

  • 2021   Vangst van de week (maart) Het is honderd of drie euro, wat kies je op Aanlegplaats door Jo Komkommer - proza
  • 2021   Vangst van de week (december) Stranden in Marchienne-au-Pont op Aanlegplaats door Jo Komkommer - proza
  • 2022   Longlist Verhalenwedstrijd Tijd om naar binnen te keren (Elders Literair) – proza
  • 2022   Vangst van de week (juli) Tijd om naar binnen te keren op Aanlegplaats door Gert Brouns - proza
  • 2023   Vangst van de week (mei) Een façade, die achtergevel op Aanlegplaats door Katrien Scheir – proza
  • 2023   Tip van de week (november) Van voorbijgaande aard op Azertyfactor door Vanessa Daniëls – poëzie
  • 2024   Tip van de week (januari) Ik wil een kind zijn op Azertyfactor door Petit Jean – poëzie
  • 2024   Tip van de week (februari) Het leven in rood, geel en blauw op Azertyfactor door Harold Polis - proza
  • 2024   Vangst van de week (april) Aywaille op Aanlegplaats door Marjon Meijer – proza
  • 2024   Vangst van de week (mei) Oud ijzer, koper, loodzware job op Aanlegplaats door Jo Komkommer – proza
  • 2024   Longlist Verhaal van de maand (oktober) - proza
  • 2024   Tip van de week (november) Samen oud op Azertyfactor door Jan Ducheyne - proza
  • 2024   Vangst van de week (december) Samen oud op Azertyfactor door Jo Komkommer - proza
  • 2025   Tip van de week (februari) Eiland op Azertyfactor door Tim Thomaes – proza
  • 2025   Tip van de week (mei) Man met lanyard op Azertyfactor door Gijsje Kooter – proza
  • 2025   Vangst van de week (juni) Oud/jong op Aanlegplaats door Marjon Meijer - proza

Teksten

De papieren man

Ik moest nog snel wat schoolmateriaal gaan kopen, zodat mijn zoon na de les Plastische Opvoeding met een tekening kon thuiskomen in plaats van een aantekening. Het ging om tekenpapier en een kaft. Mijn vrouw had me de details doorgestuurd in een berichtje en ook waar ik deze spullen zou vinden: in de Schleiper, een winkel in de Joodse wijk. Ik was nog nooit in deze winkel geweest, maar toen ik zag waar de gps me liet stoppen, besefte ik dat ik er natuurlijk al talloze keren voorbij was gereden. Ik zette mijn fiets tegen de gevel en maakte hem met een dik slot vast aan de tralie van een kelderraam, dat op een kier stond. Even bleef ik staan. Er steeg een rotte lucht op, oud stof en zure melk. De wind speelde met de vuilwitte resten van wat ooit gordijnen waren. Ik keek nieuwsgierig en met weerzin naar binnen, maar ik kon in de duisternis daarbinnen niets herkennen waar mijn reeds op hol geslagen fantasie een kluif aan had. De ingang was aan de achterkant. Met mijn telefoon in de hand wilde ik iemand aanspreken zodat ik snel kon vinden wat ik zocht: een blok tekenpapier van het merk Steinbach, 270 x 360 mm, gewicht: 250 gram, en een tekenkaft van 28 x 38 cm. Er stond een oude dame aan de kassa die kennelijk hardhorig was en vermoedelijk om die reden haar vriendin had meegenomen. De jongeman achter de kassa stelde een vraag over hun aankoop, maar beide dames reageerden niet. Hij herhaalde wat hij zei, luider, waarop de vriendin nu wel iets had opgepikt, maar opnieuw vroeg wat hij had gezegd. ‘WILT U EEN TASJE MISSCHIEN?’ riep de jongen uit volle borst, toch nog zijn gezicht in de plooi houdend om beleefd te blijven. Daarna herhaalde het tafereel zich tussen de hardhorige dame en haar nog harderhorige vriendin. Een andere medewerker kwam me verlossen en vroeg wat ze voor me kon betekenen. Ik toonde haar wat ik zocht en ze sprak op omineuze wijze: ‘U zal zich hiervoor naar de kelder moeten begeven’. De kelder? Waar dat vieze gordijntje hing? Ik liep in de richting die ze had aangewezen. ‘U zult op het einde van de gang een trap naar beneden zien, achter de hoek.’ Ik rekende erop binnen tien minuten weer buiten te zijn, maar ik vertraagde onderweg naar de trap mijn pas bij het zien van al dat knutsel- en tekengerief. Links en rechts van mij smeekten kalligrafiepennen, scratch art en Japanse aquarelverf om door mij gekocht te worden. Opeens wilde ik een atelier bezitten en de hele dag schilderen en tekenen. Toen ik eindelijk bij de hoek was, zag ik de trap. Per trede die ik afdaalde, klonken de geluiden van de winkel steeds gedempter en werd de geur van onbeschreven papier steeds sterker. Ik kwam in een grote ruimte die ingedeeld was in verschillende gangen. Ik moest om een of andere reden aan een kleine universiteitsbibliotheek denken. Aan de overkant zat een man, verscholen achter een opvallend laag bureau. Hij boog zich wat voorover om me te kunnen zien, maar werd gehinderd door de kasten tussen ons in. Toen ik naderbij kwam, keek hij me aan. Eindelijk is er iemand, moet hij gedacht hebben. ‘Het is hier wel heel rustig hé’, sprak ik onbevangen, tezelfdertijd bedenkend dat ik in zijn situatie altijd muziek zou opzetten. ‘Ja, meestal is het hier wel kalmer dan boven‘. Hij sprak dat laatste woord uit alsof er twee dimensies bestonden. Hij vroeg wat ik nodig had en ik toonde hem mijn screenshot. Hij wreef verlekkerd in zijn handen: hij wist waar alles stond. Ondertussen zocht ik naar dat griezelige raampje maar kon het niet vinden. Toen hij me heel gezwind de kaft en het papier had overhandigd, bedankte ik hem en vond het een beetje sneu dat ik hem nu niets meer kon vragen. Het gebrek aan een radio maakte de stilte tussen ons niet draaglijker. ‘Soms is het hier heel druk hoor!’ zei hij. Ik knikte gretig en maakte aanstalten om te vertrekken. Hij zei: ‘Misschien tot nog eens hé’. Ik wist niet goed of ik hem een hand moest geven.

