ovlijee

Gebruikersnaam ovlijee

Teksten

De Overkant

Nina Simone: Take Me To The Water   Het miezert al even. Is het regen of zijn het zilte tranen? Nee, het ziet rood, het worden kruipendebloedvlekken. Hoor het snikken, het groeit crescendo uit tot wanhoopskreten. Hier is nooit zinnelijkheidgeweest, slechts de wens de ogen uit te steken, de oren af te snijden, te krabben tot de pijnde jeuk verlicht. Nog steeds zijn zijniet gearriveerd, en wij, nog steedsdagen we de zee uit en slagen daar wonderwel in,hemelbestormers. De wraak kondigt zich aannochtans in de vorm van hedendaagse Cassandra's. Meisjes zijn ze niet langer. Oorlogen vechten zichzelf uitwant we moeten ons schrap zetten.Straks is er geenoverkant meer. Met het water aan de lippen proeven wehet roestende metaal van geketende karkassen.Hun spierwitte doodskoppen staren op de bodemnaar het verglijden van het getij. Ooit waren we samenvertrokken uit Goudkust, vrijhaven van de opportunisttot in een kist. En eindelijk vrij verdronken ze zonder ons. Geen ruim hield het sterven gevangen. Het geluid van zweepslagen kunnen we aftasten in littekens van brailleop hun ruggen. Getuig nu van hun opstand, de komeetvan de jeugd grijpt om zich heen, kielhaaltde oude slavendrijvers. Het einde van de witte man is de titel van een blijspel dat slechts tragisch isvoor de witte man. Al het geld in de wereldmaar ons onoverkomelijk gebrek aan stijl nodigt uittot leedvermaak. Bovendien hebben hun kinderen uit de sloppenhet allang voor het zeggen. Alles te winnentegen alles te verliezen. Ook kinderen van kinderen vanslaven kunnen de weg wijzen naar het beloofde land. Het ligtalleen niet langer overzee aan de overkant. Het wateris zinnelijk en zuiverend en overal is erwater.

ovlijee
0 0

geen slaaf heet x

wil ik dat ze wordt wie ik niet ben je geslacht kan je nu zelf kiezen             nee, je mag al klopt het plaatje niet waar je plasgaatje ook uitmondt kleur is eveneens manipuleerbaar             in alle tinten huid daaronder zit             je natuurlijke ik helaas nemen we slechts waar en voor waar aan wat we ons verbeelden rasechte clichés verzint onze grijze hersenmassa             een bounty is zwart van buiten                         wit van binnen                                    en banana girls, ja, banana girls vooralsnog kan ik niet de zwarte man zijn die ik             muhammad ali ! ook niet de zwarte vrouw             wie is de grootste zwarte vrouw ooit?   lijden is lijden van hersendood fabrieksarbeider             kinderen in spinnerijen                         de stoflong van de mijnwerker                                    katoenplukker nigger jim                                                tot jude   lijden is erfelijk hoe meer generaties ze telt hoe meer onrecht je erop hebt               zij maakt wel een zijsprong naar dat hart der duisternis dat we zo begeren wij, te wit en vermengd met de neanderthaler heeft onze pik en dansbenen geen goed gedaan   zwart zijn             zwart                         mens                                    man                                                 xy                                                            vrouw                                                                        xx geen slaaf heet x   te beperkt houdbaar onze nood             te labelen                         te brandmerken als vee   de waarheid zit in het zoemen van piepkleine …             het gegons                         het vallen van de schemering                                    die natuurbeelden op tv zijn echter en mooier dan in het   we maken ons wijs te zijn wat we moesten worden daarom rijden filosofen,             poëten                         niet met dure luxewagens en stellen moslims ons zo teleur ook zij hebben wensen die niet stroken met onze idealen van de nobele             de wilde                         de zuivere                                    de ander   gelijk heeft ze             nee, ook zij is                         wij allen zijn                                    ongewild suïcidale schorpioenen op de rug                                                van een goedgelovige wadende kikvors   wit geel beige rood bruin zwart heel de santenboetiek met piemels             en schedes   we stinken uit onze openingen het is niet het rot dat naar buiten komt compost             ferment                         gist                                     mest de dunne lijn tussen             en vruchtbaarheid is overal                           word geen derderangspoëet                                     noch prostituee of proleet                           ik kan wel leven met een louis vuitton handtas             als je maar word wie je   Human Nature MJ

ovlijee
0 0

umbilicus terrarum

ze navelstaart maar het is nog niet de hare haar ware drift is niet het ik maar de kosmos die zich willekeurig openbaart waar haar oog op valt   en nu is dat haar navel, de streng is nog maar net doorgeknipt als sterrenkijkertje kwam je ter wereld maar je galopperende hartje behoeft de placenta niet meer echte koeken wil je nu in plaats van moedermelk   je bloed drijft je voort machtig als magma en je barstte van energie uit de vruchtzak je bent een vulkaantje maar ook manna   het middelpunt van ons leven   jij gaat verder terug dan de oudste artefacten op z'n minst tot het eerste leven in zee, maar misschien stond je al in de sterren geschreven toen ze nog louter stof en plasma waren aarde en maan waren nog niet door een asteroïde gescheiden, de ring rond Saturnus was nog geen miskraam, een maan die er nooit zou komen   nog voor de bonobo's was jij een mogelijkheid, ooit voor de mastodonten en sabeltandtijgers voor de primitieve varens en levenloze kristallen   een kiem voor het pantoffeldiertje en de pantoffelheld want de toekomst wacht, sluipt naderbij, bij het leren rennen, vallen, springen, opstaan en weer   ssht, ze slaapt eindelijk en droomt ik waak over mijn naveltje de streng tussen ons die er nooit geweest is, weef ik dag na dag dikker het worden onscheurbare vezels ik staar zo hard dat ze wakker wordt zij wijst terug naar mijn nagelenbuik zij ziet het, die zwarte gaten zijn zo oud   als de grote knal een fragment vanalles de slag bij Austerlitz, de eerste IBM, een wereldwijd web van dieren in dracht, de Aziatische tijgers, de bionische hand bestuurd in Silicon Valley die een operatie leidt in Sidney, daar in de Outback bliezen de eerste bootvluchtelingen met stof handen in een grot zij kwamen over landtongen en de Hoorn uit het bos, uit het water naar adem happend met kieuwen die longen werden zich voortslepend met vinnen, toekomstige klauwen, hoeven, zelfs voeten en handen ze slingerden zich via lianen de annalen in bouwden kathedralen en schilderden jachttafereel na jachttafereel duizenden jaren lang het is slechts een pinken met de ogen tussen het graf van de duiker en Banksy in Palestina, Vikings in Amerika, prehistorie die een onkenbare aanvang nam en eindigde met de bouw van piramides, het bot van Ishango, de koninkrijken in Mali, in Congo, dieper het regenwoud in tot Gondwana   er was nog zoveel meer voor de gorilla die weigerde zilverrug te zijn kreeften van tien meter lang verschrikkelijke hagedissen en levende stenen onder water sporen in de lucht, in het slijk kometen aan het firmament, ontelbare sterren en melkwegen weer melk, vrouwelijk privilege, dieren die zogen   dit is het zij en ik knallen maar want we zijn zo wakker en schrijven geschiedenis      

