Zonder clan zijn, wat betekende dat voor hem. Hij zag de zwart witte beelden nog voor hem van de Zwarte vissers in een prauw, die met hetzelfde doel voor ogen aan één zeel trokken. Ze roeiden zich te pletter ergens ter hoogte van de evenaar, en zongen slechts voor hen bekende liederen over een vruchtbare visvangst en een gunstig gestemde zeegod. Die solidariteit stond in schril contrast met de bloederige stammenoorlogen waarover hij gelezen had. Nee, dan liever geen clan. Niet met het mes tussen de tanden en bloeddoorlopen ogen van de qat recht tegenover de ander. Hetzelfde rode metalige bloed, toch de vijandschap. Wanneer zouden we het Monster in de ogen durven kijken dat in plaats van verschillend we zo gelijkend zijn? De schrijver die hij zo bewonderde kon niet meer aarden in België na jaren in de tropen. Hij schreef boeken met ronkende titels als Schroot en Zonder Clan. Hij ging naar de cinema om te vluchten in de film, westerns het liefst, en op een gegeven moment ging hij op de Kalmthoutse Hei wonen. In zijn witte brein visioenen van de drums, die vermaledijde knettergek makende drum die je wel hoorde maar niet zag en de smaak van pili pili op elk gerecht, van gezouten vis, tot maniok en plantijns, dat waren nog eens tijden, van bevrijd zijn van het katholicisme ook, de kneuterige kwezelachtigheid van het moederland, stijve heupen en slappe … thuis, waar is thuis?, steriel de straten, alles leeg en schoon, het spoelen van de kruinen van mensen en bomen met Noordzeeregen, de poëzie van immer vergankelijke en veranderende wolkenformaties, vloekend, met de heiigheid van de doldrums, de koperen ploert torenhoog in het zenit, en in de boîtes repetitieve, hypnotiserende muziek met onbegrijpelijke zanglijnen in een taal die hij begrijpt door haar intonatie maar niet letterlijk, en de droogte, de laffe lucht, zwanger van onweer, in plaats van duiven en merels duiken reptielen weg tussen de struiken, en ergens bewaakt een valse baviaan een compound in plaats van een waakhond, en dan die geschifte president die met zijn privé-vliegtuig champagne ging halen uit Parijs en steaks van Buenos Aires terwijl zijn onderdanen crepeerden van armoede, ja, zo’n fataal triest en levenslustig land was het waar van dag tot dag leven de nomaalste zaak ter wereld was omdat gisteren niet meer bestaat en morgen verre toekomst is, en de kinderen hebben vliegen op het prut van hun ogen, en de jongeren slagen elkaar tot pulp voor een levensgevaarlijke klus in de mijnen voor een habbekrats, voor een habbekrats, terwijl de schrijver, welke schrijver?, kan leven als God in Frankrijk en kan zuipen met de President, en zich vergapen aan jonge maagden, en totaal moraalloos door het leven gaan, en het is jazz, godverdomme, tragische prostituees in New Orleans hebben voorouders in dit vermaledijde door God en klein pierke in de steek gelaten, uitverkoren land voor schooiers, dieven en opportunisten, en waar, waar zijn de vrouwen van die gelukszoekers, waar is het recht en het wetboek, die heet Smith & Wesson, ja, dat moet zo zijn, dit is terug gaan in de tijd, koppensnellen en scalperen, zo gaat het er aan toe, de zwakkeren moeten eruit, de onaangepasten, dit is één groots marktplein, en de oorsprong heeft geen geweten, oren, mond, ogen, iedereen is blind en stom en zwijgt gedwee, de sheriffs zijn corrupt en niks werkt, maar de harten kloppen tegen honderd en uur, de tanden gepuntvijld om het met een neologisme te zeggen, en de airco piept en suft en kraakt als de kranen waarmee de schepen honderd jaar geleden en nu nog geladen en gelost worden, en alles gaat te traag maar stopt wel nooit met bewegen net als hun muziek, die van hun, niet die van ons, want ook al kennen we beide de viool, ze klinkt anders in Zwarte handen dan witte handen, waarom, godverdomme, en die djingel djangel veel te hoog gestemde gitaren brengen extase en lethargie tegelijkertijd, gevangen in een mal van geschifte ritmes tempos, misvieringen en voodoo-achtige rituelen, met offers van geronnen kippenbloed, en zo gaat dat hier maar verder, zelfs als je daar niet meer bent, en kijkt naar de bergen in Zwitserland of een ander ordelijk land waar alles een doel heeft en een eerste beweger, en de mensen rationeel lijken maar eigenlijk verstoppertje spelen, vergeet het niet dat jullie beesten zijn, ja, onmensen, zij waren de nobelen, ik ga over mijn nek, bijna, de nobelste opzichter van de fabriek met naaimachines en weefgetouwen, die al dertig jaar wacht tot ze terugkomen, de witte duivels, om alles terug te laten marcheren, zoals de ijzeren buffels, de boula mataris, en waarom groeit die jungle als kool …
Dat is de koorts van de voormalige koloniaal, die naïeve, crapuleuze wereldverbeteraar, die alles doet voor geld en maagden, en weer, waar zijn die witte vrouwen in dit, dit, dit, inferno, ja, ja, het klopt nog steeds, dit is nog steeds the Heart of Darkness, en niemand die er wat aan kan doen, soms is de wet van de fysica anders op een andere breedtegraad, oost is west en noord is zuid, de zon gaat braaf onder en de sterrenbeelden hebben andere namen maar de dag is even lang als de nacht en de maan staat hoog aan het firmament en in de struiken zitten okapi’s en luipaarden te wachten op het afval van de dag en de nachtelijke kampvuurtjes, hier is het heilige profaan en omgekeerd, en kunnen we maar niet de vinger leggen op waarom alles zo anders is, en we nog steeds met die witte superieure boertige bril blijven kijken omdat dat is wat we doen, verdelen, opsplitsen, graven, speurneuzen, in plaats van alles te laten zoals het is, gewoon alles laten liggen, niks doen, niks doen, gewoon een teen in de rivier en wachten tot de krokodil bijt en we opgeslokt worden en sterven, en leven en sterven zoals al die miljoenen termieten in hun burcht, maar dat is niet in onze aard, we, zij, chacun veut être chef, au … tout est possible, article quinze, débrouillez-vous, bwana kitoko, mooie mooie jongen, Baudouin, tu te souviens le voleur de ton sabre, hein, mais un voleur reste un vouleur, nous nous souvenons ton grand-grand père Leopold II, de hoerenpoeper, geen stap heeft hij gezet op het continent maar zijn staatkunde heeft miljoenen van ons, van hen, onthand, bestaat dat werkwoord, onthanden … ze noemden ons lui, onhandig, ces fils de putes, we zijn er nog steeds en jullie roven nog steeds onze bodems, en dan zijn jullie verbaasd dat we ’s nachts in jullie slaapkamer verschijnen en jullie halsslagader doorbijten? Dat is wat jullie galgenhumor noemen, en wij justice poetique. Ca suffit.