Lennart Vanstaen
0 0

Serendipiteit in de kelder

Ik heb het altijd al gehad: wanneer er gewerkt wordt in mijn directe omgeving, word ook ik door die werkmicrobe gebeten. Daarom schrijf ik graag in volle cafés en koffiebars, waar mensen aan hun laptop zitten of een interessante conversatie hebben over wilde plannen. Toen ik gisteren dus met volle overgave en zonder pauze de kelder was aan het opruimen, had ik dat voornamelijk te danken aan het feit dat heden mijn dak wordt gerenoveerd. En ook wel een beetje omdat de kinderen naar Disneyland zijn met de grootouders. Ik wilde net schrijven 'Ken je dat? Je had tien jaar geleden een plan met een kamer en een hoop spullen maar er is nog steeds niets aan veranderd', maar ik dacht, wat als mijn lezers dat niet kennen? Dan ontmasker ik mezelf als schaamteloze huiseigenaar die al tien jaar niets aan zijn kelder heeft gedaan. En dat zou ook niet waar zijn. Het punt is dat ik al snel merkte dat ik rommel van de ene plek naar de andere bracht. Dat is niet opruimen, dat is rommel verplaatsen. Wanneer ik verzamelingen oude rugzakken, reisspullen, tekeningen, cd’s en hopen schoolmateriaal van de slaapkamers in de bureau had gezet, gaf me dat een euforisch gevoel. Eindelijk! Een jaar later zag ik de staat van de bureau en werd er depressief van. Dus maakte ik de omgekeerde beweging. Zo verplaatsen spullen zich telkens. Van slaapkamers naar bureau, van woonkamer naar keuken of berging en weer terug. Een verdieping lager gebeurt hetzelfde: van het keldergedeelte naar de garage, of van de garage naar het tuinkot en dan een tijd later weer naar de kelder. En het was daar dat ik gisteren was aan het zweten. Goedgeluimd en gesteund door de opzwepende ritmes van Halcyon Digest van Deerhunter, had ik al behoorlijk wat werk verzet. Bouwafval zoals stenen en halve buizen had ik vooraan gezet om de volgende dag naar het containerpark te brengen. Voor tuinmateriaal zoals tuingaas, allerlei plantenpotjes en spades voorzag ik een aparte plek. Maar het leukste aan opruimen, zeker na een lange tijd, is dat je dingen terugvindt. Zo vond ik naast tientallen spinnen ook een plat bordeaux schaaltje dat uitstekend kon dienen als asbak voor mijn rokende vrienden die ik vaak een geïmproviseerd exemplaar moet geven. Ik vond ook enkele cd’s van een handboek Nederlands voor anderstaligen uit 2019 en honderden geplastificeerde didactische kaarten met overdreven emoties (bang, moe, triest), de delen van een Vlaamse woning met verdacht veel kamers (de berging, het balkon, de tuin, de garage, het terras, de kelder, de zolder, de woonkamer, de eetkamer…) en de ongelooflijke variëteit aan activiteiten van de Belg (opa leest een krant, moeder strijkt de was, Jan speelt voetbal). Toen ik de barbecue aan het afstoffen was – ik was ook helemaal vergeten dat ik er een had want we barbecueën nooit – vond ik een verkleurd papier onder het deksel. ‘Bedankt voor je bestelling, Gilbert Vanstaen, we gaan meteen voor jou aan de slag!’ Is het toeval dat ik dit vond net na wat ik enkele dagen geleden heb geschreven? Volgende week doen we barbecue.

Lennart Vanstaen
1 0

Mr. Bean en ik

Plots verscheen Mr. Bean op de Deense hotel-tv. In koor riepen mijn kinderen enthousiast zijn naam. Alsof je in een ver, vreemd land opeens een stuk Belgische chocolade ziet liggen in de rekken van een lokale krantenboer. Wanneer de aflevering uit was, klonk de droevige eindgeneriek. Dat pakt me altijd. Dan word ik meteen naar mijn jeugd gekatapulteerd, op de bruinleren divan van mijn grootvaders villa in ’s-Gravenwezel. Mijn grootvader was een man van vele talenten. Hij had lang voor ESSO gewerkt en voer als kapitein zijn hele leven naar Afrika op grote schepen. In zijn typische jaren ‘70 villa hingen dan ook allerlei maritieme parafernalia, zoals zonnewijzers, scheepsknopen, kompassen en uiteraard foto’s van zijn schip, De Mercator. Hij mocht daar gretig over vertellen, maar deed ook uit de doeken hoe kwik in een thermometer werkte of hoe je eigenhandig een binnenzwembad graaft. Het maakte niet uit wat het was, ik wilde graag alles begrijpen. We gingen niet vaak op bezoek, een aantal keer per jaar. Ik herinner me vrijwel nooit slecht weer, dus ik vermoed dat we vaker in de lente of zomer gingen. Wat ik als kind leuk vond, was dat onze bezoekjes in ’s-Gravenwezel altijd op dezelfde manier verliepen. Wanneer we arriveerden, stonden dezelfde hapjes klaar: kaasblokjes met mosterd, mini-uitjes en augurkjes, kerstomaatjes, schijfjes chorizo, druppelpaprika en natuurlijk kaviaar. Eerst dronk ik cola of ice-tea, later champagne. Na deze amuse-bouche stak hij plichtsbewust de barbecue aan, waarnaar veel aandacht uitging. Wat valt er nu telkens weer te zeggen over hete kolen, dacht ik. Later vermoedde ik dat het een ijsbreker vormde tussen hem en zijn zoon. Als de barbecue eenmaal op gang was, en wij waren uitgevoetbald, stonden we al als katten aan de glazen deur van het zwembadhuis te krabben, dat achteraan in de tuin stond. Daarbij moest en zou mijn grootvader ons eerst informeren over de water- en omgevingstemperatuur, die hij in het woonhuis kon aflezen. Rond 16u gingen we aan tafel. Ik vond dat vreemd. ‘Opa eet gewoon vroeger, omdat hij vroeger gaat slapen en vroeger opstaat. Veel oudere mensen doen dat zo. Elke ochtend om 6u zwemt hij voor het ontbijt’, zei mijn moeder.   Er volgde steevast ijs met fruit (vanille of mokka) waarna de volwassen mensen nog wat zouden napraten bij de koffie. Soms gingen we weer voetballen, maar vaker vroegen we om tv te kijken. ‘Deze keer moet jij het vragen’. Een van ons drie trok aan het kortste eind. Wie verloor, durfde ook wel eens zeggen: Lennart wil iets vragen, opa.’ Op Ketnet was er op dat uur meestal niets meer te zien dat mijn jongste broer ook leuk vond. Daarom vroegen we om een film. Maar opa had geen tekenfilms, alleen Mr. Bean. ‘Ken je dat niet? Dat is heel grappig.’ Mijn moeder gaf haar goedkeuring. Al snel werd het me duidelijk dat Mr. Bean ook vaak niet leek te begrijpen hoe de zaken in elkaar zaten. Routine en voorspelbaarheid gaven hem houvast. Hij dacht over de dingen na op een andere manier. Hij deed niet zomaar wat iedereen deed. Ik vond dat inspirerend, of hoopgevend. Ook al lachte iedereen hem uit. Over de begin- en eindgeneriek (een soort zoeklicht schijnt vanuit de hemel op een verlaten straat in Londen en een seconde later valt Mr. Bean als een afgedankte alien uit een UFO), had ik toen veel vragen. ‘Mr. Bean is een alien, iemand van een andere planeet’, verklaarde mijn moeder. Iemand van een andere planeet. Dat zeiden mijn ouders ook wel eens tegen mij. Mensen vroegen of ik soms van een andere planeet kwam wanneer ik weer eens iets vreemds deed. Sindsdien heb ik te doen met Mr. Bean. Maar het engelengezang brengt troost. Ook al zingen ze letterlijk: ‘Hier is de man, die een boon is.’