ovlijee
0 0

schaap in wolfskleren

  Je bent geen profeet als je het zelf zegt. Jouw woorden hebben de waarheid niet in petto.   Ze zijn de jouwe niet, ze zijn van de natuur. Je denkt ze gekozen te hebben maar zij kozen jou. Dat maakt van hen almachtigen en van jou een drager. Zij zijn het lot, jij bent de boodschapper, alleen geloof in eigen kunnen maakt je een imbeciel. Zelfs je pijngrens is de jouwe niet. Ze is van je lichaam, je ego daarentegen staat volledig los van het dier in je. Je ego is de natuur ontwaakt in je. Het is het protest van het fatalisme jegens zichzelf. Vrijheid schuilt in het niet vrij zijn. Het geweten is een paradox. Jezelf opofferen zodat anderen die anders op het altaar van het leven geofferd worden hun zwanenzang tijdelijk uitstellen.   Wat ze de duivel noemen, varieert: opportunisme, luiheid, wreedheid, sadisme, leedvermaak. En je hebt de kracht je ertegen te verzetten. Eén lichaam, meerdere identiteiten. Er is vooralsnog geen genezing voor onze verscheurdheid. Onze daden zijn eenmalig, onze twijfel eeuwig. Vertrouw zij die gestopt zijn met twijfelen niet. Het zijn moordenaars van zichzelf. Ze geven zichzelf op. En besmetten de weifelaars met hun zwakte die ze voor zichzelf verkopen als kracht. Er is ook geen eer te behalen met onmacht. Ze maakt niet rijk maar ze is eerlijk. Ze garandeert geen creativiteit, kan evengoed over lijken gaan. Je mag zelfzuchtig zijn. Alleen als het ook nog knaagt, is er een weg terug.   Er zijn miljoenen vormen van vluchten, maar je doet het altijd voor jezelf of je nageslacht. Liefde is geen excuus voor je levensdrift. Het is dwangmatige lust.   In die onvrijheid luister ik alleen naar mijn fatale engelbewaarder en demon op mijn schouders. Ze zijn een perverse Siamese tweeling, maar ze zijn mijn tweeling. Neem jij verantwoordelijkheid op voor de jouwe en laat me zijn. Ik heb vrede met mijn goede slechtheid, niet met mijn slechte goedheid. Ik ben een blazende windbuil, gelukkig ben ik ook niet meer dan dat, een blaaskaak.   Ik zet niet op het verkeerde been. Nee, ik ben jaren op het verkeerde been gezet.   Net zoals jij.   Stel in vraag maar geloof nooit in je antwoord. Ongeloof is de bron van ontvoogding. Verder trekt de karavaan niet. De honden blijven blaffen. Ook zij zijn al lang geen wolven meer.  

ovlijee
0 0

prohibitie

M'n woorden zijn drooggelegd. Ik heb niets te vertellen, niets te melden, niets zinnigs te zeggen. Gelukkig maar. Niets zo hatelijk als betweters, of mensen die gelukkiger zijn. Jaloezie, wat een vreemd gevoel toch. Het kwelt alleen jezelf. Daarom willen sommigen de kunst weg. Om te ontsnappen aan hun eigen gebrek aan creativiteit en verbeelding. De echte wereld is alleen maar gebaat bij handboeken. Zij lijken zinvoller dan te schrijven over tinten groen. Kijk eens goed naar de zon die schijnt op de bladeren van bomen en struiken. Al die schakeringen. Van donkergroen over grijs naar bruin tot rood en blauwig. De ware poëzie is dat dat een overblijfsel is van de tijd dat we nog prooi waren. En in de jungle leefden. Hoe scherper je groene kleuren kon ontwaren en onderscheiden, des te beter je daar ook die sabeltandtijger of een andere jagende carnivoor kon ontdekken. Het leven is altijd jachtig geweest. Wat we voorhebben op de rhinoceros of het hippopotamos is onze intelligentie. Wat dat dan ook mogen wezen. Taalrijkdom? Zelfbewustzijn? Dieren komen het dichtst bij yoga als ze zich uitrekken, maar wanneer komt het het dichtst bij een spirituele les? Als het zich gedraagt tegen zijn instinct, of juist zijn instinct ìs. Vlucht, vecht, verstijf! Daar komt de vos, daar schijnen de koplampen in weerspiegelende ogen. Een druppel bloedvergieten in het epos van de kosmos. Want dat is toch de inkt van het levensverhaal: bloed en andere levenssappen. Slijm, plasma, zwarte gal. Daar schilderen wij mee. Onze muziek is de lach en het snikken van terneergeslagenheid. Het hameren op hout, het zagen in metaal. Kokend staal en gonzend uranium. Mijlen glasvezelkabels met data vol naakte cijfers die bliepen en knorren en fluiten. In het leven, het volle, lege leven. Boven het leven de stilte, enkel de eigen muizenissen als afleiding. Schipperend tussen hoop en opgave. Is er schoonheid in de dijk die barst? Heeft het zin te lezen in andere boeken dan handleidingen? Die een wereld geschapen heeft die niet bestaat. Tot meerdere eer en glorie van de broodschrijver. Behalve als zijn talent en genialiteit niet erkend wordt, en hij van miserie zichzelf niet kan zijn. En drank en drugs hem het baantje doen volhouden dat hem opvreet. Een zonnebloem ontkiemt op het graf van gefnuikte ambities. Daar is de navelstreng weer van de onstuimige levensdrift! Ze geeft niet op. Het is dwangmatig. Ze heeft geen keuze. Het is fatale energie. Een niet dovend vuur. Gestolen van de goden die zich hebben laten ringeloren. Het is een leger pantservoertuigen die met hun rupsbanden de aarde omwoelen. De lijken die bovenkomen zijn voer voor pikkende snavels van zwarte vogels. Hun pienterheid is hoopgevend maar lelijk. Ze hebben geen keuze dan onverbiddelijk zichzelf zijn. Ze voeden hun kroost met de levertjes van kikvorsen. Door het riet waadt een ooievaar. Hij benadert de perfectie. Met getallen en letters gieten we dat in een niet aan te vechten vergelijking. Maar wat hebben wij om mee te vergelijken? Buiten onszelf. Temidden van zoveel mysterie kunnen wij alleen maar begrip hebben voor de logische aanname dat wij het evenbeeld zijn van onze schepper. Wij zijn de rechters. Niet de wetteloosheid regeert maar de wetmatigheid. Waar het instinct geen antwoorden biedt, rest de intuïtie. Een niet te missen opportuniteit desalniettemin. Ze biedt schijnbaar een uitweg. Ze bevrijdt ons van de handboeken en gebruiksaanwijzingen. Als we door het oog van die naald kruipen, treffen we een land van symfonieën en amfitheaters. Of een spirituele les transformatie beoogt of niet, we herkennen haar pas als ze plaats gevonden heeft. En ook hier weer is zelfverzekerdheid en arrogantie kenmerkend voor vals predikantschap. Twijfel en crisis daarentegen. Zij zijn de hemelbestormers. En hebben mijn stem. Mijn ego staat daar los van. Ik ben slechts drager van een sluimerend virus. Het virus van het Grote Onbekende dat toch zo graag zichzelf zou willen leren kennen. Voor het zover is, dekt het zichzelf in. En uit zelfbescherming gaat het over lijken en doet het aan voortplanting. Willens nillens.

