Over Anton Nymand

Zie mijn ommezijde.

Publicaties

"Genotzaakt" door A. Nymand, gepoubelliceerd bij De Luie Mier (2025) te Sint-Amandsberg.

"Kosmoscopie" door A. Nymand, gepoubelliceerd bij De Luie Mier (2023) te Sint-Amandsberg.

"Op mijn hoofd" - Openbundel door A. Nymand, gepoubelliceerd bij De Luie Mier. 35 Mei 2019 te Sint-Amantsberg.   

Teksten

Het leven is me er eentje

Het kan niet alle dagen feest zijn, maar als het dan geen feest is, dan kan het leven behoorlijk vervelend worden. Ik had deze morgen gerust vrede kunnen nemen met de laatste korsten van mijn brood tot ik ontdekte dat de muizen die de spouwen van mijn ongeïsoleerde bestaan bewonen zich er al te goed aan deden. Als dank kreeg ik een handvol hagelslag cadeau, zo vriendelijk zijn ze wel. Toch bedank ik liever voor dit ontbijt. Heel even nog probeerde mijn koelkast mij te verleiden op zoek te gaan naar de benodigde boter. Met een verwelkomend gebaar strekte ze haar deur zo ver mogelijk open als een kind dat wil tonen dat het weldegelijk zijn tanden had gepoetst. Daar wist toch het kleinste kind al hoe je daar onderuit kan geraken. Je mag je niet laten vangen, een mens houdt ze maar beter in de gaten.  Gelukkig wist ik ook die muizenissen van mij af te schudden. De gang en het vooruitzicht van de razende buitenwereld die zich kenbaar maakt als het verblindend licht door de ruit van mijn voordeur priemt, voelden aan als een zucht van bevrijding. Het geklungel met de veters van mijn schoenen gijzelt mijn vingers en de wisselende druk op mijn borst ontneemt mij meteen weer vrij te ademen. Ik klungel wat aan alsof ik niet meer wet hoe mijn veters te strikken. ‘Doe eens kalm’ wilde ik mezelf niet zeggen en toch hoorde ik het de hele tijd gonzen als een hartslag in mijn oren. Het pompen hoort eerder als een verbrijzelen. Eindelijk zongen mijn voeten en in twee stappen zwaaide de poort van het licht open.  Met een ronde bocht zo groot als zijn draaicirkel, draai ik mijn lichtgrijze Taunus tussen de Fiesta en de Ibiza uit het baanvak op. De linker raam gaat met een piepend geluid in het ritme van mijn draaiende handbeweging naar beneden tot ze zich te slapen legt in mijn portier. De radio kraakt wat maar valt dan midden in een nummer dat bluer than velvet were her eyes kreunt over deze walgelijke ochtendblues. Zo blauw als mijn Taunus, de ogen van mijn siamese kater en de lucht op deze zonovergoten ochtend. Waar zat dat rotbeest eigenlijk? Kon ik dan niet een ding van hem verwachten? Nee zo is het leven.  Inmiddels sta ik op de parking van de supermarkt. In de achteruitspiegel zie ik brave burgers zoeken naar dat inmiddels zeldzaam geworden muntstuk. De sleutel die ons toegang geeft tot onze trouwe charettes altijd klaar om uw toekomstig afval mee te zeulen door de winkel. Eenmaal de rollende slachtbank gepasseerd, scheiden de wegen opnieuw. Eerder onverschillig nu ik het zo bekijk. Ik wacht even tot die halve gare zijn oude gebruikte kar kan slijten aan een nieuwe klant,  maar het duurt even. De hoofdjes van het verse koopvee knikken braaf voorover om elke sociale interactie te kunnen vermijden. Ook andere sociale funerarium technieken worden toegepast. Iemand doet of hij iets zoekt in zijn zakken, een ander begint te bellen met zichzelf, een ander verzint de halfbakken smoes dat ie geen wisselgeld heeft.  Nog even en het wordt irritant. Ik kan niet uitstappen anders verlies ik mijn onverschillige pose. Ik heb altijd wat voorradig om zulke aanstellers te omzeilen, maar nog meer verkies ik te doen alsof het niet bestaat. Beter verdient zulk gespuis eenvoudigweg niet. Je riekt zulke humanisten, ja want dat zijn het, al van ver. Dat heb je dan als je met open ramen van het leven wilt genieten, de geur van zelfvoldane goedzakken want ook zij zijn het waard. Ze rieken naar zeemzoet geloof in een met honing overgoten wereld waar kinderen zichzelf wel zullen opvoeden, een geloof in de mens ontdaan van al haar onaardigheden in het leven. Zoals muizen die je ontbijt verkloten of een huiskater die niet thuis geeft wanneer zijn enige raison d’être zijn opwachting maakt, maar de jacht hem niet roept.  Mijn blik verglijdt naar de zijspiegel op rechts. Een stel lange benen die je kunnen uitbenen vanop het trottoir aan de overkant, kliefde doorheen mijn gezichtsveld als was het door de boter die ik zou gaan halen in de supermarkt. Als omkijk zie nog net een rietenhoed en een witteblouse verdwijnen. Snel frutsel ik een kauwgom of drie uit het potje voor mijn handrem en gooi mijn deur open. Plots was ik op jacht naar de rest van de benen. De deur slaat dicht als ik reeds voorbij mijn kofferbak ben, maar ik zie niet meteen een verschijning die beantwoordt aan de driftigheid waarmee ik mijn Taunus ongesloten achterliet.  Dat is een zeldzaamheid. Ik sta stil en kijk even rond. Als betrapt moet ik lachen al weet ik eigenlijk niet goed om wat dan precies. Toch heb ik iets mispeutert, ik heb alle bloemen uitgetrokken en ik maakte het veel te grof. Zo vroeg op de ochtend en opnieuw laat ik mij mijn onschuld ontnemen. In mijn gedachten vliegen de benen nog verschillende keren door de lucht als concordes in de bovenste lagen van het luchtruim terwijl ik mijn weg naar binnen neem. Ik vergeet de kar en been rechtstreeks naar de gang met drank. Net als ik de textuur van haar blouse weet te ontrafelen, zie ik dat mijn voeten tegen elkaar voor het rek staan met speciaal bieren.  Twee halve liters stout vervoegen mijn handen en fluitend loop ik naar de kassa. Als een slag bij heldere hemel opende het gouden uur zich. In plaats van een brood, hagelslag en boter, had ik nu de oplossing gevonden in boterhammen waar niet op te knabbelen valt.  Opnieuw voelt het leven weer als een deugeniet aan, een kwajongensstreek waar om gelachen kan worden, maar nog steeds heeft het me liggen.   