Lennart Vanstaen
0 0

Paddentrek

Er zijn niet veel momenten waarop ik mijn gedachten kan uitschakelen. Zeker niet nu. Door een licht ontvlambare wereld heb ik het gevoel constant aan te staan. Dingen gebeuren niet langzaam maar onmiddellijk. Niet ergens, maar overal tegelijk. Ze bouwen niet op of werken zelden ergens naartoe. Ze vallen aan en prikken in je hoofd, steken in je hart en kruipen onder je huid. Toch zijn er ook momenten die me toelaten even helemaal niets te denken. Ergens in mijn lichaam zit een knop waar ik me niet van bewust ben. En gelukkig is er iemand die er af en toe op drukt. Ik fietste van mijn werk naar huis en trapte zoals gewoonlijk stevig door, ook al was er op de terugweg niet echt een reden voor. Het was al behoorlijk donker en alles en iedereen die me passeerde deed dat met een overdosis licht en geluid. Elk licht was verblindend. Ik was bijna thuis, ik moest alleen nog een stukje door het Rivierenhof. Aan de ingang stond een bordje dat ik later erg dankbaar was. Er stond: Pas op! Paddentrek. Pas je snelheid aan! Omdat ik een brave burger ben, vertraag ik. Op hetzelfde moment springt mijn verdacht pientere Spotify op een heel rustig neo-klassiek stuk: Even out (+) van Stars of the Lid. Alles vertraagt. In mijn gedachten, die een hele dag van hot naar her hebben gespurt, beginnen zich zachte beelden te vormen. Als een schilderij dat langzaam vorm krijgt, of handen die een draaiende klomp klei tot een vaas boetseren. Stress over oorlog, stijgende gasprijzen, woekerende klimop in mijn tuin, nakende examens en overvolle weekschema’s verdwijnen en maken plaats voor schoonheid. Ik zie mezelf in andere dimensies, terwijl ik trager fiets dan ik zou wandelen. Met een kop dampende thee zit ik in de zetel naast mijn vrouw. We kijken naar Stargåte SG1. Ik wandel door de sneeuw, die kraakt onder mijn schoenen. De hemel strooit gulzig met witte vlokjes zodat het mijn zicht op het bevroren meer een stukje belemmert. Ik ben op een eiland in Stockholm, helemaal alleen. Ik fiets de laatste bocht in. Nu zie ik mezelf met mijn dochter. We wandelen naar school. Zou ik mee naar boven mogen? Meestal wil ze dat niet, want ze is groot nu. Ze neemt mijn hand, en ik besef dat ze dat onbewust doet. Ondertussen ben ik het park uit. Ik sta voor het rode licht. Ik beweeg zachtjes heen en weer, alsof ik op een bootje in zee dobber. Maar er staat geen wind. Het is de tijd die me doet wankelen.

Lennart Vanstaen
4 0

Vind je ikigai!

Nadat de verbouwingswerken aan onze achtergevel eindelijk achter de rug zijn, hebben onze buren het plan opgevat hun voorgevel te renoveren en dat zorgt wel voor een flinke dosis frustratie en lawaai. Omdat ik vaak van thuis uit werk aan cursusmateriaal, neem ik dan ook liever mijn toevlucht tot rustiger oorden, waar ik niet met voorhamers of drilboren om de oren word geslagen. Vandaag heb ik echter een onderbroken dag. Ik moet mijn zoon rond half elf van school halen, met hem naar Borsbeek fietsen voor een afspraak bij de orthodontist en hem dan weer terugbrengen. Hij had al bedisseld dat hij met mij zou lunchen en dat ik hem pas daarna zou afzetten aan de schoolpoort. Hij wilde even rust. Daar kan ik alleen maar begrip voor opbrengen.In de wachtzaal heb ik een uur tijd om wat te werken, dus ik klap mijn laptop open en begin te werken terwijl ik wacht tot mijn zoon klaar is. Naast me zit nog een andere man, vermoedelijk ook een wachtende vader, maar hij moet geen cursusmateriaal maken. Wat hij wel doet weet ik niet, maar het zorgt voor een irritant ping-geluidje om de halve minuut. Wanneer ik na enkele pings subtiel naar hem kijk, heeft hij de boodschap gelukkig begrepen. Vijf minuten later komt zijn zoon beneden en ze lopen het gebouw uit. Eindelijk rust, denk ik. Ik heb mijn vingers nog maar net op het klavier gezet of er waait een lawaai binnen. Het klinkt als een half dozijn bladblazers, die de gevel van de wachtkamer komen stofzuigen, maar het voelt zwaarder, de tegelvloer onder mijn voeten dreunt. Tegelijkertijd, alsof de trillingen van buiten ervoor verantwoordelijk zijn, begint de frisdrankautomaat die enkele meters verder staat ook een zoemend geluid af te geven. Schuin boven mij aan de muur hangt een rek vol magazines. Evi Hanssen lacht me toe. ‘Soms wil ik even helemaal niets’, zegt ze. Boven haar hoofd staat in het groot ‘Vind je ikigai’. Het boekje belooft tien tips om die gemakkelijk te vinden. Heel even twijfel ik om het magazine uit het rek te nemen, maar ik hoor dat mijn zoon klaar is. Ik heb geen idee wat een ikigai is of hoe het eruitziet, maar ik vermoed dat je het alleen in Limburg aantreft. Zeker niet in Deurne of Borsbeek.