ovlijee
0 0
Tip

de zilte ballades: geborgen

“Wat is je naam?”“Amphitrite.”“Godin van de Zee. Vanwaar kom je?”“Cabo Verde.”Billy Budd en Lodewijk kijken met enige nieuwsgierigheid naar de Creoolse verschijning op het strand. Van de storm die hun bijna lijf en leden gekost heeft, zijn alleen de hoge golven die regelmatig op de kust beuken nog getuige. Op de grens tussen water en zand bevinden zich de restanten van aangespoelde artefacten. Scheermessen en alikruiken, lamsoor en zeepaddestoelen, maar ook piepschuim, rubberen badeendjes, en wrakhout.“Het is een mirakel dat jullie nog leven”, zegt Amphitrite, “Geen visser op het eiland die een cent voor jullie overleven gaf. Je moet knetter zijn om in zo’n storm naar buiten te gaan.”“Wij waren niet naar buiten gegaan, wij waren al lang onderweg”, zegt Lodewijk, “Het is nooit onze bedoeling geweest in zo’n noodweer te belanden.”Billy Budd kijkt bedenkelijk naar de Ouwe, en dan naar Amphitrite. Zij lijkt op de afbeeldingen van vreemde heiligen. Haar huid is donkerder dan de zijne, maar haar ogen zijn groen als een salamander. Ze loopt op blote voeten en heeft een litteken op haar kuit. Haar jurk is gelaagd, met toetsen blauw. De witte bloem in haar gekrulde, ravenzwarte haren steekt af met haar volle, bloedrode lippen. Rond haar hals hangt een amulet in de vorm van een vogelschedeltje. De atmosfeer van hekserij rond haar boezemt hem angst in, meer dan zijn bijna-doodervaring van afgelopen nacht.“Vanmorgen zijn jullie aangespoeld, meer dood dan levend, jullie boot was al lang vergaan, de masten zijn niet lang zichtbaar gebleven tussen de woedende baren. De sleepboot die nog is komen helpen is vergaan.”“Kapitein Oliepul”, prevelt Billy Budd binnensmonds, “Ja, hij heeft ons nog weten te bereiken. Hij heeft ons schip nog proberen te bergen. Ik weet nog exact wat er gebeurd is. Hij is met pompen aan boord gegaan, maar is aan de mast blijven hangen. Wij hadden oogcontact toen hij naar de kelder ging, maar er was geen angst in zijn ogen. En toen kwamen ons moeder Madame Nybros, en zijn dochter Anna-Maria Jordaans de Christobal El Salvador, en een zwerm zeemeerminnen en ze bevrijden Kapitein Oliepul, en toen veranderde hij in de laatste blauwe vinvis ter wereld, en hij nam afscheid van ons. Zijn staart wuifde en hij ging eindelijk naar het Onderwaterrijk waar hij zo lang naar op zoek was, terug naar haar, terug naar Atlantis.”Lodewijk en Amphitrite luisteren in stilte naar de scheepsknaap. Ze wandelen langs de branding. De Ouwe kijkt op en af naar zee, de grond, Billy en de eilandbewoonster.“Er was nog een drenkeling, hebben jullie die niet gevonden?” vraagt Lodewijk.“Ja, een waterkonijn en een scheepsjournaal, maar het dier was al dood toen het strandde.”Eindelijk zijn ze dan verlost van Nameloos, denken de twee maar het is met mededogen. Want ze zijn triester om zijn verlies dan dat van hun schuit.“We hebben capibaras en dassen hier”, lacht Amphitrite. Maar de mannen horen haar niet. Ze staan voorovergebogen boven een houten plank. Het is de naam van hun gaffelschoener, die erin gegrift staat. Ze kan de eerste letter lezen, maar meer niet. E.“Dus, zo heette ze, Commodore?”“Ja, Billy, maar alleen officieel, iedereen noemde haar N. Vleeswording wil het letterlijk zeggen. God die mens wordt in Jezus Christus, maar wij waren heidenen, zondaars, goddelozen. En vooral heel vergankelijk.”“Waarom wou je iedereen meesleuren in je liefdesverdriet, kapitein?”“Omdat jij en ik één zijn, Baby, jij bent wie ik ooit geweest ben, en ik ben wie je ooit zult worden, eenzaten, zeilende wezen.”Ze kijken naar het plankje, hun schaduwen worden langer. Aan de horizon zien ze dwarsgetuigde zeilen, jongens en meisjes, die als spinnekoppen langs de pardoenen het want in kruipen. Het zonlicht breekt miljoenen keren door de zoutkristallen. Ze denken aan de thuis die ze nooit gehad hebben, aan hun moeders, aan hun onbeantwoorde liefdes, aan de ontelbare zeemijlen en de sterrenbeelden die hun reis uitstippelden. Billy denkt aan het walvisoog van Kapitein Oliepul dat pinkte en toen voorgoed onderging, aan zijn moeder van die eilandenarchipel ter hoogte van de Groene Kaap, maar ook aan zijn Ouwe, en waar die nu aan aan het denken is. Zal hij ooit bevrijd zijn?Lodewijk mijmert terug over zijn kindertijd in de Parochie van Miserie, over zijn surrogaatmoeder Madame Nybros, die hem van de onderwereld gered heeft, maar niet over haar. Haar. Wel over zijn schip.Amphitrite is enkele meters verder gewandeld naar een kleine visserssloep. Ze legt enkele balken onder de kiel en rukt verwoed aan een touw richting de vloedlijn.“Kom Billy, er is werk aan de winkel.” De twee rennen als kinderen naar de vrouw die hun redding was. Al snel versmelten hun schaduwen. Het zand kleeft door te zweten aan hun gebronsde lichamen. Ze strunkelen in het mulle zand en Amphitrite lacht om hun onhandigheid. Maar met hun drietjes krijgen ze de sloep in de Atlantische Oceaan, het zilte water wast het zand van hun voeten. De gepekelde wind waait hen tegemoet.Op het strand grijnst een knaagdier, en vindt de plank met de scheepsnaam. Hij kribbelt met zijn poot in het goudgele zand: Vleeswording, maar dan in de vreemde taal van die rare snuiters. Hij kijkt naar hen, hun wankele boot en de naamplaat, maar kan het niet lezen. Begint het met een I.? Hij besluit het van nader te inspecteren en zwemt hen achterna, een nameloos dier.Een golf breekt op het strand, en vaagt de letters weg. Het geluid klinkt als een Trans-Atlantisch lied. Maar zij lachen. Zij lachen.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: verzonken

