Over Lennart Vanstaen

Lennart Vanstaen studeerde Nederlands en Theater, film- en literatuurwetenschappen. Hij doceert Nederlands als tweede taal in Antwerpen en presteert overuren als vader van twee kinderen. Hij schrijft de wereld van zich af op zijn blog en af en toe ontsnapt hem een gedicht. Met Pieter Van Den Brande schreef hij onder de naam Flabberghast twee theaterstukken en publiceerde hij de verhalenbundel De comeback van de pompbak in eigen beheer. Hij publiceerde o.a. bij Elders Literair, Papieren Helden, De Schaal van Dighter, Verzin, Aanlegplaats en Het Gezeefde Gedicht en was ook al te gast op het podium van de Dinsdagclub, Sprekende Ezels en Ballonnenvrees. Momenteel schrijft hij de laatste zin van zijn debuutroman en werkt hij aan een briefproject met Flabberghast.

Opleiding

Taal- en letterkunde Nederlands - Theater-, film- en literatuurwetenschappen (UA)

Publicaties

Publicaties:

  • 2010   Publicatie Had ik geweten in 1001 Liefdes, uitgegeven door Creatief Schrijven - poëzie
  • 2011   De Comeback van de Pompbak (eigen beheer) onder Flabberghast - proza, poëzie
  • 2015   Prins 6 – een fantastische omweg naar avontuur (eigen beheer, theater) onder                                 Flabberghast - regie, co-auteur
  • 2015   De Comeback van de Pompbak, 2e nauwelijks herziene druk (eigen beheer) onder                       Flabberghast - proza, poëzie
  • 2016   Met opgeheven hoofd – memoires van Agens Onzea door haar kleinzoon (eigen beheer) – biografie / non-fictie
  • 2018   De rustdag van Franky en Melchior, maar toch vooral van Franky (eigen beheer) onder                       Flabberghast - regie / co-auteur
  • 2021   Officiële toetreding tot Aanlegplaats, plaats voor literaire blogs (o.l.v. Dirk Van Boxem & Jo Komkommer) – proza
  • 2023   Publicatie Tijd om naar binnen te keren Elders Literair – proza
  • 2023   Publicatie Van voorbijgaande aard Het Gezeefde Gedicht – poëzie
  • 2024   Publicatie Reünies en ruïnes (maart) op Elders Literair – proza
  • 2024   Publicatie Aanscheid (maart) op Elders Literair – proza
  • 2024   Interview + gastvisser Aanlegplaats (augustus)
  • 2024   Publicatie Afspiegelingen in VERZIN - bespreking door Vitalski (oktober) – proza
  • 2025   Publicatie Tijdelijk thuis in Stockholm op neerlandistiek.nl – column
  • 2025   Publicatie Man met lanyard in Papieren Helden – proza
  • 2026   Publicatie Eiland op De Schaal van Dighter – proza
  • TBA     (Mijn eerste roman)

Prijzen

Prijzen:

  • 2010  Juryprijs mooiste gedicht Had ik geweten (Jeugd & Poëzie) - poëzie
  • 2010  Eervolle vermelding voor De pelgrimstocht (De Gouden Meeuw) onder Flabberghast – proza
  • 2018  Prijs Beste Opkomende Talent (Fameus/OpenDoek) voor De rustdag van Franky en Melchior, maar toch vooral van Franky onder Flabberghast 

Erkenning:

  • 2021   Vangst van de week (maart) Het is honderd of drie euro, wat kies je op Aanlegplaats door Jo Komkommer - proza
  • 2021   Vangst van de week (december) Stranden in Marchienne-au-Pont op Aanlegplaats door Jo Komkommer - proza
  • 2022   Longlist Verhalenwedstrijd Tijd om naar binnen te keren (Elders Literair) – proza
  • 2022   Vangst van de week (juli) Tijd om naar binnen te keren op Aanlegplaats door Gert Brouns - proza
  • 2023   Vangst van de week (mei) Een façade, die achtergevel op Aanlegplaats door Katrien Scheir – proza
  • 2023   Tip van de week (november) Van voorbijgaande aard op Azertyfactor door Vanessa Daniëls – poëzie
  • 2024   Tip van de week (januari) Ik wil een kind zijn op Azertyfactor door Petit Jean – poëzie
  • 2024   Tip van de week (februari) Het leven in rood, geel en blauw op Azertyfactor door Harold Polis - proza
  • 2024   Vangst van de week (april) Aywaille op Aanlegplaats door Marjon Meijer – proza
  • 2024   Vangst van de week (mei) Oud ijzer, koper, loodzware job op Aanlegplaats door Jo Komkommer – proza
  • 2024   Longlist Verhaal van de maand (oktober) - proza
  • 2024   Tip van de week (november) Samen oud op Azertyfactor door Jan Ducheyne - proza
  • 2024   Vangst van de week (december) Samen oud op Azertyfactor door Jo Komkommer - proza
  • 2025   Tip van de week (februari) Eiland op Azertyfactor door Tim Thomaes – proza
  • 2025   Tip van de week (mei) Man met lanyard op Azertyfactor door Gijsje Kooter – proza
  • 2025   Vangst van de week (juni) Oud/jong op Aanlegplaats door Marjon Meijer - proza

Teksten

Vossenhol

De chauffeur stopte de bus midden op de expresweg.  Mensen keken naar buiten om zich te vergewissen van een nieuwe bushalte. De jonge moeder werd nog agressiever aangekeken omdat het gekrijs van haar baby nu niet meer gedeeltelijk opging in het zachte gebrom van de motor. Jongeren die de hele rit al luide muziek afspeelden achteraan legden elkaar het zwijgen op. Een oudere man die verlekkerd leek op drama probeerde een glimp op te vangen van wat er zich voor de bestuurder afspeelde. Achter de bus steeg een concert van claxons op. De bus rook naar zweet, parfum en het stof van zetels. Met een nonchalant gebaar tikte de chauffeur zijn beide richtingsaanwijzers aan, opende de voorste deuren en stapte uit. De zon prikte op zijn huid. Hij stak zonder de bus nog een blik waardig te gunnen de weg over en liep het bos in. Het gebonk op de ramen en gedempt geroep waren geluiden van een verleden. Hij liep in een rechte lijn, dwars door het aanpalende bos, dat voornamelijk uit naaldbomen bestond. Het geluid van claxons werd beetje per beetje opgeslokt door stilte en geluiden van kwetterende vogels. Even bleef zijn voet hangen in wat hij dacht dat een vossen- of dassenhol was. Hij ging plat op zijn buik liggen en duwde zijn gezicht in het hol. Hij snoof diep in. Ja, dit is de perfecte plek, dacht hij.  Hij begon de knopen van zijn witte hemd los te maken. De goudkleurige dienstpenning nam hij eruit en legde hem apart. Dan deed hij zijn lederen schoenen uit. Hij ontdeed zich van de donkerblauwe broek en grijze sokken. Alleen zijn onderbroek hield hij aan. De kleren legde hij op een bed van mos. Zweet parelde van zijn voorhoofd en slaap.  Hij ging opnieuw liggen vlak voor het hol en begon te graven. Wanneer de opening breed genoeg was, wurmde hij zijn lichaam in het hol. Daarna was het stil. Een ekster daalde neer en vloog weer weg met de gouden penning.