Lennart Vanstaen
20 2

U hebt Europeïsme

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
3 0

TRAMDROMEN

De zon is al onder wanneer ik op de tram zit naar huis na een lange dag in Amsterdam. Van zo’n dag moet ik altijd even recupereren. Dat lukt soms wonderwel op een tram, al zou je dat misschien niet meteen zeggen. Zeker rond een uur of negen zit tram 10 – die naam en faam heeft van de drukst bezette tramlijn in Antwerpen – tjokvol. Het observeren van mensen onder de impuls van neoklassieke muziek is kalmerend. De kunst bestaat erin net op tijd weg te kijken wanneer mensen door hebben dat je hen observeert. Maar dat lukt niet altijd, zeker niet wanneer je moe bent. Zo zit er een oudere, zwarte man, die eruitziet alsof hij geen plek heeft om te slapen. Terwijl ik fantaseer over hoe hem dat overkomen is, kijkt hij recht in mijn ogen. Het enige wat ik dan kan doen is glimlachen. Gelukkig doet hij precies hetzelfde. Plots vraag ik me af: hoe zou hij mij zien? Een oud koppel kijkt betekenisvol naar een stel jongeren dat nogal rumoerig is. Zij fluistert iets in zijn behaarde oor. Dan kruisen onze blikken, ik zit aan hun overzijde. De vrouw merkt dat ik haar heb zien fluisteren. Lacht ze omdat ze kleur heeft bekend en ik getuige ben? Lacht ze omdat ze in mij – een witte cis-man – een soortgenoot meent te herkennen die het lawaai van vreemdelingen ook afkeurt? Nee. Ze heeft in het oor van haar trouwe metgezel gefluisterd: weet je nog toen wij jong waren, Albert? En dat wij de kusttram onveilig maakten? Vier giechelende meiden bezetten samen drie stoelen. Ze kijken kennelijk naar hilarische filmpjes op één telefoon. Twee ervan delen oortjes. Plots kijkt het meisje zonder oortje naar mij. Ze aarzelt, maar gunt me toch een subtiele glimlach en kijkt meteen weer naar het kleine schermpje. Ze doet me denken aan een leerling die ooit in mijn OKAN-klas zat. Zou ze weten dat ik heb lesgegeven aan een meisje van haar leeftijd, kleur en stijl? Zij was vijftien en vertelde me na de les dat ze zwanger was. Ik mocht het niet vertellen aan de klas. Een vrouw neemt haar huilende baby uit de kinderwagen om hem stil te krijgen. Haar man leert hun kleuter om zich vast te houden als de tram rijdt. ‘We zijn bijna thuis, Lotte’ zegt hij wanneer het kind geeuwt. Lotte kijkt me aan. Ze trekt aan de broek van haar papa en vraagt iets. Misschien vindt ze mijn hoofdtelefoon fascinerend. Of wil ze weten wat ik schrijf of teken in dat kleine boekje. Haar vader en ik wisselen een blik uit. Mijn ogen vertellen hem dat ik ook een vader ben. De zijne begrijpen dat. Naast me kan ik door de aanzwellende strijkers van A Winged Victory for the Sullen een enthousiast gesprek horen in het Arabisch. Het is een gesprek tussen twee mannen – ik vermoed een vader en zijn tienerzoon. De vader animeert zijn woorden met vele handgebaren en ik begrijp dat het over voetbal gaat. Hij gebruikt het raam als voetbalveld om tactieken uit de doeken te doen. Misschien is hij wel een trainer. Of heeft hij zelfs de Afghaanse nationale ploeg gecoacht op een WK. Zijn zoon merkt dat ik kijk naar hoe zijn vader spelers uitbeeldt met zijn vingers. Moet hij zich schamen? Snel steek ik mijn duim op, ik hou ook van voetbal, maak ik hem duidelijk. Venneborglaan, mijn halte. In een koele avondbries wandel ik nog een stukje naar huis. Björk zingt I see who you are now. Op de tram was ik vandaag leraar, vader en voetballiefhebber. Maar vooral mens.