Commodore Lodewijk heeft een droom, die we allemaal kennen. Een droom die nooit zal uitkomen, gelukkig maar, want wat hebben wij dan nog. Die droom is hem en ons ook maar opgedrongen, wat hij en wij werkelijk willen, is afgeleerd. Dat geldt voor ons allemaal, ook voor die anderen, weet je wel, de rijken en fortuinlijken en zo.Nee, het is weer zo één van die dagen. De weersvoorspellingen beloven niet wat de lucht laat uitschijnen. Het is alsof ze zich in het oog van Jupiter bevinden, stilte voor de werkelijke storm. De echte storm namelijk, niet die in hun harten en gemoed. De wind wakkert aan, en de golven worden groter met de seconde. Het houten schip kraakt, de verstaging spant zich op. De blokken rammelen met ieder schudden, en de deining beukt en stampt tegen de romp. Billy Budd reeft de zeilen en verkleint zo het oppervlak dat wind vangt. Vervolgens kruipt hij vooraan via de boegspriet in het kluivernet en terwijl hij om de haverklap drie meter naar boven en naar beneden geslingerd wordt, haalt hij de Genua eruit. Zo mottig als een krab ploetert hij zich door het gangboord een weg terug naar de kuip. Nameloos, de muskusrat, niet het schip, krijgt het al te benauwd, en wil zich in zijn paniek een weg doorheen de boot knagen. En zo wordt de oude zeemanswijsheid nog eens bevestigd dat konijnen en andere knaagdieren niet thuis horen op wankele gaffelschoeners en aanverwanten. Lodewijk bezuurt zich zijn dierenliefde, nu Nameloos zich al in die mate doorheen de romp gebeten heeft dat hij enkel nog met zijn staartbeentje vast hangt aan de binnenkant van het schip. Het zeewater stroomt met zeesterren en wulken de leefruimtes binnen. Ook een verdwaasde sidderaal komt piepen om zijn licht op te steken.“De pompen, kapitein, waar zijn de pompen?” schreeuwt Billy het uit. “We moeten beginnen lenzen, voor ... ”.“Voor wat? Voor het vrij vloeistof oppervlak de stabiliteit in gedrang brengt? Er zijn geen pompen, Billy. Alles is tevergeefs.”“Wat bedoel je, kapitein, alles is tevergeefs?”“Ik heb alles overboord gekieperd in een gemene bui, Billy. Het spijt me, maar als het dan toch nooit eindigt, moet je het lot soms een handje toesteken. Als ik wil gaan, laat het dan op volle zee zijn. Met kwallen die zich vastvreten in mijn aangezicht, zwaardvissen die mijn skelet doorboren, en zeeëgels die zich vastpinnen in mijn verweekte huid. Verzuipen. De laatste adem in de kiem gesmoord door zout water dat mijn longen verteert. Oplossen wil ik, als een zouttablet, compost voor sponzen en koraalrif. Want liever dat dan oud worden en smachten. Kapot gaan van verlangen naar zij die haar rug al lang gekeerd heeft. Wat is er erger: zij die het goddelijk verbod overtreedt en omkijkt en dan verandert in een zoutzuil, of zij die nooit omgekeken heeft? Kwijt ben ik haar al lang, maar wat is het ergste kwaad, Billy, denk je?”“Ben je je verstand verloren, Ouwe? Ik, ik wil nog niet dood. Waar zijn de reddingsvlotten?”Billy Budd schudt met zijn kontje en geeft Nameloos een doodschop tegen zijn reet waardoor die eindelijk bevrijd wordt uit het gat dat hij zelf geknaagd heeft. Hij belandt in het kolkende sop van een wraakzuchtige zee, en het zoute water stroomt nu met de kubieke liters de zeilboot binnen.“Waar zijn die vlotten, Commodore?” Billy schreeuwt het uit van de adrenaline en de levenslust en grijpt zijn jarenlange vaderfiguur bij de revers.“Een zeemansgraf, ja, langzaam maar zeker zal ons element in ons binnen sijpelen”, spuwt de kapitein in het gezicht van zijn voormarsgast.“God, de radio, ...” Billy rept zich naar de navigatietafel maar het water had de elektriciteit al lamgelegd.“Jij zal terug verenigd zijn met je moeder, Baby Budd, en ik kan wachten op haar. Haar. De liefde die nooit gestorven is. Tot de dood ons terug in de echt zal verbinden. Voorbij de dood ...”Billy Budd laat Lodewijk verder raaskallen, en graaft in de scheepskisten naar bruikbaar materiaal. “Madame Nybros”, prevelt hij, “Baron Samedi, Yemaya, Yemaya, Aguanile, Mai Mai, Aguanile.” Dat is wat hij zich nog herinnert van de voodoo van zijn kindertijd, en nadat hij enkele vuurpijlen gevonden en afgeschoten heeft, gooit hij het scheepsjournaal overboord. “Weg ermee!” Maar dat is buiten Nameloos gerekend, die zich vastbijt in deze drijvende zompige rol overlevering. “Snertrat”, denkt Billy terwijl de schoener langzaamaan de strijd verliest tegen de lek in zijn romp. Helrood licht de hemel op tussen twee golfdalen. Billy kan het niet langer aanzien en mept zijn Ouwe Kapitein naar dromenland. Hij neemt hem vervolgens op zijn schouders en springt in het niemandsland van kolkende baren. En toen ging het licht uit.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: de droom

