Boot

15 aug 2026 · 2 keer gelezen · 1 keer geliket

Paul is te laat en dat overkomt hem niet vaak. Het is de schuld van het touw. Hij had het vanuit de verte zien liggen en had het stuur van zijn boot gedraaid om te gaan kijken. Het dreef meterslang op het water en dook dan de diepte in. Het water was nog koud voor de tijd van het jaar. De winter klemde haar hand om de baai, het ijs tussen de sparren was nog niet volledig gesmolten. Paul steekt zijn hand door het wateroppervlak en rilt wanneer hij het touw langs zijn handpalmen voelt glibberen. Hij heeft hier nu geen tijd voor, maar het kan hier ook niet blijven liggen. Behendig loopt hij naar het voorsteven van de boot en knoopt een van zijn witte boeien los, die hij vervolgens aan het touw vastbindt. Op de terugweg, wanneer Sean bij hem is, zal hij dit probleem wel oplossen. Hij gooit de boei overboord.

Door het akkefietje komt hij later dan verwacht aan op het vasteland. De twee Franse toeristen staan naast Sean te wachten. Ze lijken klaar om naar het eiland te vertrekken, waar ze drie weken zullen verblijven. Wanneer hij aanmeert, neemt hij hen van kop tot teen op.

‘Hebben jullie een trui en een jas mee?’

De Franse man ziet er jongensachtig uit in zijn zwarte T-shirt en jeans. Hij zegt niet veel, maar zijn vriendin knikt.

‘Doe die maar aan. Op het water is het minstens vijf graden kouder dan hier en de wind is ijzig.’

Ze stellen geen vragen en nemen hun jassen uit hun rugzakken.

‘De laatste keer waren hier drie Britse jongeren,’ vertelt Paul aan Sean. ‘Een van hen had niet eens een jas. Ze waren de kou wel gewoon, zei die. Ja, dan kende die ons Canadees weer toch nog niet. Ik heb hem halverwege de overzet mijn trui en mijn jas moeten geven.’

Sean moet er hardop van lachen, terwijl Paul hoofdschuddend de boot inlaadt.

‘Klaar?’ vraagt hij dan aan de Fransen. Tot hiertoe hebben ze nog steeds weinig gezegd. Ze lijken bijna geen échte Fransen, die Paul meestal arrogant of snobistisch vindt. Deze Fransen stappen zonder veel allures de boot in. Het meisje heeft regenlaarsjes aan. Op voorhand had ze Paul gevraagd wat ze mee moest nemen naar het eiland. Hij is blij dat ze zijn advies ter harte heeft genomen.

Sean maakt de boot los van de kade en Paul manoeuvreert voorzichtig de haven uit.

‘Hoe gaat het met Anne?’ vraagt Sean, nu de motor nog niet oorverdovend is.

Paul vingers klemmen zich even om het stuur en dan laat hij weer los.

‘Het gaat,’ zegt hij. Meer woorden vindt hij niet. Hij volgt de vlucht van zilvermeeuw die laag over het water scheert. Ondanks de kou prikt de zon in zijn gezicht. Hij kijkt pas weg wanneer Seans blik van zijn huid afkruipt. Het verblindende licht van de zon heeft een waterig laagje op zijn ogen achtergelaten.

‘De eerste zonnige dag van deze lente,’ zegt Sean tegen niemand in het bijzonder. De Fransen knikken en kijken hun ogen uit. Sean wijst hen op zeehonden die nieuwsgierig hun kop boven de zeespiegel uitsteken en een visarend die zijn nest verstevigt op een rots in de verte.

‘We moeten nog even een omweg maken,’ roept Paul wanneer ze op volle snelheid zijn. ‘Er drijft verderop een touw dat we weg moeten halen. Ik heb mijn boei eraan vastgeknoopt zodat ik het terug zou kunnen vinden.’

‘Een touw?’ schreeuwt Sean terug over het geluid van de motor. ‘Krabbenkooien?’

‘Ik vermoed van wel,’ zegt Paul. ‘En slecht vastgemaakt. Dat touw slingert echt meters de oceaan in.’

Het duurt niet lang voor hij zijn boei weer gevonden heeft. Zelfs op eenenzeventig jaar is zijn geheugen en zijn oriëntatievermogen nog erg goed. Hij legt de motor stil.

