eenstweedrie

Over eenstweedrie

Schrijven zit in mijn lijf als eb en vloed: soms vloeit het terug, dan overspoelt het mij. In meer of mindere mate heb van kindsbeen af verhalen geschreven. Momenteel probeer ik mijn droom te verwezenlijken als student aan de Schrijversacademie van Creatief Schrijven en door eens in de zoveel tijd afgewezen te worden bij een literair tijdschrift. Ik startte met een eigen schrijfproject dat Weke Woorden heet en dat op www.eenstweedrie.be te lezen is.

Opleiding

Ik studeerde Geschiedenis van de Oudheid en vervolgens volgde ik een tweede master in de Literatuurwetenschappen.

Momenteel ben ik student aan de Schrijversacademie.

Teksten

Boot

Paul is te laat en dat overkomt hem niet vaak. Het is de schuld van het touw. Hij had het vanuit de verte zien liggen en had het stuur van zijn boot gedraaid om te gaan kijken. Het dreef meterslang op het water en dook dan de diepte in. Het water was nog koud voor de tijd van het jaar. De winter klemde haar hand om de baai, het ijs tussen de sparren was nog niet volledig gesmolten. Paul steekt zijn hand door het wateroppervlak en rilt wanneer hij het touw langs zijn handpalmen voelt glibberen. Hij heeft hier nu geen tijd voor, maar het kan hier ook niet blijven liggen. Behendig loopt hij naar het voorsteven van de boot en knoopt een van zijn witte boeien los, die hij vervolgens aan het touw vastbindt. Op de terugweg, wanneer Sean bij hem is, zal hij dit probleem wel oplossen. Hij gooit de boei overboord. Door het akkefietje komt hij later dan verwacht aan op het vasteland. De twee Franse toeristen staan naast Sean te wachten. Ze lijken klaar om naar het eiland te vertrekken, waar ze drie weken zullen verblijven. Wanneer hij aanmeert, neemt hij hen van kop tot teen op. ‘Hebben jullie een trui en een jas mee?’ De Franse man ziet er jongensachtig uit in zijn zwarte T-shirt en jeans. Hij zegt niet veel, maar zijn vriendin knikt. ‘Doe die maar aan. Op het water is het minstens vijf graden kouder dan hier en de wind is ijzig.’ Ze stellen geen vragen en nemen hun jassen uit hun rugzakken. ‘De laatste keer waren hier drie Britse jongeren,’ vertelt Paul aan Sean. ‘Een van hen had niet eens een jas. Ze waren de kou wel gewoon, zei die. Ja, dan kende die ons Canadees weer toch nog niet. Ik heb hem halverwege de overzet mijn trui en mijn jas moeten geven.’ Sean moet er hardop van lachen, terwijl Paul hoofdschuddend de boot inlaadt. ‘Klaar?’ vraagt hij dan aan de Fransen. Tot hiertoe hebben ze nog steeds weinig gezegd. Ze lijken bijna geen échte Fransen, die Paul meestal arrogant of snobistisch vindt. Deze Fransen stappen zonder veel allures de boot in. Het meisje heeft regenlaarsjes aan. Op voorhand had ze Paul gevraagd wat ze mee moest nemen naar het eiland. Hij is blij dat ze zijn advies ter harte heeft genomen. Sean maakt de boot los van de kade en Paul manoeuvreert voorzichtig de haven uit. ‘Hoe gaat het met Anne?’ vraagt Sean, nu de motor nog niet oorverdovend is. Paul vingers klemmen zich even om het stuur en dan laat hij weer los. ‘Het gaat,’ zegt hij. Meer woorden vindt hij niet. Hij volgt de vlucht van zilvermeeuw die laag over het water scheert. Ondanks de kou prikt de zon in zijn gezicht. Hij kijkt pas weg wanneer Seans blik van zijn huid afkruipt. Het verblindende licht van de zon heeft een waterig laagje op zijn ogen achtergelaten. ‘De eerste zonnige dag van deze lente,’ zegt Sean tegen niemand in het bijzonder. De Fransen knikken en kijken hun ogen uit. Sean wijst hen op zeehonden die nieuwsgierig hun kop boven de zeespiegel uitsteken en een visarend die zijn nest verstevigt op een rots in de verte. ‘We moeten nog even een omweg maken,’ roept Paul wanneer ze op volle snelheid zijn. ‘Er drijft verderop een touw dat we weg moeten halen. Ik heb mijn boei eraan vastgeknoopt zodat ik het terug zou kunnen vinden.’ ‘Een touw?’ schreeuwt Sean terug over het geluid van de motor. ‘Krabbenkooien?’ ‘Ik vermoed van wel,’ zegt Paul. ‘En slecht vastgemaakt. Dat touw slingert echt meters de oceaan in.’ Het duurt niet lang voor hij zijn boei weer gevonden heeft. Zelfs op eenenzeventig jaar is zijn geheugen en zijn oriëntatievermogen nog erg goed. Hij legt de motor stil. ‘Jezus,’ zegt Sean. ‘Dat is echt gigantisch.’ ‘Is dat abnormaal?’ vraagt het Franse meisje. Sean knikt. ‘Krabbenkooien zitten meestal vast aan een lijn die met boeien gemarkeerd is en aan het land is vastgemaakt. Dit touw drijft gewoon vrij rond.’ ‘En is niet gemarkeerd,’ voegt Paul eraan toe. ‘Illegale praktijken?’ vraagt het meisje en Paul knikt. ‘Gebeurt dat vaak?’ mengt de Franse jongen zich nu ook. Sean haalt zijn schouders op. ‘Wij kennen zeker mensen die zo’n streek durven uithalen.’ Hij heeft zijn hand al in het water gestoken en trekt aan het touw. ‘Jezus, zo zwaar! Hier hangt een hele resem kooien aan,’ zegt hij. De spieren in zijn nek spannen op bij elke ruk die hij aan het koord geeft. Met zijn andere hand laat hij het touw in concentrische cirkels in de boot vallen, zodat het niet in de war geraakt. De Fransen steken geen poot uit. Ze kijken geïntrigeerd naar wat Peter doet, maar hoe langer het duurt, hoe vaker hun blikken afglijden naar het water. Op zoek naar zeehonden, waarschijnlijk. Paul had gedacht dat het touw sneller zou eindigen. Er ligt al vijftien of twintig meter in de boot en nog steeds is er geen spoor van een kooi die boven water komt. ‘Ik weet dat je die kooien met stenen moet verzwaren, maar dit is toch wel extreem,’ lacht Sean dan. Het is maar zeven graden hier, maar toch staat hij al in het zweet. ‘Zie je al iets?’ Sean schudt zijn hoofd. Paul heeft zijn handen nog steeds om het stuur. Hij houdt Sean scherp in de gaten. Pas wanneer er meer rimpelingen op het water ontstaan, beseft hij dat hij beter zou wegkijken. Hij wil niet denken aan de laatste keer dat de wateroppervlakte voor zijn ogen brak, maar het gebeurt vanzelf. De zee klotst op dezelfde manier tegen de boot aan, hij proeft hetzelfde zout op zijn lippen. Hij ziet Seans handen naar beneden reiken alsof het zijn eigen handen zijn die in de diepte graaien, trekken en sleuren. De Fransen staan recht om te kijken wat Sean uit het water haalt, hun stemmen klinken fel van verbazing. Ze steken nu toch hun handen uit, ze buigen hun lichamen over de rand van de boot om Sean te helpen. Paul wil hen waarschuwen, maar hij blijft staan met roerloze vingers. Hij voelt weer die natte, opgeblazen huid onder zijn handpalmen. Hij ziet weer de uitgedoofde blik van zijn kind, het haar dat uitwaaierde in de donkerblauwe diepte. Hij denkt aan Joanne, aan haar dunne lippen toen hij het lichaam van hun zoon over de drempel van hun huis droeg. Het liefst wil hij de sleutel omdraaien, de boot in achteruit zetten en wegvaren, maakt niet uit naar waar. Hij wil weg van dit water, de schommelende boot en deze verdomde blauwe hemel. ‘Wacht,’ zegt Sean. De Fransen houden allebei hun handen in het water, ze zeulen met iets zwaar. ‘Trek maar over de rand,’ instrueert Sean. ‘Tel tot drie en dan trekken.’ Met een enorme krachtinspanning halen ze een houten kooi aan boord. Grote, gladde keien botsen tegen elkaar op de bodem. Daarbovenop zit een kleine krab. ‘Zo’n kleintje,’ zegt het Franse meisje. ‘Hoe lief.’ De aanblik van de kooi haalt Paul uit zijn staat van verdoving. Hij merkt hoe Sean naar hem kijkt. Met vastberaden passen loopt hij naar zijn drie passagiers. Hij grijpt de kooi met beide handen. Hij is een visser, hij weet wat hij doet. De krab klikt met zijn scharen wanneer Paul hem bij zijn schild oppakt. Hij spartelt in de lucht als een verdronken kind tot Paul hem over de rand van de boot laat zakken en hem voorzichtig terug in het water laat glijden.