Lennart Vanstaen
5 1

Drie weken Blankenberge

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
0 2

Een vrouw

Een vrouw. Ze staat er. Ze valt en staat weer op. Ze valt op. Een eigenzinnige vrouw. Een vrouw met handen in de aarde en haar hoofd in de lucht. Een vrije vrouw.Een vrouw met donkere ogen en een verlichte geest.Een tache de beauté, vlak bij haar neus. Ze heeft een boek onder haar arm. Ze is een boek van een vrouw, dat je niet gelezen krijgt. Een stijlvolle vrouw, zonder stijl. Een eeuwige vrouw. Zonder trends. Een vrouw die laarzen draagt, enkel om er regels aan te lappen. Een vrouw die op de lappen gaat. En die alles afzweert. Een vrouw die weet, van wanten en planten. Een volle vrouw. Een vrouw die geen blad voor de mond neemt. Rad van tong. Met daarop haar hart. Een vrouw die kiest. Een vrouw die zich niet laat kennen. Die zich laat verwennen. Die verwent. Een verwende vrouw. Een vrouw die spreekt. Een vrouw die veelzeggend zwijgt. Staalhard. Die je het zwijgen oplegt. Een vrouw die je de mond snoert. Een snoerende vrouw, die zich niet laat insnoeren. Een snoevende vrouw. Een stoere vrouw. Een vrouw die smacht en smeekt, siddert en beeft. Voor zichzelf. Die zich overgeeft, aan zichzelf. Een vrouw die niet van ophouden weet. Geen vrouw bij de vleet. Een vrouw van vol vlees. Die geurt naar kruiden en buiten.Een vrouw die leeft. Die kansen gretig grijpt. Die oogst wat je haar geeft. Een straffe vrouw. Een vrouw die straft. Een vrouw met straffe stoten, een vrouw met kloten. Een vrouw die tegen een stoot kan. Een vrouw die het hard te verduren krijgt. Een vrouw die wordt aangeraakt. Een vrouw die slikt maar niet vergeet. Een wilde vrouw. Een wulpse en weldadige vrouw. Wildevrouw. Een weergaloze vrouw. Een oervrouw die de oerkreet uit. Die het uitschreeuwt van pijn of genot. Dat maakt niet uit. Een vrouw die de weg toont, een vrouw die je weg tovert. Van het pad gaat.Een vrouw die durft drinken, durft stinken. Een vrouw die bedwelmt. Een vrouw die zalft en geneest. Planten leest.Een vrouw die zorgt en zoogt. Een vrouw die poogt. Probeert en faalt en opnieuw probeert. Die opbokst. Ze wikt en weegt. Ze pleegt. Ze doet, ze onderneemt. Een gevaarlijke vrouw. Een slimme vrouw. Een sluwe vrouw. Een wereldse vrouw, een vrouw van de wereld. Een vrouw waar geen sleutel op past. Een vrouw als een bloem. Als een eenogige kat.Een onomwonden vrouw. Een wonde van een vrouw. Een wonder van een vrouw. naar aanleiding van het debat tussen Soundos en Bart Schols, gebaseerd op De wonderen van Jeroen Olyslaegers

Lennart Vanstaen
3 0

Een Nooteboom in de winter

Beste heer Nooteboom, Al enkele keren heb ik mezelf betrapt op de gedachte. Dat je* er niet meer was. Af en toe verscheen je in mijn nieuws van de dag of gesprek aan de tafel, en telkens dacht ik: je bent weeral ouder. Hetzelfde gevoel bekruipt me soms met andere helden zoals Kees Van Kooten en Toon Tellegen. Ik had het je gegund 100 te worden, met zulke mooie nullen. Maar die eeuwige slaap, waar je zelf dichterlijk leek naar te verlangen bij momenten, kon niet uitblijven. Met weemoed denk ik terug aan de masterthesis die ik over jouw poëzie (vanaf 1982) heb geschreven. Die vele uren in de bibliotheek van de UA. Aan de correspondentie met de heer Rennenberg, wiens werk ik wilde voortzetten. Hij had het in zijn onderzoek over een labyrint, en hoe je er telkens tevergeefs uit wilde ontsnappen. Hij had het over de tijd en de dood in je gedichten. En over de weg naar boven, die hij ‘ascentionalisme’ doopte. Hoewel ik niet de grootste onderscheiding kreeg voor mijn eigen werk, ben ik nog steeds trots op en overtuigd van mijn kleine bijdrage: je spiritualiteit en de gnosis in je poëzie (waar ook Claus en vooral Mulisch zich mee inlieten) als ultieme ontsnapping. Ik hoop dat je jezelf uiteindelijk hebt gevonden. Dat je nu op een van die talloze geliefde plekken bent. In Duitsland of Spanje wellicht. Of misschien zit je nu wel op de Koude Berg, in China. Eindelijk dicht bij jezelf. ‘Van het begin af was Koude Berg mijn woningZwervend tussen de heuvels, ver van het rumoer.Weg, en duizend dingen laten geen spoor na.Los, en alles stroomt langs oneindig veel sterren.Geen ding, en toch staat het voor me.Nu ken ik de parel van het Boeddha-wezenEn ken zijn gebruik: grenzeloos en volmaakt enzo rond als een nul.’ Ik zou nog zoveel kunnen schrijven, maar ik laat mezelf nu hier achter. En wel met mijn lievelingsgedicht van jou. Rust zacht, Cees Nooteboom. Trinidad Dit ben ik vaak geweest:een man op een landweg,een man in een vliegtuig,een man met een vrouw. En dit ben ik vaak geweest:een man die zich onder een steenwou verbergenom geen licht meer te zien. Deze twee mannen,ze dragen mijn koffers,ze lezen mijn kranten,ze verdienen mijn brood. Samen trekken wedoor het geluid en de lucht van de wereldop zoek naar het onzichtbare standbeeldwaar ze alledrie opstaanin de gedaante van één.*Eerst wilde ik je met u aanschrijven uit respect, maar ik kies toch voor een jij. Als er iets is wat ik je wil geven, is het nabijheid.  