Kapitein Lodewijk opent de deur van Billy Budds kajuit. Een lijkengeur van een te lange slaap en teveel ongewassen dagen op zee waait hem tegemoet. De nameloze muskusrat genaamd Nameloos ligt languit op zijn rug te snurken op Billy’s buik. Zijn harige en miezerige staart bevindt zich ter hoogte van Billy’s mond. Wat een stel, denkt de Ouwe, en kan een glimlach niet onderdrukken. Hij neemt zijn scheepshoorn en blaast luid door de kamer. De belhamel schrikt wakker en de rat schiet de gang in. Door de patrijspoorten vangen we een glimp op van een wolkenloze hemel en een gladde zee. Het belooft deze keer een rustige reis te worden.“Ik heb van u gedroomd, kapitein”, zegt Billy. “U was oud, ouder dan u er nu uitziet, en u zat in een boot op de rivier, u ging stroomopwaarts, en u was in gezelschap. Een dame met krullen, maar ik weet niet of zij het was, want ik heb haar nooit in levende lijve gezien.De kapitein weet waar zijn scheepsjongen allusies over maakt, maar hij negeert zijn ontboezeming. Hij is niet in een gemene bui, en hij wil zich geen vragen stellen bij zijn eenzame zeilen.“Hoelang gaan we dit nog doen, kapitein? Tot ik mijn moeder terugvind, of Kapitein Oliepul zijn zeemeermin waar hij een kind mee heeft? Tot Nameloos een naam heeft, of tot onze schuit in tweeën kraakt?”“We doen dit omdat het ons onontkombare lot is, Baby. Vanaf dat we het mogen, en genieten van onze dwaaltocht op zee, houden we ermee op. Dan kopen we een luchtballon en vliegen naar de maan, want dat is gemakkelijker dan te kunnen antwoorden op de vraag wanneer we hiermee kunnen stoppen, en wanneer we ons doel zullen bereikt hebben.”“Dus het is eigenlijk willekeur, Commodore? We hadden evengoed paradijsvogels of mensen kunnen smokkelen, zolang het maar over zee gebeurt.”Lodewijk heft zijn schouders zonder overtuiging. “Kijk, dit zat vanmorgen in onze netten, het is een fossiel. Duizenden jaren lag het daar. Denk je dat het toeval is dat uitgerekend wij vandaag de bodem omwoelen en deze steen vinden?”“Wat is het, een ammoniet?”“Nee, een zeemeermin, Billy. Echt waar, het is een voorouder van Kapitein Oliepul zijn muze en zijn dochter Anna-Maria Jordaans de Christobal El Salvador.”“Anna-Maria ... Zou ze me nog altijd willen vermoorden omdat ik met mijn hand haar vissenkrent beroerd heb?”“Je mag blij zijn als ze je voorlopig alleen nog maar wilt castreren. Maar wil je echt antwoorden?”Billy staat op uit zijn brits en kijkt door zijn patrijspoort. Een aalscholver komt uit het water met een gladde paling tussen zijn snavel, maar het gevecht is tevergeefs. De meeuwen zijn in de meerderheid, en vechten het onderling uit wie er met dit smeuïge hapje aan de haal gaat. Zelf heeft hij zo ook eens het onderspit moeten delven tegen een meute bloedlinke zeeleeuwen toen hij een koppel octopussen genaamd Frits en Frats bevrijd had uit een Portugese vissersfuik.“Waarom test je hoelang je je adem onder water kan inhouden, en volg je de meterslange ankerketting met brandende longen tot je niet meer kunt of tot je de bodem bereikt om te zien of het anker niet krabt? Waarom onderdoor de boot en haar kiel zwemmen? Billy, ik heb geen verklaring, maar ik volg mijn instinct, mijn intuïtie, noem het hoe je wil. Kijk naar buiten, dit is mijn element. Zij vervolmaakt mij. Als je droom onbereikbaar is, moet je een nieuwe verzinnen. Ik vrees noch de slaap noch het waken. Ik vrees alleen zelfverloochening.”“En als je niet weet wie je bent, Commodore?”“Probeer eerlijk te zijn tegenover jezelf en doe dan zoals hem.”In de deuropening zit Nameloos. Hij likt aan zijn ballen. Als hij zich betrapt weet, reageert hij verontwaardigd, en verlaat het tweetal zonder om te kijken. Bovendeks regent het vliegende vissen.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: de lafhartige

En daarin had Billy Budd zich vergist. Ik was verre van moedig. Nee, ik ben eigenlijk een lafaard. En daarom heb ik voor de zee gekozen. Want aan haar weten we wat we hebben. Geen kloten uiteraard. Maar zij beweert ook niet meer te zijn dan een plas water die in de weg ligt. Maar de mens, dat is werkelijk een vos die geen leven naast hem duldt. Ik ben bang om met hem in contact te treden. Laat staan met haar. Zelfs de afwijzing van het kleinste meisje is een doodsteek in mijn hart. Nee, al lang heb ik mijn sociaal contract herleid tot dagen zonder liefde. Dagen aan boord, met een bemanning die één organisme is geworden, levend van oceaanvoedsel en tijdelijke lucratieve handeltjes. En inderdaad, ik ben niet bang om in een mast van dertig meter te klimmen. Ik spauw liever de laatste darm uit mijn lijf tijdens een stormpje dan me in het zak te laten zetten op de lokale vlooienmarkt. Mijn kleren passen niet voor hen aan land: mijn bootlaarzen onder het vernis en teer op mijn kraag en mijn kruin. Wat verwachten ze van mij, mee te spelen, me te belazeren, iemand te zijn die ik niet ken? Ik begrijp de wind en de stroom, en mijn krakkemikkige schuit, en hoe ze van hier naar daar te brengen met behoud van lijf en zoveel mogelijk leden. En te overleven. En te leven, intens, op het ritme van maanstanden en getijden. Meer gemeen met murenes en pijlinktvissen. De wind in de zeilen en zwerven maar. En de hiërarchie aan boord is de enige beschaving die telt. Microkosmos in de macrokosmos. En geen schaduwgevechten meer. Woordeloos wordt er hier meer gezegd dan in alle straten van de wereld. Woordeloos begrijpen we mekaar beter dan elk gezinnetje met huisje, tuintje, boompje. En we verlangen te sterven aan boord, en zo wordt onze boot onze doodskist. Een dolend zeemansgraf  dat spookt op de Stille Zuidzee. Finaal de menselijkheid verloren. Papieren bootjes als het ware, vliedend, van jut naar jaar. Tot ze gronden of teloorgaan. En de beschaving ons al lang vergeten is. In de kranten geen in memoriams, enkel een obscuur artikel over spookschepen op drift. Wij reeds lang vergaan tot kril, in de buik van de walvis, waar we altijd al hebben willen zijn. In plaats van in een hemelbed met een vrouw en kinderen die bang zijn omdat het spookt.

