Ooit droeg ik mijn lichaam
achteloos met me mee .
Ik zette het soms wekenlang aan de kant
gedachteloos verzonken in zijn eigen wereld.
Vergeten.
Nooit heeft het mij om hulp gevraagd
of me ook maar enige nalatigheid verweten.
En nu, als bij donderslag, is het te laat
want het wordt door een nieuwe meesteres opgejaagd.
Hij is haar gastheer moeten worden
en laat haar maar betijen
aanvaardend dat zij hem nodig heeft om hier te kunnen gedijen.
Oneindig deelt ze zich in hem op
hartstochtelijk
naar het vege lijf waar ze zich mee voeden moet.
Zij is hem volledig
en hij is haar geleidelijk aan
steeds meer aan het worden.
Tot zij hem als een Feniks open zal doen splijten
en hij er enkel nog zal zijn
als een lege huid gerimpeld door haar pijn.