Ik weet dat mijn collega’s het doen. Met post-its. Stiekem. Tussen koffietassen en laptops.
Kleine gekleurde briefjes die zogezegd ergens anders voor dienen.
Post-its met tijdstippen.Met pijltjes. Met hoofdletters. (LIEFST VOOR 11U) Post-its met voorzorgen. Met alternatieven. Met stilzwijgende afspraken.
Ik zie het voor me. Een muur. Een kastdeur. Een prikbord. Een soort commandocentrum.
Plan Katrien.
Want vóór elf uur in de ochtend hebben de avondmensen het zwaar. Dan krijgen ze het te verduren: de actieven, de vroege vogels, het type mens dat al drie ideeën heeft voor er koffie is. Dan zijn ze nog niet bestand tegen enthousiasme. En al zeker niet tegen iemand die praat zoals ik.
Ik geef hen mee dat ik stil te krijgen ben in twee mogelijke situaties.
Ofwel ben ik de overtreffende trap van boos en dat wil je echt niet.
Ofwel ben ik dood. Of ze dat willen, laat ik wijselijk in het midden.
Ik weet het.
Ik ben een babbelgat.
Mijn mond staat nooit stil.
Ik praat tegen onbekenden in de lift alsof we samen op reis zijn en niet gewoon onderweg
naar verdieping drie. Alsof we straks nog een koffie gaan drinken en elkaars levens gaan samenvatten in twee minuten en een halve spiegel.
Ik praat tegen de kassierster van de GB over welke chocolade vandaag echt mee moet.
Omdat ge dat voelt, hé. Dat dat zo’n dag is. Over dat ge eigenlijk maar voor twee dingen binnenkwam en nu toch weer met een kar staat waarvan ge zelf zegt: ja bon, ’t zal nodig geweest zijn. Over hoe een winkelkar altijd trekt naar de verkeerde kant, en dat dat niet uw fout is maar een fabricageprobleem.
Ik praat op vergaderingen over nog te evalueren punten, over dingen die we zeker moeten meenemen, over dingen die misschien ook nog belangrijk zijn en die we dan later nog wel eens bekijken.
Ik praat tijdens de middagpauze over wat ik morgen ga eten. Planning in het leven is alles.
En ondertussen denkt iedereen:
Die zegt alles.
Die is rechtuit.
Die kan niet zwijgen.
Laat ons even ernstig zijn. Dat babbelen is geen afwijking. Geen charme. Geen karaktertrek.Het is een stoornis. Een aandoening.
Diagnose: subassertief (pratend zwijgen voor de buitenstaanders)
Kenmerken:
overmatige woordproductie,
vermijden van directe benoeming,
stilte ervaren als bedreigend.
Onderliggende factoren:
angst om te kwetsen,
angst om te verliezen,
angst voor wat volgt
na de waarheid.
Prognose: chronisch, maar sociaal aanvaard.
Behandeling: zelfinzicht, en een omgeving die leert luisteren naar wat niet gezegd wordt.
Mijn babbelen is geen spreken.
Het is camouflage.
Een rookgordijn van woorden waarachter ik netjes verberg wat ik niet durf benoemen.
Mijn praten is geen lawaai. Het is oorverdovend zwijgen.
Wat ik niet zeg, verdwijnt niet.
Het gaat pruttelen.
Sudderen.
Slowcooken.
En in het beste geval
brouw ik er een schrijfsel mee,
zoals nu.
Dat is mijn manier van zwijgen.
Maar ik ben niet alleen.
Er is het zwijgen van wie alles netjes op een rij heeft. Het zwijgen dat klinkt als duidelijkheid en zich verstopt achter schema’s en rust. Het zwijgen uit beleefdheid. Dat glimlacht, knikt en later zegt: “Het was eigenlijk niet oké.” Het zwijgen uit angst. Dat bang is om iets los te maken wat niet meer terug in de doos wil. Het strategische zwijgen. Dat wacht. En timing als excuus gebruikt. Het zwijgen van de vermoeiden. Van wie geen woorden meer over heeft omdat ze te vaak niet gehoord zijn. En dan is er het zwijgen in de liefde. Dat kan sterk zijn. Zoals: wij hebben geen woorden nodig. Een stilte die draagt. Maar soms schuurt het. Dan wordt zwijgen een afstand. Een lijn. Een stil afgesproken even niet. Menselijk. Maar nooit plezant.
En dan is er nog het collectieve zwijgen. Dat van veronderstellen. Van hopen dat de ander het wel weet. Van samen niets zeggen en dat zorg noemen.
Soms denk ik dat het eenvoudiger zou zijn als we niet zoveel moesten raden.
Stel je voor. Een ideale wereld.
Een wereld waarin we allemaal rondlopen met een gedachtenscherm boven ons hoofd. Gewoon een sober venster waarop verschijnt wat je eigenlijk verzwijgt.
Dan staat het er.
Dan weet Tom hoe leuk ik hem vind. Dan leest Maggy wanneer ze weer aan het zagen is. Dan kan Paul eindelijk werk maken van die deo. Dan weet Els dat ik eigenlijk vind dat ze gelijk heeft. Ook al heb ik dat nog nooit toegegeven.
Tak.
Tak.
Tak.
Eindelijk alles duidelijk. Eindelijk plaatsvervangend spreken tijdens het zwijgen.
En als dan dat ene moment komt waarop ik wél stil word. Daar... bij de overtreffende trap van boos.
Dan verschijnt het eindelijk op mijn scherm. Eén zin. In drukletters. In rood.
PAK MIJ NU GEWOON EENS NE KEER VAST.
Dat is alles. Dat is eigenlijk alles waarover ik de hele tijd aan het zwijgen was.