ovlijee
0 0

de bucolische ballade

Het was feest aan boord. Ze moesten zich toch met iets onledig houden. Rum die ze zelf waren gaan halen in de Caraïben werd gekraakt en Havanas maakten een mistgordijn in de kombuis. Lang-kort-kort toeterde Billy Budd door de misthoorn, maar Lodewijk corrigeerde hem: “We liggen voor anker, Baby, ik wil alleen een bel horen, colregs!”Kapitein Oliepul vierde zijn vijfde verjaardag. Zolang was hij al niet meer aan land geweest. En Nameloos, weet je nog, die muskusrat zonder naam, had zopas voor de tiende keer de evenaar gekruist. Als extra doping hadden ze hem gekielhaald, omdat hij wel genoot van de scrub die de zeepokken op de kiel hem gaven, en hem vervolgens volgegoten met champagne die nog van de zonnekoning was geweest. Dat hadden ze hem wijsgemaakt althans. Nu zat hij te lurken aan een exquise Partagena terwijl hij Dante Aleghieri debitteerde: “Lasciate ogni speranza voi ch’ entrate.” Hij hield wel van de klank, maar wist niet wat het betekende. Dat het over de hel ging en wanhoop, en dat hun schip daar het voorgeborchte van was. Het voorspel. Die relevantie ontging hen want zo functioneert ironie.Daar houdt een zeeman zich al wel eens mee bezig als hij niet spuugziek over de reling hangt, vol van heimwee naar zijn moertje, zijn verbeelding gekweld door bloedgeile hetaeres en kenaus. Ja, als hij geen kaartverbeteringen ter meerdere eer en glorie van de British Admiralty maakt, sterren schiet of uiltjes knapt, durft hij zich al wel eens te vergalopperen aan de scheepsbibliotheek. Naast de Divina Commedia bevonden zich daar bij hen onder andere de Koran en het Tibetaanse Dodenboek, Darwin’s On the Origin of Species, corpulente dode Russen, de Odyssee en de Ilias als boekensteun aan de ene kant, James Joyce’s Ulysses en het verzamelde werk van de Engelse bard William Shakespeare aan de andere kant. Deze werken bleven voor het gros van de tijd onaangeroerd. Behalve dan Dante maar dat was per abuis. Nee, het waren vooral de naslagwerken van Rubens en Gauguin die populair waren, al durfde onze scheepsknaap Billy Budd al wel eens een magazine van National Geographic open te slaan, om zich te vergapen aan andere natuurpanoramas.En zo wist hij hen te overtuigen naar de Baltische Zee te varen en in Polen aan land te gaan. Hij snakte naar vaste grond en groen. En het laatste oerbos van Europa. Daar waren bizons, wisenten, en hij vermoedde dat zij een oude wijsheid voor hen in petto hielden. Siberische sjamaans waren het die nog met de dieren spreken konden, en dat was geleden van een zekere Franciscus van Assissi. Oliepul lag wat dwars maar toen Lodewijk een bucolische ode afstak, liet hij zich vermurwen. Zijn nog dwarsere dochter liet zich niet ompraten en koos eieren voor haar geld. Ze sprong overboord en het laatste wat we van haar zagen was haar vissenstaart die zich een weg baande naar het onderwaterrijk van haar moeder. De geur van bos en ontbinding boezemde hun ontzag in, niet meer en niet minder, en na het beleven van vele avonturen, zoals een wilde nacht van de landzieke Oliepul in de Poolse hoofdstad Warschau met de erfgenamen van de Solidarnosc en de kleindochter van Mata Hari, vonden ze het welletjes aan land. Hun volgende bestemming was Marokko, waar ze op zoek gingen naar Aisha Kandeesha, de mannenverslindende helleveeg met de kamelenpoten.Daartussen bevonden zich zeemijlen van introspectie. De reflectie van de zon brak in duizenden scherven door het zoutkristal in het zeewater. Weeral ongeluk en calvarie.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: kapitein oliepul