Lennart Vanstaen
3 2

Vossenhol

De chauffeur stopte de bus midden op de expresweg.  Mensen keken naar buiten om zich te vergewissen van een nieuwe bushalte. De jonge moeder werd nog agressiever aangekeken omdat het gekrijs van haar baby nu niet meer gedeeltelijk opging in het zachte gebrom van de motor. Jongeren die de hele rit al luide muziek afspeelden achteraan legden elkaar het zwijgen op. Een oudere man die verlekkerd leek op drama probeerde een glimp op te vangen van wat er zich voor de bestuurder afspeelde. Achter de bus steeg een concert van claxons op. De bus rook naar zweet, parfum en het stof van zetels. Met een nonchalant gebaar tikte de chauffeur zijn beide richtingsaanwijzers aan, opende de voorste deuren en stapte uit. De zon prikte op zijn huid. Hij stak zonder de bus nog een blik waardig te gunnen de weg over en liep het bos in. Het gebonk op de ramen en gedempt geroep waren geluiden van een verleden. Hij liep in een rechte lijn, dwars door het aanpalende bos, dat voornamelijk uit naaldbomen bestond. Het geluid van claxons werd beetje per beetje opgeslokt door stilte en geluiden van kwetterende vogels. Even bleef zijn voet hangen in wat hij dacht dat een vossen- of dassenhol was. Hij ging plat op zijn buik liggen en duwde zijn gezicht in het hol. Hij snoof diep in. Ja, dit is de perfecte plek, dacht hij.  Hij begon de knopen van zijn witte hemd los te maken. De goudkleurige dienstpenning nam hij eruit en legde hem apart. Dan deed hij zijn lederen schoenen uit. Hij ontdeed zich van de donkerblauwe broek en grijze sokken. Alleen zijn onderbroek hield hij aan. De kleren legde hij op een bed van mos. Zweet parelde van zijn voorhoofd en slaap.  Hij ging opnieuw liggen vlak voor het hol en begon te graven. Wanneer de opening breed genoeg was, wurmde hij zijn lichaam in het hol. Daarna was het stil. Een ekster daalde neer en vloog weer weg met de gouden penning.

Lennart Vanstaen
14 2

Een vrouw

Een vrouw. Ze staat er. Ze valt en staat weer op. Ze valt op. Een eigenzinnige vrouw. Een vrouw met handen in de aarde en haar hoofd in de lucht. Een vrije vrouw.Een vrouw met donkere ogen en een verlichte geest.Een tache de beauté, vlak bij haar neus. Ze heeft een boek onder haar arm. Ze is een boek van een vrouw, dat je niet gelezen krijgt. Een stijlvolle vrouw, zonder stijl. Een eeuwige vrouw. Zonder trends. Een vrouw die laarzen draagt, enkel om er regels aan te lappen. Een vrouw die op de lappen gaat. En die alles afzweert. Een vrouw die weet, van wanten en planten. Een volle vrouw. Een vrouw die geen blad voor de mond neemt. Rad van tong. Met daarop haar hart. Een vrouw die kiest. Een vrouw die zich niet laat kennen. Die zich laat verwennen. Die verwent. Een verwende vrouw. Een vrouw die spreekt. Een vrouw die veelzeggend zwijgt. Staalhard. Die je het zwijgen oplegt. Een vrouw die je de mond snoert. Een snoerende vrouw, die zich niet laat insnoeren. Een snoevende vrouw. Een stoere vrouw. Een vrouw die smacht en smeekt, siddert en beeft. Voor zichzelf. Die zich overgeeft, aan zichzelf. Een vrouw die niet van ophouden weet. Geen vrouw bij de vleet. Een vrouw van vol vlees. Die geurt naar kruiden en buiten.Een vrouw die leeft. Die kansen gretig grijpt. Die oogst wat je haar geeft. Een straffe vrouw. Een vrouw die straft. Een vrouw met straffe stoten, een vrouw met kloten. Een vrouw die tegen een stoot kan. Een vrouw die het hard te verduren krijgt. Een vrouw die wordt aangeraakt. Een vrouw die slikt maar niet vergeet. Een wilde vrouw. Een wulpse en weldadige vrouw. Wildevrouw. Een weergaloze vrouw. Een oervrouw die de oerkreet uit. Die het uitschreeuwt van pijn of genot. Dat maakt niet uit. Een vrouw die de weg toont, een vrouw die je weg tovert. Van het pad gaat.Een vrouw die durft drinken, durft stinken. Een vrouw die bedwelmt. Een vrouw die zalft en geneest. Planten leest.Een vrouw die zorgt en zoogt. Een vrouw die poogt. Probeert en faalt en opnieuw probeert. Die opbokst. Ze wikt en weegt. Ze pleegt. Ze doet, ze onderneemt. Een gevaarlijke vrouw. Een slimme vrouw. Een sluwe vrouw. Een wereldse vrouw, een vrouw van de wereld. Een vrouw waar geen sleutel op past. Een vrouw als een bloem. Als een eenogige kat.Een onomwonden vrouw. Een wonde van een vrouw. Een wonder van een vrouw. naar aanleiding van het debat tussen Soundos en Bart Schols, gebaseerd op De wonderen van Jeroen Olyslaegers

Lennart Vanstaen
15 0

Een Nooteboom in de winter

Beste heer Nooteboom, Al enkele keren heb ik mezelf betrapt op de gedachte. Dat je* er niet meer was. Af en toe verscheen je in mijn nieuws van de dag of gesprek aan de tafel, en telkens dacht ik: je bent weeral ouder. Hetzelfde gevoel bekruipt me soms met andere helden zoals Kees Van Kooten en Toon Tellegen. Ik had het je gegund 100 te worden, met zulke mooie nullen. Maar die eeuwige slaap, waar je zelf dichterlijk leek naar te verlangen bij momenten, kon niet uitblijven. Met weemoed denk ik terug aan de masterthesis die ik over jouw poëzie (vanaf 1982) heb geschreven. Die vele uren in de bibliotheek van de UA. Aan de correspondentie met de heer Rennenberg, wiens werk ik wilde voortzetten. Hij had het in zijn onderzoek over een labyrint, en hoe je er telkens tevergeefs uit wilde ontsnappen. Hij had het over de tijd en de dood in je gedichten. En over de weg naar boven, die hij ‘ascentionalisme’ doopte. Hoewel ik niet de grootste onderscheiding kreeg voor mijn eigen werk, ben ik nog steeds trots op en overtuigd van mijn kleine bijdrage: je spiritualiteit en de gnosis in je poëzie (waar ook Claus en vooral Mulisch zich mee inlieten) als ultieme ontsnapping. Ik hoop dat je jezelf uiteindelijk hebt gevonden. Dat je nu op een van die talloze geliefde plekken bent. In Duitsland of Spanje wellicht. Of misschien zit je nu wel op de Koude Berg, in China. Eindelijk dicht bij jezelf. ‘Van het begin af was Koude Berg mijn woningZwervend tussen de heuvels, ver van het rumoer.Weg, en duizend dingen laten geen spoor na.Los, en alles stroomt langs oneindig veel sterren.Geen ding, en toch staat het voor me.Nu ken ik de parel van het Boeddha-wezenEn ken zijn gebruik: grenzeloos en volmaakt enzo rond als een nul.’ Ik zou nog zoveel kunnen schrijven, maar ik laat mezelf nu hier achter. En wel met mijn lievelingsgedicht van jou. Rust zacht, Cees Nooteboom. Trinidad Dit ben ik vaak geweest:een man op een landweg,een man in een vliegtuig,een man met een vrouw. En dit ben ik vaak geweest:een man die zich onder een steenwou verbergenom geen licht meer te zien. Deze twee mannen,ze dragen mijn koffers,ze lezen mijn kranten,ze verdienen mijn brood. Samen trekken wedoor het geluid en de lucht van de wereldop zoek naar het onzichtbare standbeeldwaar ze alledrie opstaanin de gedaante van één.*Eerst wilde ik je met u aanschrijven uit respect, maar ik kies toch voor een jij. Als er iets is wat ik je wil geven, is het nabijheid.  