Anton Nymand
0 0

Dief in de nacht

Er sluipt een dief in de nacht behoedzaam gaan zijn handen om mijn letters, mijn woorden, mijn tekeningen, vluchtig graaiend naar alles wat geen tijd genoeg had zich te verstoppen niet de autosleutels of de portefeuille, niet de sierraden van achttien karaat ook niet de familiejuwelen beroeren zijn vingertoppen   niet mijn platencollectie of de geluidsinstallatie, niet mijn computer, ook niet mijn geesem lustigen zijn dorst laat staan de dossiers met al mijn bankgegevens, mijn diploma’s of de geboorteakte van mijn eerstgeboren zoon   Er sluipt een dief in de nacht behoedzaam, op de tast door mijn donker zijn gretigheid welt op aan een bron die zou uitdrogen zou hij door politie in de boeien van de taal tot dief worden veroordeeld veroordeeld tot het stelen met zijn handen, veroordeeld tot nog meer stelen om te voorkomen dat ook zijn blik, ook zijn zien en zijn kijken zouden boeien   en toch bewoog in hem iets rond het roerde zijn zielselen als een dikke zoemend vlieg die weerbarstig het spreken onderbreekt met slagen en verontschuldigingen   hij deed steeds het licht uit, ookal maakte dit voor niets of niemand een verschil afgezien dan van hij die de stilte geniet en het oneindige plezier betrapt te kunnen worden aandachtig luister ik dan in bed of ik iets hoor of op zoek naar bevestiging dat ik zonet iets hoorde en of ik dan echt iets hoor en bedenk allerlei redenen waarom het niet kan zijn dat wat ik hoor, wat ik vrees te horen, ik dit kan horen enkel slaap kan mij dan nog redden   wat hij dan loopt zoeken in mijn huis het gat, de leemte, het hiaat, de bres, de kloof dwars doorheen elke redenering of gekunstelde logica, daar waar het hapert, stuntelt, struikelt, soms in brokken vaneen valt tegen een vervrozen ondergrond, daar waar hij hapert een dief die geen dief wenst te zijn, maar wel betrapt   daar is het om te doen er in zou betekenen er in blijven en ten onder gaan in plaats van voortgestuwt te worden Het drijft hem, als een raket op pantoffels waarvan de voorraad tank maar niet lijkt te lossen genot stuwt hem voort voorbij het genieten   Er waart een dief door mijn huis in de schaduw van mijn geleeften in de stilte van de schuld die wil ik niet zijn hij bewoont mijn vlees tot aan mijn botten roert mijn dampende ingewanden en spookt tussen mijn woorden, mijn gedachten zijn handen doen mijn rug rillen priemende ogen veren al mijn haren recht   Er waart een dief in mijn huis hij sluipt in de nacht als de dood in het bloed dat door mijn aderen spuit

Anton Nymand
0 0