eenstweedrie
2 1
Tip

Het duivenjong

Hij groef een kuil om een verlangen te begraven dat hij niet herkende. Hij groef de kuil met zijn handen, een schop was hij thuis vergeten. Het was lente en de grond was hard, maar niet zo hard dat het onmogelijk was om de eerste laag humus weg te krabben. Zijn nagels werden zwart. Hij had een plekje gekozen onder een grote eik, de enige boom waarvan hij de bladsoort kon herkennen. Het was een zonnige dag en ze waren ook zonnig opgestaan. Zijn vriendin had naast hem gelegen met een glimlach op haar gezicht. Ze was klaarwakker geweest en ze glunderde.Het was hard werken, een kuil graven met je handen. Na een half uur had hij een klein hoopje aarde naast zijn knieën verzameld. Hij liet zijn handen op zijn dijen rusten. De aarde was vochtig en trok strepen op zijn broek. Een hond kwam aan hem snuffelen, keek in het gat en rende weer naar zijn baasje toe. De man knikte naar hem en hij knikte terug. Niets uit hun interactie deed vermoeden dat zijn gedrag op z’n minst bijzonder te noemen was. De man liep verder en zijn hond holde voor hem uit. In hun spoor viel zijn blik op een figuur aan de andere kant van het grasveld waar hij zat te graven. Een vrouw zat op haar hurken in het gras. Haar oranje jas stak als een verdwaald gloeiend kooltje af tegen het beginnend groen dat haar omkaderde. Ze viel op. Ze had Kenny van Southpark kunnen zijn, als ze haar kap over haar hoofd had getrokken. Ze keek naar iets, maar hij kon niet zien naar wat. Haar onbeweeglijkheid deed hem zijn adem inhouden, alsof hij ook stil moest zijn. Hij vergat zijn kuil. Hij bleef kijken naar hoe zij keek naar iets wat buiten beeld viel. Hij dacht aan hoe de wortels van de bomen zich onder hem vertakten en onder het veld door liepen, rechtstreeks naar haar. Hij verbeeldde zich hoe fungi onder de grond via synapsen informatie over hem zouden doorgeven aan haar. Ze zou hem kunnen kennen zonder ooit naar hem te kijken. Ik graaf een kuil om mijn verlangen te verbergen. Als ze bomen waren, zou zij nu weten hoe hij de zon op zijn rug voelde, hoe hij zich ernaar boog. Ze zou weten wat hij voelde wanneer de regen op hem viel, wanneer iemand met een mes in hem zou kerven, hoe hij dronk van grondwater, waar hij voedingstoffen vond. Ze zou weten waar hij zijn nazaten plantte, in welke kuil hij hen verborg. Ze zouden woordeloos kunnen praten. Hij stak zijn vingers weer in de kuil. Bijna in antwoord daarop keek ze om. Hij zwaaide niet naar haar. Hij keek naar haar en ze keek weer weg. Ze legde haar hand op de grond. Een jonge duif viel uit het nest. Hij rommelde met zijn vingers in de kuil. Hij hoorde haar woorden door de grond denderen. Welke duif?Een houtduif, denk ik. Hij zag de vrouw met haar handen over de humuslaag gaan. De aarde reageerde op haar aanraking. Moet ik het oprapen? Moet ik het redden? Moet ik de natuur zijn beloop laten? Gaat het dood?Hij dacht aan zijn vriendin, vanochtend in bed, de grijns op haar gezicht, de woorden die uit haar mond rolden. Hij dacht aan de vogel die uit zijn nest viel en verlaten werd. Meenemen. Redden wat er te redden valt. Eenmaal het jong er is, moet je het koste wat het kost beschermen.De vrouw trok haar hand weg, alsof de grond verzengend was geworden. Hij groef verder en probeerde niet naar haar te kijken, maar even later zag hij haar oogverblindende jas naar de uitgang van het park lopen. Ze hield haar ellebogen geplooid, haar handen voor haar buik geklemd. Hij zag alleen haar oranje rug en toen verdween ze. Een kuil wordt niet per se dieper hoe langer je graaft. Hij bleef over de oppervlakte schuren, brokken aarde gleden tussen zijn vingers. Met het verlangen wilde hij ook de vertwijfeling begraven. Eenmaal het kind er was, moest hij het koste wat het kost beschermen. Wat als het kind uit het nest viel? Er kwam geen antwoord.  +++ Ze had het duivenjong meegenomen uit het park en legde het voorzichtig in het gras van de tuin. Het was dood, in haar handen gestorven onderweg naar huis. Sinds januari geloofde ze niet meer dat een mens alles redden kon en toch trilden haar handen onophoudelijk terwijl ze het lijkje verder droeg als een rouwklager. Ze had haar eigen kind zo willen dragen. De jongen in het park zou pas binnen enkele maanden zijn kind dragen Ze had haar handen op de grond gelegd en ze had hem gezien, echt gezien, niet zoals mensen elkaar in de ogen kijken en denken te weten wat er zich achter de irissen van een ander verschuilt. Ze had zijn angst gezien, zijn twijfel, zijn verlangen. Ze had het ongeboren kind in hem gevoeld en zijn vertwijfelde wens het nu al te willen begraven. Ze wilde hem zeggen dat niets goed voortkwam uit het begraven van een kind. Zijn aanwezigheid en zijn ongeboren kind hadden haar aangespoord het duivenjong mee te nemen, zonder te beseffen wat de uitkomst daarvan zou zijn. Nu was het jong dood. Nu zat ze ermee in de tuin, nu legde ze het op het gras, nu huilde ze om de allesomvattende afwezigheid. Met haar handen groef ze een kuil om te verhinderen dat haar verlangen zou blijven uitdijen. Je kon verlangen niet begraven, ze benijdde de jongen erom dat hij dat dacht. Je kon verlangen alleen inperken, je kon het omringen, je kon het insluiten, je kon het vastzetten zodat het niet groter werd dan jezelf. Het verlangen naar haar eigen kind was groter dan haarzelf. Ze groef en groef en groef en groef. Ze groef een gat dat groter was dan zichzelf. Het was lang en breed en ondiep. Het kostte haar een dag en nog een dag en nog een dag en ze weigerde een schop te gebruiken. Op de vierde dag kon ze er helemaal in gaan liggen. Het duivenjong had ze in een zakje in de vriezer gelegd. Het was koud en klam en een beetje vochtig toen ze het lijkje op haar borst legde in het midden van het gat. Ben je daar?Het was middag, de zon laafde zich aan haar. Het duivenjong schitterde in het licht. Ben je daar?Er kwam geen antwoord. Ze wilde dat ze een boom was, zodat haar wortels altijd in contact zouden staan met een ander, zodat het nooit stil zou zijn. Soms valt het kind uit het nest. Dan wordt het stil. Dan graaf je een kuil en je laat je verlangen erin zakken. Je hoopt dat het verdwijnt. Je hoopt dat met het verlangen ook het verdriet verdwijnt, de vertwijfeling. Maar niets verdwijnt ooit. Het transformeert alleen. Het gaat op in de grond en komt elders weer boven in een vorm die je niet meteen herkent. Ze lag doodstil in de kuil. Haar borst deed het duivenjong bijna opvliegen. Omhoog. Omlaag. Omhoog. Omlaag. Er vlogen kauwen over, schreeuwend. Soms kan je het kind niet beschermen. Dan wordt het overal stil. Ze voelde hem, haar zoon, niet de man in het park. Hij antwoordde woordeloos.Daarna begroef ze het duivenjong. Ze veegde het gat weer dicht, stampte de aarde aan, wiste sporen weg.  +++ Vier dagen later was hij de kuil gaan opzoeken in het park. De kuil was geen kuil meer. Het hoopje zand was weggewaaid of dichtgemaakt door een ander dan hemzelf. Hij wist wel nog exact waar hij gegraven had: die ene plek onder de boom waar de lievevrouwebedstro bloeide. Hij had zijn vriendin meegenomen. Vanochtend had hij zijn hand op haar buik gelegd en haar verteld over de kuil en het duivenjong. Ze had hem verzekerd dat het normaal was om angstig te zijn over de verantwoordelijkheid die ze plots, sinds een paar dagen, moesten dragen. Ze had voorgesteld om iets in de kuil te planten.  Hij toonde haar de boom en de verdwenen maar niet vergeten kuil. De donkere aarde was bijna onzichtbaar onder de lievevrouwebedstro die plots was opgerukt alsof het ook sporen wilde uitwissen. De vrouw met de oranje jas was nergens te zien. Hij stapte naar voren en in zijn beweging botste hij op iets, het tolde rond onder de begroeiing. Zijn vriendin bukte zich en greep het met haar hand. Het was een bruine eikel, onverwacht in het voorjaar. Hij nam hem van haar over en hurkte. Hij  legde zijn hand op de grond. Meenemen? Laten liggen?Een groepje kauwen speelde krijsend in de lucht. Laat maar liggen. Laat maar groeien.

eenstweedrie
200 7