Lennart Vanstaen
11 4

Kamer in Oostende

‘Ik ben hier mijn hart verloren,’ zeg je. Ik knik bevestigend. Als jij dat niet had gezegd, dan had ik het gedaan enkele seconden later. ‘Spreek je dan over twee jaar geleden, De Letterie?’ Ja, dat deed je. Het is hier, in Oostende, waar we elkaar leerden kennen, samen met een tiental andere beginnende en gevorderde schrijvers tijdens een tiendaagse schrijfbootcamp van De Letterie. ‘Dat was echt een magische tijd,’ voeg je er nog aan toe. ‘Vooral ook een magische plek,’ zeg ik. We wandelen langs de kust en je wil graag even helemaal tot aan de zee gaan. Je vertelt zoals altijd honderduit, over van alles en nog wat, en het is allemaal boeiend en soms bijna niet te geloven. ‘Hoe is het met je boek?’ vraag ik tijdens een zeldzame stilte. Je lacht. ‘Heb je een uurtje of twee?’ Nu is het mijn beurt om te lachen, want opnieuw zou ik hetzelfde kunnen antwoorden. Toch doe je het relaas van de voorbije twee jaar, met je blik letterlijk en figuurlijk op oneindig. ‘Ik heb een knop omgedraaid, helemaal opnieuw begonnen.’ We naderen het golvende water, dat zich mengt met je woorden. ‘Onlangs ben ik blootvoets van dat oude huis daar,’ — je wijst naar een prachtige villa uit 1885, Villa Maritza, een van de laatst overgebleven belle-époquewoningen aan de kust — ‘helemaal tot in de zee gewandeld. Zo ben ik een halfuur blijven staan. Het was pikdonker.’ ‘Was dat niet koud?’ ‘Bèrekoud’. We hebben het over eenzaamheid, politiek, de definitie van mannelijkheid, sektes, sociaal engagement, vriendschap, schrijven, boeken en Oostende. En ook over zeehonden — en vooral hun verrassende afwezigheid, waardoor we dan maar genoegen nemen met een loslopende hond-aan-zee. ‘Eigenlijk ben ik wel eenzaam,’ zeg je plots. Je zegt het alsof je het al lang geleden hebt geaccepteerd. Hoewel dat voor mij niet als een totale verrassing in de oren klinkt, is het toch gek om dat te horen van iemand die extreem sociaal en extravert is. Je komt werkelijk overal en iedereen lijkt jou te kennen. ‘Alles hangt aan elkaar,’ zeg je. En ik denk: daar zorg je zelf mee voor. We lopen tot aan de grote bronzen zeeschelp op de strekdam en keren terug om ergens te gaan lunchen. Ik had Oode voorgesteld, het leek me wel gezellig. ‘Vind je het goed om eerst even langs De Witte Zee te gaan?’ Natuurlijk vind ik dat goed, al moet ik mezelf altijd forceren er niet buiten te lopen met een stapel boeken terwijl ik er nog genoeg heb om te lezen. Je moet voor een leesclub Moet dwalen van Charlotte Mutsaers lezen. Een vreemde titel, en ik bedenk dat die voor mij perfect bij Oostende past. Oostende noopt als het ware tot dwalen. We lopen binnen bij De Witte Zee. En ook hier is het steeds van moeten dwalen: dwalen door de eerste pagina’s van verschillende romans. In mijn handen groeit organisch een stapel boeken: Stefan Zweig, eentje van Koen Peeters dat ik moet lezen van mijn vrouw (zie titel van deze blog), het heruitgegeven debuut van Lara Taveirne en Aline, het nieuwe boek van Heleen Debruyne. ‘Heb je deze al gelezen?’ Je streelt over de rug van Alkibiades. ‘Zoiets is niet aan mij besteed,’ geef ik toe. Niet door de inhoud, wel door de omvang. Ik kan zeker lijvige boeken lezen, maar niet vol namen en data, dan raakt mijn brein oververhit. Je blijkt hetzelfde te hebben, want je hebt het audioboek beluisterd. ‘Elke dag heb ik geluisterd, weet je hoelang dat heeft geduurd? Een maand!’ Over elk boek dat ik vastneem, kan je iets vertellen en ik ben onder de indruk van je kennis en overgave. In die mate zelfs dat ik wat overprikkeld ben en alle boeken die ik vasthield weer in de kast zet. Samen met Moet dwalen leg je nog een klein boekje op de toonbank, getiteld Technologie is politiek van Paola Verhaert, iemand die je natuurlijk al hebt ontmoet. ‘Het lag hier op jou te wachten,’ lacht Eva. Het is het laatste exemplaar en ietsje beschadigd, je krijgt het mee voor vijf euro. Gulzig strooi je met woorden en verhalen op de weg naar onze lunchplek, en ik hang aan je lippen. Je hebt dan ook zoveel te vertellen, de talloze knotsgekke situaties waarin je verzeild raakt spreken tot de verbeelding. Je hebt het over iets uit de psychologie. ‘Ik vergelijk die theorie altijd met Star Wars: er zijn mensen die hun energie gebruiken om anderen te manipuleren en vooral aan zichzelf denken (the dark side) en dan is er ook de andere kant, de kant van het licht. Zij gebruiken hun energie om anderen te helpen, om hen te laten uitstijgen boven zichzelf. Ik weet dat jij dat laatste doet, maar het mooie is dat je ook boven jezelf uitstijgt. Twee vliegen in één klap. We nemen afscheid, zodat jij nog naar een optreden in Kortrijk kan treinen. Dat je nog energie over hebt, verbaast me niets, maar mijn lepeltjes zijn op. Ik kijk ernaar uit om me terug te trekken in mijn tijdelijke kamer in Oostende bij de geweldige Maaike en Emmanuel, waar ik de volgende dag geheel onverwacht nog aan de ontbijttafel beland met niemand minder dan Heleen Debruyne, in het gezelschap van haar zoon Hermes en vriend Frank D’Hanis, die net als ik lesgeeft en wiens kritische teksten ik al lang bewonder. Het wordt een interessante en gezellige ochtend. Had ik dat boek maar gekocht, zeker omdat Aline op de longlist staat van de Libris Literatuurprijs. Ach ja, ik zal spoedig terugkeren naar Oostende, met het boek dan. Die middag wil ik nog een stukje verder schrijven aan een kortverhaal, maar alle indrukken van het voorbije weekend wringen zich eerst uit mijn pen. Ik neem ze mee naar Antwerpen, samen met een dosis zeelucht en inspiratie. Oostende, tot gauw. Hier een foto van een verdwaalde zeehond.  