Lennart Vanstaen
11 4

Kamer in Oostende

‘Ik ben hier mijn hart verloren,’ zeg je. Ik knik bevestigend. Als jij dat niet had gezegd, dan had ik het gedaan enkele seconden later. ‘Spreek je dan over twee jaar geleden, De Letterie?’ Ja, dat deed je. Het is hier, in Oostende, waar we elkaar leerden kennen, samen met een tiental andere beginnende en gevorderde schrijvers tijdens een tiendaagse schrijfbootcamp van De Letterie. ‘Dat was echt een magische tijd,’ voeg je er nog aan toe. ‘Vooral ook een magische plek,’ zeg ik. We wandelen langs de kust en je wil graag even helemaal tot aan de zee gaan. Je vertelt zoals altijd honderduit, over van alles en nog wat, en het is allemaal boeiend en soms bijna niet te geloven. ‘Hoe is het met je boek?’ vraag ik tijdens een zeldzame stilte. Je lacht. ‘Heb je een uurtje of twee?’ Nu is het mijn beurt om te lachen, want opnieuw zou ik hetzelfde kunnen antwoorden. Toch doe je het relaas van de voorbije twee jaar, met je blik letterlijk en figuurlijk op oneindig. ‘Ik heb een knop omgedraaid, helemaal opnieuw begonnen.’ We naderen het golvende water, dat zich mengt met je woorden. ‘Onlangs ben ik blootvoets van dat oude huis daar,’ — je wijst naar een prachtige villa uit 1885, Villa Maritza, een van de laatst overgebleven belle-époquewoningen aan de kust — ‘helemaal tot in de zee gewandeld. Zo ben ik een halfuur blijven staan. Het was pikdonker.’ ‘Was dat niet koud?’ ‘Bèrekoud’. We hebben het over eenzaamheid, politiek, de definitie van mannelijkheid, sektes, sociaal engagement, vriendschap, schrijven, boeken en Oostende. En ook over zeehonden — en vooral hun verrassende afwezigheid, waardoor we dan maar genoegen nemen met een loslopende hond-aan-zee. ‘Eigenlijk ben ik wel eenzaam,’ zeg je plots. Je zegt het alsof je het al lang geleden hebt geaccepteerd. Hoewel dat voor mij niet als een totale verrassing in de oren klinkt, is het toch gek om dat te horen van iemand die extreem sociaal en extravert is. Je komt werkelijk overal en iedereen lijkt jou te kennen. ‘Alles hangt aan elkaar,’ zeg je. En ik denk: daar zorg je zelf mee voor. We lopen tot aan de grote bronzen zeeschelp op de strekdam en keren terug om ergens te gaan lunchen. Ik had Oode voorgesteld, het leek me wel gezellig. ‘Vind je het goed om eerst even langs De Witte Zee te gaan?’ Natuurlijk vind ik dat goed, al moet ik mezelf altijd forceren er niet buiten te lopen met een stapel boeken terwijl ik er nog genoeg heb om te lezen. Je moet voor een leesclub Moet dwalen van Charlotte Mutsaers lezen. Een vreemde titel, en ik bedenk dat die voor mij perfect bij Oostende past. Oostende noopt als het ware tot dwalen. We lopen binnen bij De Witte Zee. En ook hier is het steeds van moeten dwalen: dwalen door de eerste pagina’s van verschillende romans. In mijn handen groeit organisch een stapel boeken: Stefan Zweig, eentje van Koen Peeters dat ik moet lezen van mijn vrouw (zie titel van deze blog), het heruitgegeven debuut van Lara Taveirne en Aline, het nieuwe boek van Heleen Debruyne. ‘Heb je deze al gelezen?’ Je streelt over de rug van Alkibiades. ‘Zoiets is niet aan mij besteed,’ geef ik toe. Niet door de inhoud, wel door de omvang. Ik kan zeker lijvige boeken lezen, maar niet vol namen en data, dan raakt mijn brein oververhit. Je blijkt hetzelfde te hebben, want je hebt het audioboek beluisterd. ‘Elke dag heb ik geluisterd, weet je hoelang dat heeft geduurd? Een maand!’ Over elk boek dat ik vastneem, kan je iets vertellen en ik ben onder de indruk van je kennis en overgave. In die mate zelfs dat ik wat overprikkeld ben en alle boeken die ik vasthield weer in de kast zet. Samen met Moet dwalen leg je nog een klein boekje op de toonbank, getiteld Technologie is politiek van Paola Verhaert, iemand die je natuurlijk al hebt ontmoet. ‘Het lag hier op jou te wachten,’ lacht Eva. Het is het laatste exemplaar en ietsje beschadigd, je krijgt het mee voor vijf euro. Gulzig strooi je met woorden en verhalen op de weg naar onze lunchplek, en ik hang aan je lippen. Je hebt dan ook zoveel te vertellen, de talloze knotsgekke situaties waarin je verzeild raakt spreken tot de verbeelding. Je hebt het over iets uit de psychologie. ‘Ik vergelijk die theorie altijd met Star Wars: er zijn mensen die hun energie gebruiken om anderen te manipuleren en vooral aan zichzelf denken (the dark side) en dan is er ook de andere kant, de kant van het licht. Zij gebruiken hun energie om anderen te helpen, om hen te laten uitstijgen boven zichzelf. Ik weet dat jij dat laatste doet, maar het mooie is dat je ook boven jezelf uitstijgt. Twee vliegen in één klap. We nemen afscheid, zodat jij nog naar een optreden in Kortrijk kan treinen. Dat je nog energie over hebt, verbaast me niets, maar mijn lepeltjes zijn op. Ik kijk ernaar uit om me terug te trekken in mijn tijdelijke kamer in Oostende bij de geweldige Maaike en Emmanuel, waar ik de volgende dag geheel onverwacht nog aan de ontbijttafel beland met niemand minder dan Heleen Debruyne, in het gezelschap van haar zoon Hermes en vriend Frank D’Hanis, die net als ik lesgeeft en wiens kritische teksten ik al lang bewonder. Het wordt een interessante en gezellige ochtend. Had ik dat boek maar gekocht, zeker omdat Aline op de longlist staat van de Libris Literatuurprijs. Ach ja, ik zal spoedig terugkeren naar Oostende, met het boek dan. Die middag wil ik nog een stukje verder schrijven aan een kortverhaal, maar alle indrukken van het voorbije weekend wringen zich eerst uit mijn pen. Ik neem ze mee naar Antwerpen, samen met een dosis zeelucht en inspiratie. Oostende, tot gauw. Hier een foto van een verdwaalde zeehond.  

