Vannacht verscheen een vrouw.
Ik toonde aan: zij toverde.
Mijn bewijs? Mijn eigen woord.
Wij fietsten langs een lange laan.
De straat bezat geen stoep.
We aten onder parasols
en hoorden een concert
niet ver van een kasteel vandaan.
Zij voelde dat ik haar ontmoette.
Zij voelde dat ik draalde.
Keek zij lang naar mij,
dan keek ik van haar weg.
Ik onttrok me aan haar tover.
Ik onttrok me aan mijn eigen woord.
Mijn bewijsstuk werd vannacht verscheurd.
Wij fietsten ieder naar ons eigen huis.