Lennart Vanstaen
135 3

De tandartspraktijk en zijn onvaste muren

'Eindelijk, we zijn er,' zeg ik, terwijl ik afstap en de longtailfiets het voetpad opduw. 'We moeten nummer 278 hebben en hier is het... 272', mompel ik meer tegen mezelf dan tegen mijn dochter, die achteraan op de fiets zit en haar allereerste gaatje in een melktand moet laten vullen. Omdat mijn dochter redelijk verkleumd is na deze lange fietstocht van Deurne naar Ekeren, probeer ik voort te maken, tot ik merk dat nummer 274 een of andere brede fabriek blijkt te zijn: 'Oké, toch nog een klein stukje verder...' Zij valt me in de rede: 'Dat ís de tandarts, papa!' Ik parkeer de fiets en zie er een gelijkaardig model staan. 'Zie je, er zijn nog mensen die hiernaartoe komen met de fiets!' Haar ogen bliksemen me neer en met haar recent ontwikkeld cynisme antwoordt ze dat die mensen waarschijnlijk twee straten verder wonen. Acht jaar, maar ik durf haar niet tegenspreken. Ook wanneer ik binnentreed in dit gigantisch pand lijkt dit meer op het hoofdkwartier van MI5 dan op een tandartspraktijk. Een centraal gelegen balie met drie medewerkers en twee keer zoveel schermen vormt één grote vide. De hele ruimte lijkt wel te zijn uitgehold, zoals je bij een appel het klokhuis verwijdert met een appelboor. Daarrond bevinden zich meerdere wachtkamers en toiletten, en ook de praktijkruimtes zijn overal verspreid, te herkennen aan deuren van ondoorzichtig glas. Een grote stalen trap leidt naar de ruimtes boven, waarvan ik niet kan bevroeden waarvoor die dienen. 'Meneer? U mag plaatsnemen in de wachtkamer.' Recht tegenover de balie zit een tiental mensen te wachten. Er staat een koffieapparaat en gefilterd water. We kiezen de kleinere wachtkamer aan de linkerkant, die nog altijd drie keer zo groot is als elke kamer waar ik al heb gewacht. Achteraan staat wat speelgoed en op een tafel liggen er strips. De overstaande muur bestaat uit een doorkijkhaard die zicht geeft op de andere wachtruimte. Overal ligt parket. Mijn dochter zet zich in een uit de kluiten gewassen hoekzetel en neemt een Suske & Wiske. We zijn een half uur te vroeg — niet mijn gewoonte, wel mijn plan — want ik heb veel werk te doen. Ik haal een koffie en begin te werken. Dan pas, tijdens een mijmering over hoe ik de theorie wil formuleren over het modale werkwoord 'hoeven', kijk ik uit het raam. Mijn blik wordt ernaartoe gezogen. Het lijkt wel een schilderij van een Hollandse landschapsschilder uit de Gouden Eeuw. Achter het grote raam ontvouwt zich een majestueus heuvelig landschap, met in het midden een halfbevroren vijver, waarover een kleine houten brug plooit. Aan de linkerkant vertrekt een kiezelweg die slingert door het kleine landgoed. Hier en daar wiegt het riet langs de waterkant en de felle winterzon doet het water glinsteren. Enkele vogels vliegen over. Het is er zo vredig. Té vredig. Ik kijk nu al een tijd naar hoe die vogels telkens exact dezelfde bewegingen maken. Hoe langer ik naar de vijver kijk, hoe meer ik verlang er ver vandaan te blijven. Wanneer ik mijn blik even niet op het water concentreer, lijkt het te stromen, terwijl de vijver volledig dichtgevroren is.  'Jullie mogen mij volgen', glimlacht de jonge vrouw. Ze is erg vriendelijk en begripvol. De manier waarop ze tegen mijn dochter spreekt en haar uitlegt wat ze allemaal doet, sterkt me in de keuze om zo ver te rijden voor deze kindertandartspraktijk. 'Oké, ik ga nu eerst een zalfje smeren.' Ze houdt een vinger tegen haar mond terwijl ze naar mij kijkt en duidelijk maakt dat ze zo meteen het spuitje zal geven. Ik complimenteer haar met de prachtige tuin. Ze neemt het compliment in dank af. 'U bent niet de eerste die dat zegt.' Ik zeg dat het me doet denken aan een poort naar een andere wereld. Ze kijkt me met verbazing aan maar ook met interesse. 'Zoals Narnia', vul ik aan. Ja! Narnia, dat wilde ze ook net zeggen. 'Maar nog meer aan De stad en zijn onvaste muren van Haruki Murakami.' Die schrijver kent ze niet. 'Vooral die vijver', wik en weeg ik mijn woorden, want ik weet niet goed of deze twintiger op een dinsdagochtend wil vernemen hoe je een imaginaire stad kan ontvluchten via een gat onder de vijver. Maar ze dringt aan. Dus ik vertel een weliswaar verkorte versie van het verhaal van Murakami, terwijl zij mijn dochter letterlijk aan de tand voelt. 'Doe je ogen maar dicht, dan kan ik de toverdrank geven.' Mijn dochter geeft geen kik. Terwijl ze de verdoving toedient, masseert ze de wang tussen duim en middelvinger. 'Laat de magie haar werk maar doen.'