‘Jezus,’ zegt Sean. ‘Dat is echt gigantisch.’

‘Is dat abnormaal?’ vraagt het Franse meisje.

Sean knikt. ‘Krabbenkooien zitten meestal vast aan een lijn die met boeien gemarkeerd is en aan het land is vastgemaakt. Dit touw drijft gewoon vrij rond.’

‘En is niet gemarkeerd,’ voegt Paul eraan toe.

‘Illegale praktijken?’ vraagt het meisje en Paul knikt.

‘Gebeurt dat vaak?’ mengt de Franse jongen zich nu ook.

Sean haalt zijn schouders op. ‘Wij kennen zeker mensen die zo’n streek durven uithalen.’

Hij heeft zijn hand al in het water gestoken en trekt aan het touw.

‘Jezus, zo zwaar! Hier hangt een hele resem kooien aan,’ zegt hij. De spieren in zijn nek spannen op bij elke ruk die hij aan het koord geeft. Met zijn andere hand laat hij het touw in concentrische cirkels in de boot vallen, zodat het niet in de war geraakt. De Fransen steken geen poot uit. Ze kijken geïntrigeerd naar wat Peter doet, maar hoe langer het duurt, hoe vaker hun blikken afglijden naar het water. Op zoek naar zeehonden, waarschijnlijk. Paul had gedacht dat het touw sneller zou eindigen. Er ligt al vijftien of twintig meter in de boot en nog steeds is er geen spoor van een kooi die boven water komt.

‘Ik weet dat je die kooien met stenen moet verzwaren, maar dit is toch wel extreem,’ lacht Sean dan. Het is maar zeven graden hier, maar toch staat hij al in het zweet.

‘Zie je al iets?’

Sean schudt zijn hoofd. Paul heeft zijn handen nog steeds om het stuur. Hij houdt Sean scherp in de gaten. Pas wanneer er meer rimpelingen op het water ontstaan, beseft hij dat hij beter zou wegkijken. Hij wil niet denken aan de laatste keer dat de wateroppervlakte voor zijn ogen brak, maar het gebeurt vanzelf. De zee klotst op dezelfde manier tegen de boot aan, hij proeft hetzelfde zout op zijn lippen. Hij ziet Seans handen naar beneden reiken alsof het zijn eigen handen zijn die in de diepte graaien, trekken en sleuren. De Fransen staan recht om te kijken wat Sean uit het water haalt, hun stemmen klinken fel van verbazing. Ze steken nu toch hun handen uit, ze buigen hun lichamen over de rand van de boot om Sean te helpen. Paul wil hen waarschuwen, maar hij blijft staan met roerloze vingers. Hij voelt weer die natte, opgeblazen huid onder zijn handpalmen. Hij ziet weer de uitgedoofde blik van zijn kind, het haar dat uitwaaierde in de donkerblauwe diepte. Hij denkt aan Joanne, aan haar dunne lippen toen hij het lichaam van hun zoon over de drempel van hun huis droeg.

Het liefst wil hij de sleutel omdraaien, de boot in achteruit zetten en wegvaren, maakt niet uit naar waar. Hij wil weg van dit water, de schommelende boot en deze verdomde blauwe hemel.

‘Wacht,’ zegt Sean.

De Fransen houden allebei hun handen in het water, ze zeulen met iets zwaar.

‘Trek maar over de rand,’ instrueert Sean. ‘Tel tot drie en dan trekken.’

Met een enorme krachtinspanning halen ze een houten kooi aan boord. Grote, gladde keien botsen tegen elkaar op de bodem. Daarbovenop zit een kleine krab.

‘Zo’n kleintje,’ zegt het Franse meisje. ‘Hoe lief.’

De aanblik van de kooi haalt Paul uit zijn staat van verdoving. Hij merkt hoe Sean naar hem kijkt. Met vastberaden passen loopt hij naar zijn drie passagiers. Hij grijpt de kooi met beide handen. Hij is een visser, hij weet wat hij doet. De krab klikt met zijn scharen wanneer Paul hem bij zijn schild oppakt. Hij spartelt in de lucht als een verdronken kind tot Paul hem over de rand van de boot laat zakken en hem voorzichtig terug in het water laat glijden.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

15 aug 2026 · 2 keer gelezen · 1 keer geliket