Lennart Vanstaen
92 2

De tandartspraktijk en zijn onvaste muren

'Eindelijk, we zijn er,' zeg ik, terwijl ik afstap en de longtailfiets het voetpad opduw. 'We moeten nummer 278 hebben en hier is het... 272', mompel ik meer tegen mezelf dan tegen mijn dochter, die achteraan op de fiets zit en haar allereerste gaatje in een melktand moet laten vullen. Omdat mijn dochter redelijk verkleumd is na deze lange fietstocht van Deurne naar Ekeren, probeer ik voort te maken, tot ik merk dat nummer 274 een of andere brede fabriek blijkt te zijn: 'Oké, toch nog een klein stukje verder...' Zij valt me in de rede: 'Dat ís de tandarts, papa!' Ik parkeer de fiets en zie er een gelijkaardig model staan. 'Zie je, er zijn nog mensen die hiernaartoe komen met de fiets!' Haar ogen bliksemen me neer en met haar recent ontwikkeld cynisme antwoordt ze dat die mensen waarschijnlijk twee straten verder wonen. Acht jaar, maar ik durf haar niet tegenspreken. Ook wanneer ik binnentreed in dit gigantisch pand lijkt dit meer op het hoofdkwartier van MI5 dan op een tandartspraktijk. Een centraal gelegen balie met drie medewerkers en twee keer zoveel schermen vormt één grote vide. De hele ruimte lijkt wel te zijn uitgehold, zoals je bij een appel het klokhuis verwijdert met een appelboor. Daarrond bevinden zich meerdere wachtkamers en toiletten, en ook de praktijkruimtes zijn overal verspreid, te herkennen aan deuren van ondoorzichtig glas. Een grote stalen trap leidt naar de ruimtes boven, waarvan ik niet kan bevroeden waarvoor die dienen. 'Meneer? U mag plaatsnemen in de wachtkamer.' Recht tegenover de balie zit een tiental mensen te wachten. Er staat een koffieapparaat en gefilterd water. We kiezen de kleinere wachtkamer aan de linkerkant, die nog altijd drie keer zo groot is als elke kamer waar ik al heb gewacht. Achteraan staat wat speelgoed en op een tafel liggen er strips. De overstaande muur bestaat uit een doorkijkhaard die zicht geeft op de andere wachtruimte. Overal ligt parket. Mijn dochter zet zich in een uit de kluiten gewassen hoekzetel en neemt een Suske & Wiske. We zijn een half uur te vroeg — niet mijn gewoonte, wel mijn plan — want ik heb veel werk te doen. Ik haal een koffie en begin te werken. Dan pas, tijdens een mijmering over hoe ik de theorie wil formuleren over het modale werkwoord 'hoeven', kijk ik uit het raam. Mijn blik wordt ernaartoe gezogen. Het lijkt wel een schilderij van een Hollandse landschapsschilder uit de Gouden Eeuw. Achter het grote raam ontvouwt zich een majestueus heuvelig landschap, met in het midden een halfbevroren vijver, waarover een kleine houten brug plooit. Aan de linkerkant vertrekt een kiezelweg die slingert door het kleine landgoed. Hier en daar wiegt het riet langs de waterkant en de felle winterzon doet het water glinsteren. Enkele vogels vliegen over. Het is er zo vredig. Té vredig. Ik kijk nu al een tijd naar hoe die vogels telkens exact dezelfde bewegingen maken. Hoe langer ik naar de vijver kijk, hoe meer ik verlang er ver vandaan te blijven. Wanneer ik mijn blik even niet op het water concentreer, lijkt het te stromen, terwijl de vijver volledig dichtgevroren is.  'Jullie mogen mij volgen', glimlacht de jonge vrouw. Ze is erg vriendelijk en begripvol. De manier waarop ze tegen mijn dochter spreekt en haar uitlegt wat ze allemaal doet, sterkt me in de keuze om zo ver te rijden voor deze kindertandartspraktijk. 'Oké, ik ga nu eerst een zalfje smeren.' Ze houdt een vinger tegen haar mond terwijl ze naar mij kijkt en duidelijk maakt dat ze zo meteen het spuitje zal geven. Ik complimenteer haar met de prachtige tuin. Ze neemt het compliment in dank af. 'U bent niet de eerste die dat zegt.' Ik zeg dat het me doet denken aan een poort naar een andere wereld. Ze kijkt me met verbazing aan maar ook met interesse. 'Zoals Narnia', vul ik aan. Ja! Narnia, dat wilde ze ook net zeggen. 'Maar nog meer aan De stad en zijn onvaste muren van Haruki Murakami.' Die schrijver kent ze niet. 'Vooral die vijver', wik en weeg ik mijn woorden, want ik weet niet goed of deze twintiger op een dinsdagochtend wil vernemen hoe je een imaginaire stad kan ontvluchten via een gat onder de vijver. Maar ze dringt aan. Dus ik vertel een weliswaar verkorte versie van het verhaal van Murakami, terwijl zij mijn dochter letterlijk aan de tand voelt. 'Doe je ogen maar dicht, dan kan ik de toverdrank geven.' Mijn dochter geeft geen kik. Terwijl ze de verdoving toedient, masseert ze de wang tussen duim en middelvinger. 'Laat de magie haar werk maar doen.'

Lennart Vanstaen
0 2

Voor altijd negentien

Met een bakfiets vol boodschappen fietste ik van de Delhaize weer naar huis, toen mijn Spotify naar Nineteen Forever van Joe Jackson shuffelde. Dat nummer neemt me steeds mee naar mijn kinderjaren, die warme wollige tijd in dat heerlijke herenhuis waar ik opgroeide, lang voordat herenhuizen hip waren. De winters waren toen kouder en duurden langer. Of misschien voelden de dagen gewoon langer omdat ik acht was. Zodra we thuiskwamen van school en ons vieruurtje op hadden, legde mijn moeder steevast een cd op en vaak was dat Steppin Out: the very best of Joe Jackson. In het lied Nineteen Forever zingt Jackson, op dat moment 34, dat hij graag voor altijd negentien jaar zou willen zijn. Zelf begreep ik nog niet zoveel Engels, maar dat zinnetje verstond ik wel. Telkens vroeg ik me af waarom die man zo graag negentien wilde zijn, wat er zo magisch was aan die leeftijd, een leeftijd die toen het dubbele was van de mijne en die bijna onbereikbaar voelde. Op een dag besloot ik het te vragen: ‘Mama, waarom wil hij negentien zijn? En niet achttien of twintig?’ ‘Tja, ik zou ook wel eeuwig negentien willen zijn’, antwoordde ze, waarschijnlijk druk in de weer met het huishouden. Het idee niet oud(er) te moeten worden kon ik nog wel vatten. Bob Dylans Forever Young was dan ook een van haar lievelingsliedjes. Maar het mysterie rond dat getal van negentien werd niet opgehelderd, dus kon ik alleen maar uitkijken naar het moment waarop ik zelf negentien kaarsjes mocht uitblazen. Ik weet nog dat ik toen heel erg graag de tijd vooruit wilde spoelen. Terwijl ik mijn boodschappen in de koelkast zet en de gerechten voor deze week op een notitieblok neerpen, denk ik na over hoe oud ik nu zou willen zijn. Op mijn negentien gebeurde er eigenlijk niet zo veel in mijn leven en voor de looks moet ik het ook niet doen; ik zag er bijvoorbeeld op mijn zevenentwintigste veel beter uit. Eigenlijk kan ik me niet zoveel van die periode herinneren, behalve dat ik Taal- en letterkunde studeerde aan de UA, en mijn vrije tijd doorbracht met muziek maken, gamen en rondhangen met mijn lief. En plots dringt het tot me door. Achtendertig. Dat is exact twee keer negentien. Is het toeval dat ik die gedachte net nu heb? Toen ik de helft van negentien was, wilde ik de tijd vooruitspoelen, nu ik twee keer zo oud ben, wil ik terug. Joe Jackson treedt binnenkort op in De Roma. Ik sta op de wachtlijst. De man is eenenzeventig. Binnen vijf jaar wordt hij zesenzeventig, twee keer mijn leeftijd en vier keer negentien. Met wat geluk ben ik dan tweeënveertig, het antwoord op alle vragen.