“Er moet een of ander vreemd geheim in zout verborgen liggen. Het is zowel in onze tranen als in de zee.” (Kahlil Gibran) Ik ben een sater, een dronken, geile bok die zich vergaloppeerde in de vrouwelijke verdraagzaamheid. En wat heb ik om mij te troosten? Een kreng van een dochter die parasiteert op mijn schuldgevoel. Zij is de ultieme zwarte weduwe, en ik ben een dronken idioot te geloven dat zij zouden zijn zoals ons moederke Madame Nybros. Altruïstisch en zorgzaam, moederkloeken van het zevenste knopgat zijn het, ja. Narcistische duivelinnen die zich laten leiden door hun hormonen. Net zoals wij ... Wat hebben wij als troost: ten oorlog gaan. Roven, plunderen en brand stichten, en wraakzuchtige kinderen kweken. Nee, dan liever naar zee. Die ploert. Obscuur overmant ze ons, doodt onze zinnen, dooft onze helderheid en frustreert onze lusten. Tot we varende perversie zijn, en snakken naar de nimfen van de Lorelei met hun blonde lokken, volle borsten en glimmende vissenstaarten. Zij duiken op wanneer we het het minst verwachten, in de ochtend, voor het slapen gaan, tijdens het knipperen met uitgedroogde ogen. En onze buiken worden wee. En ons gemoed grijs als herfst in de noordelijke hemisfeer. De sterrenbeelden bieden geen troost met hun mythische overlevering. Onze boot en de zee zijn het paard van Troje en ik ben de helmboswuivende Hector en de roosvingerkleurige dageraad wordt langzaam geamputeerd. En we voelen onze levenskracht pas opflakkeren als de dood van Ispahaan om de hoek loert, en zijn koude asem ons bij het nekvel grijpt en koude rillingen over onze ruggen jaagt. Mag ik me dan even troosten met vluchten in de verbeelding? In de masten kruipen als een acrobaat, een fooraap, de bokshandschoenen aanbinden en knokken met kangoeroes. Ik ben op reis. Ik vlieg op een bol door het heelal. En elke dag worden de groeven in mijn gelaat dieper uitgesleten, en tempert de kosmische straling mijn rusteloosheid. Ik kijk naar de treurwilgen en besef dat ze leven. Ze wiegen ritmisch met de wind en strelen de aarde, dippen hun puntjes in het water, en verlengen hun uiteindes door te drinken van een lavende bron die is zonder reden. En soms niet is, omdat de hoorn des overvloeds een hemelse constellatie is, geen aardse. Bomen, we maken er schepen van. Ze verwarmen ons. Ooit zongen we liederen voor hen. Hun vruchten schenken leven en dood. Bomen. Boom. Ons heilig verbond is een vergeten mis. Er is geen liturgie meer voor de zwerm kokmeeuwen die scheervluchten maakt rond mijn schuit en choreografisch het kanaal opluistert voor de nacht valt. De dans van de werkelijkheid ontspringt niemand. De kiezeltjes in de rivierbedding waren hier al eeuwen voor mij. Mijn lijden is tijdelijk. Gelukkig. Mijn geluk is tijdelijk. Ik ben een drager van enkele hoofdstukken mythevorming. Een alinea in de heilige schrift van de kosmos. En onze kinderlijke jaloezie en paringsdansen, schijnbaar zo belangrijk voor ons, zijn niet meer dan dat. Het is puur narcisme. Zo is dat. Ons gezelschapsspel. Mens erger je niet. Ga onmiddellijk naar de gevangenis, ga niet langs start. Russische roulette tot er niemand overblijft om getuige te zijn van de warmtedood van het heelal. De profeten en wijzen hadden gelijk. Pluk de dag. Onherroepelijk volgen de lach en tranen.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: de ouwe commodore lodewijk

Land, vaar ik er naar toe? Al drie dagen niet gegeten, al drie jaar niet gesproken. Ik heb haar gezien. Haar geschubde staart, haar lokroep gehoord. Niet voor mij bestemd. Toch maar rechtsomkeer gemaakt, echter geen sirene meer gezien.Denk scheurbuik te hebben, de werkelijkheid ontglipt me. Geen dorst meer, geen honger, blaren in mijn gelaat van een verzengende evenaarszon. Het moet nieuwjaar zijn, ik zie overal vuurwerk, aan de horizon, boven en onder de zeespiegel. Stuivezand op het dek. Ik ga naar Windhoek, Namibië. Ik ben het varen beu. Ik heb nood aan woestijn. Mijn hoofd is een woestenij. Ik ga nooit meer varen. Ik ga nooit meer aan land. Zij achtervolgt mij. Ik voel haar in de regen, in het wiegen. Ik ruik Andalusië vanuit iedere windrichting. Even oude logboeken erbij genomen:04/08/19..Laatste dag Cadiz, allercharmantste jongedame met krullenbol ontmoet.05/08/19..Vertrek uitgesteld, afgesproken met E. in Jerez de la Frontera.06/08/19..Dronken van verliefdheid, gekust. Moet overmorgen echt vertrekken.05/09/19..Zij wuifde naar mij zoals Madame Nybros. Ik ben mezelf niet. ... 06/01/19..“I just did not like you, what is the word, you were a deception.” ... 01/04/19..Naar zee!Het moet augustus zijn. Ik zie het aan de sterren. Ik weet ook op welke breedtegraad ik me bevind, maar of de Azoren nu ten westen of ten oosten van mij liggen, weet ik niet. Een sextant is waardeloos zonder nautische almanak. Beslissing genomen zuidwaarts te varen. De wind is gunstig. Azoren opgegeven. Ineens naar Amerika dan maar. Kaapverdië en Afrika zijn nooit een doel geweest. Walvis gespot en een koopvaardijschip, maar iedere herinnering aan de wal deed me aan haar denken, en iedere gedachte aan haar, maakt me Doldrums. Gewoon koers 270° varen. Foute beslissing. Ik mis het stormachtige van de noordelijke regio. Ik mis de zeeziekte. Teveel tijd om aan haar te denken. Is de werkelijkheid een verzinsel van mij? Ben ik God? Zijn de zeeën en de wolken een gedachtekronkel van mij, de vliegende vissen en zeesterren. Geen wind. Is de wind in mijn hoofd op? Ben ik ooit geboren of ben ik hier altijd geweest? Was zij echt? Ik ben nooit echt aan land geweest. Ik ben Neptunus, en mijn bruid is dit schip. Haar zeilen en mijn handen zijn verbonden in het heilige sacrament van het huwelijk tussen geest en verzinsel. Het zalfsel ontvangen van de katholieke pastoor was visolie. Ik ben de eiman, ik ben de walrus, goo goo g'joob.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: billy 'baby' budd

