Je legde een spoor voor ons,
nodigde me uit
en we grepen in elkaar.
Onze ogen als handen
hielden vast wat wij
begrepen, maar niet wisten.
We stapten op de trein,
zagen niets anders dan grond
en misten woorden als water.
Je legde een spoor voor ons,
ik vond mijn evenwicht niet
en we grepen naast elkaar.