Lennart Vanstaen
8 2

Een stille krater

Het is een ogenschijnlijk alledaags tafereel: mijn vrouw en ik die in stilzwijgen naast elkaar zitten op het doorgaans niet erg comfortabele metalen meubilair van de NMBS. We wachten op de trein richting Brussel, om vandaar verder naar Kortrijk te gaan, naar het Wonder Festival — meer bepaald naar de audiovisuele installatie Calamity, over het moment vlak voor een bominslag. Mijn broer had er muziek bij geschreven. Het is op dat moment dat mijn vrouw plots een teken van verbazing geeft tijdens het lezen. Omdat ze zich wel vaker verbaast over dingen die niet per se verbazingwekkend zijn, vraag ik nonchalant wat ze gelezen heeft.‘Juf Stefanie is dood!’ zegt ze, op een onbedoeld kinderlijke manier.Even dringt dat niet tot me door, maar wanneer er tranen over haar wangen rollen, daalt het besef neer als een ijskoude priem in mijn keel. Juf Stefanie, de vroegere lagere-schooljuf van mijn zoon, is er plots niet meer. Ze was veertig geworden. Zo staat het in de WhatsApp-groep van de school, tussen allerlei andere berichten. Er wordt, bij gebrek aan woorden voor zo’n nieuws, dan maar naar passende emoji’s gezocht, die totaal misstonden. Maar helemaal niets zeggen is nog erger. Ik leg een arm om mijn vrouw heen, terwijl ik er zelf ook een nodig heb. Er is iets van mijzelf afgebroken wanneer ik het lees. Alsof een kind in zijn onbezonnen enthousiasme een bloem heeft uitgerukt. Een overweldigend gemis. Niet zozeer een persoonlijk verlies — ik kende haar enkel als juf — maar een verlies van een hogere orde, het besef dat niet juf Stefanie het leven verliest, maar het leven juf Stefanie. Ze was erg begaan met haar kinderen, heel intelligent, creatief en altijd lief. Ik lees de leegte van mijn boodschap onder het bericht: ‘Zij was zo’n goede en warme juf.’ Alsof het daarmee gezegd is. De installatie is indrukwekkend. Een hoop schermen is aan elkaar gekoppeld om samen één grote woestijnvlakte te tonen waar alles kalm is. Totdat de muziek suggereert dat er iets staat te gebeuren. Rode, tapijtachtige figuren glijden heimelijk over de heuvels. Veel tijd om zich voor te bereiden krijgt het publiek echter niet: in een splitseconde kleurt alles donkerrood en lijkt de muziek stuk te gaan. Een hels lawaai en hoekige geometrische figuren die snijden als messen grijpen naar de kelen van de omstaanders. Daarna komt de verslagenheid.Volledige duisternis.Een stille krater.

Lennart Vanstaen
9 0

DE KRACHT VAN STILTE

Een wijs man zei ooit: “Niet elke fitnessclub heeft een sauna, dus als er eentje aanwezig is, moet je daar gebruik van maken.” Ik geloofde die man in de spiegel, die van zichzelf ook wist dat zijn angst om verwikkeld te geraken in sociaal onaanvaardbare gesprekken niet langer in de weg kon staan van de talloze voordelen van een sauna, die hij zich tot dan toe had ontzegd. Zodus stapte ik op een dinsdagochtend de kleedkamer binnen, wetende dat het druk zou zijn. De kamer was naar goede gewoonte gevuld met naakte zestigplussers, die allemaal de sauna zouden induiken binnen ettelijke minuten. De snelheid van het ontkleden en douchen bepaalde dus in grote mate wie zich eerst tegoed kan doen aan een plek op de hete houten banken. Mijn jeugdigheid gaf me daarin een aanzienlijk voordeel. In één vloeiende beweging en balancerend op één been verwijderde ik meerdere kledingstukken, terwijl mijn lotgenoten zich niet waagden aan zulke manoeuvres en zich beurtelings – wegens rugklachten en beperkte zitruimte – moesten neerzetten. En zo was ik zeker van een plaats. Alleen had ik gehoopt dat ik alsnog geen deel zou worden van de kleedkamergesprekken, nu die zich hadden verplaatst naar een nog engere ruimte. Ik deelde de sauna met drie andere mannen: de eerste was afgetraind voor zijn leeftijd en had een gezicht als een luitenant, waarin geen spier vertrok. Hij had bruin, kortgeknipt haar dat met gel naar achteren was gekamd. De twee anderen waren kaal. De man die bovenaan plaatsnam had een bierbuik maar was voor de rest graatmager. Wanneer hij lachte, klonk het als een dier dat werd geslacht. Op zijn lichaam stonden verschillende tattoos, maar ik kon alleen een ietwat uitgerekte tijger onderscheiden. De derde man was reusachtig in de breedte en zat vlak naast de kachel waarop de stenen lagen. De mannen spraken luid en hoestten ongegeneerd. Alles verdampt hier toch, leken ze te denken. De man naast de kachel sprak amechtig en bulderde, het hout trilde mee wanneer hij sprak. Het ging over voetbal, goedkope vlieg- en busreizen, de onkunde van hun vrouw, de aanhoudende regen, rugpijn en geschikte medicatie en goede adresjes om rolluiken te laten repareren, iets waarvan de man met tattoos blijkbaar erg veel afwist. Het waren zaken waarover je een mening diende te hebben en die je luid diende te verkondigen. Hoewel ik mezelf gelukkig prees dat mij niets werd gevraagd, moest ik concluderen dat ook zonder actieve deelname aan dit gesprek de sauna niet als een moment van ontspanning aanvoelde. Vriendelijk verzocht ik dus om stilte. Daarop verstarden de blikken van mijn tegenspelers. Ze bekeken me alle drie voor het eerst, alsof ze me daarvoor niet eens opgemerkt hadden. Ik las de oordelen in hun ogen, maar het was wél stil. Het werd een uitputtingsstrijd. Er werd hevig gezweet. Gepuft. Gehijgd. En gelukkig gezwegen. Het zweet van uitgerekte tijger lekte op de luitenant. Minuten kropen voorbij. De luitenant gaf het op. Misschien vond hij het ook niet leuk dat er op hem gezweet werd. We waren nog met drie. De warmte leek nog meer om zich heen te grijpen, nadat de deur kort maar krachtig was geopend en gesloten door de luitenant. De brede man lepelde water over de stenen die een sissend geluid maakten, terwijl hij me grijnzend aankeek. Meteen verspreidde zich een penetrante eucalyptusgeur. Ik glimlachte terug. Opnieuw stilte en een verzengende hitte. Tien minuten later werd het de uitgerekte tijger eindelijk te veel. Dit moest de langste sauna zijn die hij ooit had genomen. Hij strompelde naar buiten. De reus en ik bleven over. Even keek hij naar de lepel en de kom, maar bedacht zich. Nog een minuut later droop hij af, zichtbaar verslagen. Ik bleef nog even zitten en genoot van de kracht van de stilte. Ik bedankte in gedachten de man in de spiegel.