Lennart Vanstaen
0 2

Voor altijd negentien

Met een bakfiets vol boodschappen fietste ik van de Delhaize weer naar huis, toen mijn Spotify naar Nineteen Forever van Joe Jackson shuffelde. Dat nummer neemt me steeds mee naar mijn kinderjaren, die warme wollige tijd in dat heerlijke herenhuis waar ik opgroeide, lang voordat herenhuizen hip waren. De winters waren toen kouder en duurden langer. Of misschien voelden de dagen gewoon langer omdat ik acht was. Zodra we thuiskwamen van school en ons vieruurtje op hadden, legde mijn moeder steevast een cd op en vaak was dat Steppin Out: the very best of Joe Jackson. In het lied Nineteen Forever zingt Jackson, op dat moment 34, dat hij graag voor altijd negentien jaar zou willen zijn. Zelf begreep ik nog niet zoveel Engels, maar dat zinnetje verstond ik wel. Telkens vroeg ik me af waarom die man zo graag negentien wilde zijn, wat er zo magisch was aan die leeftijd, een leeftijd die toen het dubbele was van de mijne en die bijna onbereikbaar voelde. Op een dag besloot ik het te vragen: ‘Mama, waarom wil hij negentien zijn? En niet achttien of twintig?’ ‘Tja, ik zou ook wel eeuwig negentien willen zijn’, antwoordde ze, waarschijnlijk druk in de weer met het huishouden. Het idee niet oud(er) te moeten worden kon ik nog wel vatten. Bob Dylans Forever Young was dan ook een van haar lievelingsliedjes. Maar het mysterie rond dat getal van negentien werd niet opgehelderd, dus kon ik alleen maar uitkijken naar het moment waarop ik zelf negentien kaarsjes mocht uitblazen. Ik weet nog dat ik toen heel erg graag de tijd vooruit wilde spoelen. Terwijl ik mijn boodschappen in de koelkast zet en de gerechten voor deze week op een notitieblok neerpen, denk ik na over hoe oud ik nu zou willen zijn. Op mijn negentien gebeurde er eigenlijk niet zo veel in mijn leven en voor de looks moet ik het ook niet doen; ik zag er bijvoorbeeld op mijn zevenentwintigste veel beter uit. Eigenlijk kan ik me niet zoveel van die periode herinneren, behalve dat ik Taal- en letterkunde studeerde aan de UA, en mijn vrije tijd doorbracht met muziek maken, gamen en rondhangen met mijn lief. En plots dringt het tot me door. Achtendertig. Dat is exact twee keer negentien. Is het toeval dat ik die gedachte net nu heb? Toen ik de helft van negentien was, wilde ik de tijd vooruitspoelen, nu ik twee keer zo oud ben, wil ik terug. Joe Jackson treedt binnenkort op in De Roma. Ik sta op de wachtlijst. De man is eenenzeventig. Binnen vijf jaar wordt hij zesenzeventig, twee keer mijn leeftijd en vier keer negentien. Met wat geluk ben ik dan tweeënveertig, het antwoord op alle vragen.

Lennart Vanstaen
8 2

Een stille krater

Het is een ogenschijnlijk alledaags tafereel: mijn vrouw en ik die in stilzwijgen naast elkaar zitten op het doorgaans niet erg comfortabele metalen meubilair van de NMBS. We wachten op de trein richting Brussel, om vandaar verder naar Kortrijk te gaan, naar het Wonder Festival — meer bepaald naar de audiovisuele installatie Calamity, over het moment vlak voor een bominslag. Mijn broer had er muziek bij geschreven. Het is op dat moment dat mijn vrouw plots een teken van verbazing geeft tijdens het lezen. Omdat ze zich wel vaker verbaast over dingen die niet per se verbazingwekkend zijn, vraag ik nonchalant wat ze gelezen heeft.‘Juf Stefanie is dood!’ zegt ze, op een onbedoeld kinderlijke manier.Even dringt dat niet tot me door, maar wanneer er tranen over haar wangen rollen, daalt het besef neer als een ijskoude priem in mijn keel. Juf Stefanie, de vroegere lagere-schooljuf van mijn zoon, is er plots niet meer. Ze was veertig geworden. Zo staat het in de WhatsApp-groep van de school, tussen allerlei andere berichten. Er wordt, bij gebrek aan woorden voor zo’n nieuws, dan maar naar passende emoji’s gezocht, die totaal misstonden. Maar helemaal niets zeggen is nog erger. Ik leg een arm om mijn vrouw heen, terwijl ik er zelf ook een nodig heb. Er is iets van mijzelf afgebroken wanneer ik het lees. Alsof een kind in zijn onbezonnen enthousiasme een bloem heeft uitgerukt. Een overweldigend gemis. Niet zozeer een persoonlijk verlies — ik kende haar enkel als juf — maar een verlies van een hogere orde, het besef dat niet juf Stefanie het leven verliest, maar het leven juf Stefanie. Ze was erg begaan met haar kinderen, heel intelligent, creatief en altijd lief. Ik lees de leegte van mijn boodschap onder het bericht: ‘Zij was zo’n goede en warme juf.’ Alsof het daarmee gezegd is. De installatie is indrukwekkend. Een hoop schermen is aan elkaar gekoppeld om samen één grote woestijnvlakte te tonen waar alles kalm is. Totdat de muziek suggereert dat er iets staat te gebeuren. Rode, tapijtachtige figuren glijden heimelijk over de heuvels. Veel tijd om zich voor te bereiden krijgt het publiek echter niet: in een splitseconde kleurt alles donkerrood en lijkt de muziek stuk te gaan. Een hels lawaai en hoekige geometrische figuren die snijden als messen grijpen naar de kelen van de omstaanders. Daarna komt de verslagenheid.Volledige duisternis.Een stille krater.

Lennart Vanstaen
9 0