het bloemen van de velden
zoet sappig en uitgelaten als een wind
een onzichtbare reus die zijn vluchtige
voetafdrukken door het bedauwd gras kamt
zijn tenen zijn wreef
zijn hiel
een storm van geneugten die
het onweer inluidt
zoals het kwaad ten tonele gevoerd
en dat enkel om niet te verwelken
net te verzwelgen
in de lente die gedoemd, keer op keer
haar einde aan kondigt met levendige kreten van
beloften, waar de zomer
zwanger van haar vrucht tot lamlendigheid is veroordeeld
te ondergaan wat onverhoopt
afwezig bleef
in haar belofte op meer dan een punt