Lennart Vanstaen
3 0

Uitgezonderd nostalgisch verkeer

Ik wou dat er meer dagen in mijn leven waren zoals gisteren. Dagen die me volledig omarmen, verzwelgen, laten voelen dat ik besta uit reeds vele dagen, aan elkaar geregen door wonderlijke momenten en prachtige herinneringen, kleine gelukjes en innige vriendschappen. Dagen van knutselen terwijl de regen tegen het raam klettert. Dagen van sleutelen aan het beste lied of theaterstuk aller tijden. Dagen van piratenkleren aantrekken en een uitvalsbasis maken in een holle boom in het park. Dagen van elkaars zinnen afmaken en lachen tot de buikkrampen erop volgen. En dagen van in het speeltuintje hangen en je voor het eerst groot voelen.  Hoewel ik me maar al te graag wentel in de zoete pijn van nostalgie, zijn er wellicht ook dagen waarop ik daar geen zin in heb, dagen waarop ik mezelf een medicijn zou willen toedienen om niet ten prooi te vallen aan dat weke gevoel, alsof de tijd me in zijn greep heeft en me tot een vorm kneed die nergens meer in past. Gisteren was zo'n dag. Ik had me schrap gezet met alles wat ik had, maar ik ben vrijwel zeker dat er geen middel tegen nostalgie bestaat.  Eerst zette ik mijn dochter af aan het Boekenbergpark voor een yogakampje. Na een kusje en een zwaai reed ik door naar een van mijn beste vrienden, die in Kontich-Kazerne woont. Na lange tijd in Gent te hebben gewoond, vervolgens in een joert in Zwalm, dan in het Vredegerecht van Herentals dat tot antikraakpand was omgevormd én in een afgelegen woning in Langdorp, kon hij in zijn ouderlijk huis terecht — zijn ouders verhuisden naar een cohousingproject. In dat huis heb ik samen met hem enorm veel geschreven, gelachen, gemusiceerd en genoten van de reis van een jongvolwassene. Het was meer dan wat anders een plek waar de zon scheen, waar ik mijn melancholie kon omzetten in positieve energie. Zodra ik vertrok uit het park, shuffelde mijn Spotify naar Explosions in the Sky, meer bepaald naar het album met toepasselijke titel All of a sudden I miss everyone.  Omdat het meer dan tien jaar geleden was dat ik Kontich-Kazerne had bezocht, en door mijn absoluut gebrek aan oriëntatie, zette ik mijn gps aan. Hij leidde me langs het vliegveld van Antwerpen, waar ik bijna twintig jaar geleden mijn eerste appartementje huurde. Ik dacht aan mijn huisbaas, een warme eeuwige veertiger voor wie het leven uiteindelijk te zwaar werd. Ook avondjes weerwolven doken op in mijn herinneringen, en enkele relaties van vrienden die in dat appartement hun voorzichtige begin hadden meegemaakt. En natuurlijk de zetel waarin ik haar, tussen de soep en de patatten, ten huwelijk vroeg. De gps zat duidelijk mee in het complot, want hij stuurde me vervolgens langs de Spar waar ik mijn eerste verdiende centen spendeerde aan verantwoorde producten zoals waspoeder en huishoudfolie.  Zonder een zucht wind biggelden er al tranen over mijn wangen. Het universum had schijnbaar de controle overgenomen van al mijn apparaten, want Spotify selecteerde achtereenvolgens Keep the Car Running van Arcade Fire, All I Need van Radiohead en Society van Eddie Vedder, stuk voor stuk uit die periode.  Ik merkte tijdens het fietsen dat ik mijn gps niet nodig had, ik kende de weg nog — ik gebruik dit anglicisme bewust— uit het hart. Alsof het gisteren was, sloeg ik het kleine parkweggetje in, een binnenweg 'uitgezonderd nostalgisch verkeer'.  Toen hij de deur opendeed, omhelsden we elkaar. Ik zei hem dat hij nu niet meer mocht verhuizen, want zowel hij als ik waren eindelijk thuis. https://lennartvanstaen.be/uitgezonderd-nostalgisch-verkeer/

Lennart Vanstaen
16 2

Ingewijd

Omdat er kakkerlakken zijn gevonden in het koffieapparaat in de lerarenkamer, zoek ik naar een goede koffiebar in de buurt. Ik zoek iets met een ziel, wat moeilijk te vinden is — koffiebars zien er tegenwoordig allemaal hetzelfde uit. Tot ik op een dag in een bochtig straatje op een etablissement stoot dat mijn aandacht trekt. Eerst hield ik het voor een afgeleefde durumzaak of een vergeten kroeg, maar de espresso in de hand van de verschrompelde man op het kleine terras is onmiskenbaar gezet door een echte barista. Wanneer ik de man passeer, staart hij me aan alsof ik een heilig moment verstoor, maar als ik besluit om naar binnen te gaan, lacht hij zijn weinige tanden bloot. ‘Welkom’, spreekt hij schor, en hij tilt zijn espresso de hoogte in. Ik ben ingewijd. Binnen is het zoeken naar overeenkomsten met een moderne koffiebar. Geen typische filamentlampen, geen fiets aan de muur. De bar heeft opvallende ramen, die ik ooit in Zuid-Afrika heb gezien, met bovenaan glazen lamellen. Ze staan allemaal open, en toch hangt hier een bedwelmende geur van verse koffiebonen. Verder staan er enkele tafeltjes, met daarop kleine vaasjes waarin een decoratief twijgje zit. Er zit niemand, de hele bar is leeg, met uitzondering van de oude man op het bescheiden terras. Er speelt zachte jazzmuziek die ik niet meteen kan thuisbrengen. De barista merkt me amper op. Hij fluit de droevige melodie op een vrolijke manier. Hij is een beetje onverzorgd, heeft halflang haar en een snorretje. Zijn vuilwitte schort hangt vol koffiegruis. Zowel zijn bar als hijzelf ogen heel sober. Ik bestel een cappuccino en ga zitten. Er komt plots een drietal klanten binnen, jonge mensen, ik schat twintigers. Ze roepen de naam van de barista met veel enthousiasme en omhelzen hem hartelijk. Blijkbaar heet hij Marcin en bezit zijn lach dezelfde levensvreugde als die van de oude man op het terras, hij wordt pas zichtbaar voor ingewijden. Na een korte conversatie brengt Marcin me mijn drankje. ‘Een cappuccino, alstu.’ Het is even geleden dat ik een echte cappuccino zag, met wit schuim in het midden en errond een bruine rand van koffie. Geen fancy latte-art, zelfgebakken koekjes of suikertjes, enkel koffie en een lepel. De smaak is onovertroffen.

Lennart Vanstaen
19 2

Koningen van de droefheid

De kranten staan er vol van: de muziekwereld nam deze week afscheid van legende Brian Wilson, de leider van The Beach Boys. Die Brian was me eerlijk gezegd onbekend — ik kende alleen zijn naam. Mijn beeld van zijn groep was eveneens vrij beperkt: een stel brave jongens (nog braver dan The Beatles) dat jolige deuntjes speelde en zich vooral liet kenmerken door hun alomtegenwoordige meerstemmigheid. Gelukkig heb ik mijn nieuwsgierigheid, of eerder mijn buikgevoel laten spreken wanneer ik de grootorde van het verdriet en respect voor dit popicoon in de media niet voor lief nam. Ik kende natuurlijk het hemelse God only knows van een van mijn favoriete romcoms Love actually, maar tot daar ging mijn kennis. Wel een prachtig lied, maar ik wist niet dat Brian Wilson veel meer was dan dat. Hoe komt het toch altijd dat ik het oeuvre van sommige droevige diamanten pas ontdek nadat ze dit leven hebben verlaten? Luc De Vos, wiens muziek ik uiteraard goed kende, heb ik pas écht leren appreciëren toen hij plots van ons werd afgenomen. Ik weet nog hoe heel Gent rouwde. Hoewel ik ooit het podium had gedeeld met de man en hij zich in de backstage toen als een omhooggevallen stuk stront had gedragen, zette ik die gedachte opzij toen ik die mensenmassa zag jammeren. Ik dook diep in zijn liederen en teksten, las zijn boeken en leerde een zielsgenoot kennen. Hetzelfde gebeurde met Mark Linkous. Hem kende ik niet voor 2010, ik had gehoord van Sparklehorse, zijn band, maar verder kon ik niet bevroeden wat een enigmatische man die Linkous was en wat een prachtige en persoonlijke liederen hij componeerde. Ook de sfeer die door zijn albums waaide — bijvoorbeeld het ironisch getitelde album It’s a wonderful life — deed me enerzijds denken aan mijn grote held (zowel muzikaal als tekstueel) Mark Everett (Eels) en anderzijds aan alweer een (bijna)-Gentenaar: de prins van de dood Jotie T’Hooft. In 2019 overleed de excentrieke Daniel Johnston aan een hartstilstand. Hem leerde ik kennen omdat Mark Oliver Everett een cover van hem opnam op zijn Useless Trinkets – een album met B-kanten waartussen enkele parels zitten. Die cover is Living life. Nergens stond expliciet te lezen dat dit geen lied van Everett zelf was, en omdat ik de tekst zo mooi vond zocht ik hem op. Het was dus de kracht van de tekst, de magie van de woorden die me de weg toonden naar deze voor mij totaal onbekende Daniel Johnston, een bipolaire man die muziek speelde en onbeschroomd zijn eigen platenhoezen tekende, allemaal op het kinderlijke af, maar waaruit ook steeds de ontwapenende eerlijkheid sprak van een kinderstem.  En deze week ben ik helemaal uit mijn lood geslagen door Brian Wilson en zijn getormenteerde ziel. Mijn idee van The Beach Boys moest ik 180 graden bijstellen. Al drie of vier dagen klinken de melancholische klanken van Wilson en de zijnen in mijn oren. Vooral hun meesterwerk Pet sounds dan. Op repeat. Onder het banale avondritueel van de afwas luisterde ik naar The best of The Beach Boys. Plots werden mijn ogen vochtig en vielen mijn tranen tussen de kopjes en borden in het sop. Een krop in mijn keel. Ik stond er zelf van te kijken, want het nummer dat uit de bluetoothspeaker kwam was Wouldn’t it be nice, een ogenschijnlijk uitermate positief nummer waar in de verste verte geen spoor van melancholie in te bekennen valt. Integendeel: het barst van de joie de vivre. Er spreekt een zorgeloosheid uit die we meer dan ooit nodig hebben. En toch. Waarom greep mij dat zo aan? Wel, in al zijn optimisme is dit ook een enorm warm en troostend lied, en wie troost zoekt, is droevig. Dat was de eerste keer dat ik in Brian Wilson een soulmate zag. Omgekeerd evenredig aan de woorden, die net een blik vooruit werpen, werd ik getroffen door nostalgie. Brian uit hier een onversneden kinderlijk verlangen naar ‘groot zijn’, maar tegelijkertijd voel je de omgekeerde beweging. Een schreeuw naar wat was. Wouldn’t it be nice if we were older?Then we wouldn’t have to wait so longAnd wouldn’t it be nice to live togetherIn the kind of world where we belong? En toen dat gevoel zich van mij meester maakte, begon de echte afdaling naar zijn teksten pas. Ik ontdekte het hoofd van Brian Wilson, een wereld die me bekend is en me telkens weer aantrekt: de tegenstelling tussen pure levensvreugde, jeugdige impulsiviteit enerzijds en aan de andere kant een weemoedigheid, een onuitgesproken wens naar een onbestemde ruimte en tijd die door velen wordt opgezocht, en ondanks te weinig woorden telkens wordt begrepen door de lotgenoten. Ik kan het niet beter verwoorden dan Wilson zelf: I keep lookin’ for a place to fit inWhere I can speak my mindAnd I’ve been tryin’ hard to find the peopleThat I won’t leave behind They say I got brainsBut they ain’t doin’ me no goodI wish they could Each time things start to happen againI think I got somethin’ good goin’ for myselfBut what goes wrong Sometimes I feel very sadSometimes I feel very sad(Ain’t found the right thing I can put my heart and soul into)

Lennart Vanstaen
8 2

Een dankbaar stipje

Elk moment van twijfel over wat ik doe in het leven, krijgt een antwoord. Soms duurt het even, en vaak komt het wanneer ik het niet verwacht. Sinds mijn 35 kamp ik met serieus wat zelftwijfel, zowel wat mijn job betreft, als mijn ambitie om te schrijven of mijn rol als vader. ’s Morgens sta ik op, en stel mezelf onder de douche de vraag of ik wel goed bezig ben en niet alles drastisch moet omverwerpen. Er zijn genoeg dagen waarop ik denk: foert, kust allemaal mijn kloten, ik ga naar Tenerife (om Jos het debiele ei te citeren). Op andere dagen denk ik: spring toch, slappeling, doe dat gewoon. Haal een rijbewijs, maak nog wat kinderen, neem een vliegtuig naar Canada, verbouw een huis, schrijf u in voor een talencursus én volg die tot de hoogste modules want je kan dat. Af en toe durf ik te springen, zo zei ik eerst bibberend ‘ja’ tegen drie maanden in Stockholm wonen, terwijl de 10-jarige jongen in mij ‘nee’ schreeuwde. Maar het idee mocht rijpen en ik kon die jongen overtuigen met mijn soms aanstekelijke enthousiasme. Dat lukt me zeker niet altijd, en de vorige generatie kan zeggen wat ze wil, ik heb het gevoel constant over mijn schouder te moeten kijken in mijn volwassen leven. Overal conflicten, overal grootspraak en dikdoenerij. Op donkere dagen zie ik haast niets anders dan dat. De natuur die ons probeert te stikken in ons eigen vet, terwijl we zelf enkel oog hebben voor grondbezit en macht, en daarvoor over lijken gaan. Onze toekomst hangt aan een dun draadje en de wereldleiders knippen gretig om zich heen met hun scharen terwijl ze continu de meetlat tegen hun eigen lul houden. Gelukkig kan deze neerslachtigheid smelten als sneeuw voor de zon, als bij een vingerknip, wanneer mijn dochter me monkelend in haar eigen gemaakte geheime taal (gesproken versie!) dingen vertelt en zichtbaar geniet dat ik haar niet begrijp – misschien haar wraak op het feit dat ze drie maanden ondergedompeld is geweest in een vreemde stad; of wanneer de oude man, die na mijn zoon zijn pianoexamen moet afleggen, na een professionele uitleg over welke stukken van welke componisten hij zal brengen en vijf minuten de tijd neemt om zijn kruk exact op de gewenste hoogte te krijgen, het eenvoudigste beginnermelodietje speelt dat ik reeds heb gehoord die middag. Maar toen ik zomaar uit het niets na een les – nee, het waren geen examens – een zakje kreeg met daarin chocolade en dit briefje, raakte me dat. Dan voel ik me gesterkt in mijn overtuiging dat ik al bijna vijftien jaar dit werk doe en verdwijnen al die negatieve gevoelens over wat ik de wereld te bieden heb als lesgever, als vader en als de nietige mens die ik ben in deze tijd en ruimte. Een klein stipje. Hoe klein ook, een stipje dat er mag zijn.

Lennart Vanstaen
35 3

OUD / JONG

Het was een ochtend met veel verbeterwerk die naadloos overging in een te snelle lunch. Het was zo’n dag waarop de uren voorbijvlogen als water in een wildwaterbaan: te snel om vast te houden en te wild om richting te geven. Nog een kwartier en dan moest ik voor de klas staan. Ik keek nog even mijn werkmail na en vond er alleen neerslachtigheid, mijn eten kwam in het verkeerde keelgat. Ik raapte mijn moed van de grond en liep naar mijn klaslokaal. Na de les vocht ik voor mijn leven al fietsend op de Turnhoutsebaan. Toen ik thuiskwam, had ik geen zin om nog te gaan sporten, maar de ervaring heeft me geleerd dat dat net is wat je wél moet doen. Met een zwaar hoofd vertrok ik naar de fitness. Ondertussen ga ik al drie jaar naar deze club. Het is een echte familieclub, de gemiddelde leeftijd is 70 jaar. Het betekent dat je in de kleedkamer enkel gesprekken hoort over goedkope vliegreizen naar Benidorm, den Antwerp of vieze kwaaltjes en hun complementaire medicijnen, maar het staat ook garant voor minder volk en een kalme sfeer. Zeker ’s avonds. Ik voel me er altijd heel jong, alsof mijn hele leven nog voor mij ligt, terwijl ik ook wel beter weet. ‘De douche is lekker warm’, zegt de man die nog op dit late uur met mij de kleedkamer deelt. Hij ziet eruit als een kleine tarzan: stevig gebouwd, lang haar tot over zijn schouders, dikke donkere wenkbrauwen en diepgroene ogen. Rond zijn hals draagt hij twee of drie kettinkjes, in elk oor twee ringetjes. Zijn lichaamsbeharing zal ik waarschijnlijk nooit evenaren, net als zijn atletische bouw, zeker gezien zijn leeftijd, die ik ergens rond de zestig schat. Ik bedank hem voor zijn enthousiasmerende opmerking en hang mijn handdoek aan het haakje. Hij doet me denken aan Eddie Vedder, maar die gedachte spreek ik niet uit. ‘Als het te warm is, kan je in de houten kast hiernaast aan die linkse knop draaien’ geeft hij nog mee, en hij gebruikt het puntje van zijn handdoek om het water uit zijn oren te krijgen. Deze mededeling, verpakt als praktische waarschuwing, siert hem. Dat hij terugkomt op zijn woorden en even in beschouwing neemt dat ik misschien helemaal niet hou van een te hete douche. Het zijn vaak de kleine dingen die iemand sieren. ‘Een douche kan niet warm genoeg zijn voor mij’, antwoord ik hem. We oefenen ons een halve minuut in smalltalk waarbij we elkaar aanmoedigen om koudere douches te nemen. En dat allemaal in ons nakie. Mijn lijf voelt al wat lichter na de training, alsof iemand een jas van pek van mijn schouders heeft getild. Ik douch heet en snel. Vroeger kon ik een half uur onder de douche staan, maar in de fitness ben ik er in een wip weer uit. Het feit dat iedereen er zijn douche neemt helpt daarbij wel. Soms hoor ik mannen rochelen of slijmen ophoesten of zie ik iemands schimmelige voeten. Voeten komen echt in alle vormen en kleuren, dat besef ik goed sinds een jaar of drie. Met nog twintig minuten tot sluiting besluit ik toch even in de sauna te gaan, enerzijds omdat die nog aanstaat, maar meer omdat de pek wel van mijn lichaam is, maar mijn hoofd voelt nog stroperig. Ik hoop dat de sauna hier verandering in kan brengen. De temperatuur is een negentig graden en ik zet me tegen het hete hout. De geur van eucalyptus zoekt zich agressief een weg in mijn neusgaten en de dampen lijken in een flits mijn hersenpan te hebben bereikt, ik voel hoe ze een wolk maken in mijn hoofd. Nadat de zwaarte mijn lichaam heeft verlaten, is het nu de beurt aan mijn geest. Mijn gedachten verdampen in de hitte zoals ook de druppels op mijn armen verdwijnen, ze worden opgeslokt in de ruimte. Het is alsof mijn hoofd een kookpot is met een deksel en daaronder een vergiet, en wanneer het deksel eindelijk opzij schuift, verdampen alle zorgen en mijn echte gedachten, die eronder verstopt zaten, krijgen de lucht die nodig was. Onder die hoop zorgen zit altijd een nieuw inzicht, een kritische zelfreflectie of een portie verstilling. Terwijl ik stilaan bevrijd word van de pek die bovenop mijn hersenen is gaan kleven, denk ik na over deze dag. Deze ochtend voelde ik me oud, want sinds enige tijd zijn mijn cursisten (veel) jonger dan ik. Wanneer ik de lijst in het systeem check nog voordat ik deze mensen heb aanschouwd, situeren de geboortedata zich meestal van de jaren negentig tot tweeduizend, met hier en daar een uitschieter van een man of vrouw die mijn vader, moeder of zelfs grootouder zou kunnen zijn. Een eerste kennismaking is vaak een bevestiging: een hoop jonge mensen bij elkaar. Dat was tien jaar geleden anders, toen was ik nog groen achter mijn oren. Maar hier, in de fitnessclub, voel ik me altijd erg jong. Niet alleen fysiek, maar ook wanneer ik niet kan meepraten over dagelijkse bezoekjes aan de apotheek of kleinkinderen die niet op bezoek komen. In de klas probeer ik af en toe jong te zijn door iets te beamen over het leven met een baby of een examen studeren op de unief, en in de fitnessclub kom ik soms tussen wanneer ik die wedstrijd van den Antwerp ook heb gezien. Maar momenteel val ik overal tussen.

Lennart Vanstaen
34 3