“Aargh, ze maken me knettergek, zeg ik je, knettergek. Naar zee, vlug, naar zee, voor ik ongelukken doe. Voor ik iedere havenkroeg kort en klein mep, en iedere dame-van-plezier in de rosse buurt besteel terwijl ik ze knetter naai. En iedere pooier van alle havensteden in de wereld een premie op mijn knokige kont spelt. Want daar is er rust, tenzij ik mijn leuter in het ademgat van een dolfijn wil proppen, en hem met alle soa’s van de wereld wil opzadelen. Ja, daar is er rust, zelfs als het stormt, en de hagel je huid openrijt, als je het kraaiennest in moet en de schuit meters heen en weer rolt. Je zit je maaginhoud uit te spuwen in het kluivernet, terwijl je ligt te stampen als een reuzenlaars in die donkere ploert. En je hebt geen fors meer om in de boegspriet dat verdomde klerezeil te vervangen, en je vreest voor lijf en ledenen, en vraagt je af wanneer je verlost zal zijn. Maar dan denk je aan de vele verraderlijke landrotten en gouden poezen die je het mes in de rug gestoken hebben en geef je je met hart en ziel over aan die onvoorspelbare watermassa, die tenminste nooit iets beloofd heeft. En dat je tenminste met hen in hetzelfde schuitje zit, met die ouwe sok van een Commodore en zijn obsessieve liefde voor dat kreng uit Zuid-Spanje, en die nameloze muskusrat Nameloos, met zijn melancholieke hang naar het schrijven van poëzie en filosoferen over de onzin van het bestaan. En dan af en toe krijgen we bezoek van de immer dronken Kapitein Oliepul en die onweerstaanbare geile duivelin van een dochter van hem, die me gaat vermoorden omdat ik op die vissekrent van haar gemept heb, uit wanhopige geilheid, na dagen aan land zonder verlossende vrij- en knokpartij. Gelukkig is er die gaffelschoener die ons in beweging houdt op het ritme van onze gemoedsschommelingen en niet ingeloste verwachtingen. Die grenzen overschrijdt die wij niet erkennen want wij zijn zeemannen en dat is onze nationaliteit. Zout op de lippen proeft over heel de wereld hetzelfde. Zij proeven ook overal hetzelfde, alleen hun parfums ruiken anders. God, geef me een naakte sterrenhemel en noorderlicht, met wind in de zeilen en in het haar kan ik dan wegvluchten van wat ik niet echt wil en bevrijd zijn van mijn lusten en driften. Laat me knokken tegen de krachten van de natuur buiten mij in plaats van de natuur in mij. Laat me worstelen met reuzenoctopussen, zwaardvechten met narwals en walrussen, ik wil een bultrug berijden en murenes wurgen, parels ontvreemden van reuzenoesters die je arm amputeren. Ik wil slapen in een bed van kelp en zeewier, te biecht gaan in een kerk van anemonen en koraal, laat me spelen met de lamentijnen en zingen met de belugas. Maar verlos me van die landziekte. Want liever zeeziek dan beschavingsziek. Weg van compromitterende compromissen. Weg van de codes, weg van het ik dat ik niet verdraag. Met die gemelijke glimlach, dat geveins. Nee, zij lieten me verweesd achter, de zee en de ouwe niet. En dan dat schip! Die trotse krakende knakker, iedere vezel van haar tuig zit in mijn dna, iedere penseel- en borstelstreek was een aai van liefde. Iedere kaart is een map naar mijn hart, de sextant een verlengde van mijn innerlijk oog. De koperen patrijspoorten en bronzen bolders mijn skelet. Aan land ben ik een krabbend anker dat niet bijt, een klapgijp, een caviterende schroef. Maar hier, in mijn element, ben ik eindelijk en finaal mezelf. Oef.”

ovlijee
0 0

de zilte ballades: anna-maria jordaans de christobal el salvador

Ik ben Anna-Maria Jordaans de Christobal El Salvador, en ik had geen slang nodig als excuus om die godverdommese appel te plukken. Ik ben de bazin van mijn eigen leven en eindeloze vrouwelijkheid. Ik ben het oerserpent en femme fatale, ik castreer hen die me willen temmen, en ik heb hem lief met versmachtende en verstikkende passie op wie ik mijn zinnen gezet heb. Ik ben de zwarte weduwe en zuig mannetjes leeg want ik ben een wraakgodin, de laatste matriarch, ik ben het verleden en de toekomst, wanneer vrouwen en moeders terug de plak zwaaien. Ja, ik ben een sadistisch loeder, maar dat liever dan een slachtoffer zijn van mijn meisjesachtigheid. Ik ben gewapend met scharen en messen om me te verdedigen, en aanvaard geen nonsens van niemand. Want hij, mijn arme vader, Kapitein Oliepul, is een zwakzinnige, een dronkelap, een romantische zot, en zij, mijn moeder, is een hoer, een onderzeese bewoonster van het rijk van Poseidon, die mijn vader rond haar vinger gedraaid heeft, met hem speelde zoals een kat met een muisje speelt. En hij, de onnozelaar, bevaart al eeuwen de zeven wereldzeeën, op zoek naar haar, dat kreng met haar vissenstaart, die mij gebaard heeft, een kruising tussen mens en meermin. Landrot en legende. En hij, dat zielig drankorgel, hij is mij, en zoveel menselijke zwakheid laat me over mijn nek gaan. En ik ben haar, dat over lijken gaand monster, folklore van zeemannen en zuipschuiten. En ik, ik zorg voor hem. Want hij is hopeloos, en kan niet voor zichzelf zorgen, zoals alle mannen. Alles wat ze doen, doen ze voor ons. Maar alles wat wij doen, doen we voor onszelf. Ons kroost? Laat me niet lachen: zelfs onze kinderen zijn zichzelf niet. Zij zijn het verlengde van ons, net zoals ik het verlengde ben van haar, en zij van haar moeder. En zo tot aan het begin der tijden, toen het universum nog geboren moest worden, en mannelijkheid en vrouwelijkheid één waren. En er niks gebeurde, en al het leven dus scheiding en oorlog is, en een verlangen naar die oerstaat van totale orde en nihilisme. Ik verscheur met plezier, ik ben een vos die geen leven naast hem verdraagt, want er is geen hemel boven ons en geen hel onder ons. Er is enkel lust. Maar niet de gezonde variant. Machtswellust. En daarom worden er al eeuwen maagden geroofd. En ongewenste kinderen te vondeling gelegd voor de wolven. Tot er zelfs een stad gesticht wordt als een tweeling het overleeft dankzij een zogende wolvin. Infanticide kent geen mannelijke exclusiviteit, maar wij vrouwen zijn subtieler in ons vernietigen. Wij zijn gifmengsters van de geest, maanziek. Wij dansen naakt onder de sterren en waar onze voeten het gras raken ontspruiten vliegenzwammen.Onze lokroep doet zeemannen het noorden kwijtspelen, en schepen op de klippen lopen. Ons sirenengezang is zoetgevooisd en nectar, een illusie van verlossing tot de dood erop volgt. En zij die lijdzaam toekijken, verscheuren wij en verslinden hen met huid en haar, want als wij al ergens een bloedhekel aan hebben, zijn het wel lafaards. Wij houden alleen van onszelf, narcistisch als we zijn. Onze ziekelijke jaloezie is aangeboren. Medeleven? Eerlijk? Nee, onze doortraptheid is onze eerlijkheid. Ik ben de Romein die Jezus met zijn lans doorboorde aan het kruis. Aan de poorten van Jeruzalem was ik de kruisvaarder die het bloed van duizenden joden en moslims vergoot. Want het is met bloed dat wij ons vruchtwater voeden. Dat is het pact dat het universum met ons gesloten heeft. Wij zijn furies. Ik ben een furie. En geen van Gods schepselen is eerlijker dan dat.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: de veerman van loch ness

Waar waren we gebleven? Op zee uiteraard. En het spookte. In hun hoofden en harten. Ze wisten dat ze ooit rechtsomkeer hadden moeten maken van dat wat ze echt wilden, of ze leefden toch in de illusie dat dat wat hun werkelijke lot was hun niet werd gegund. Uiteraard hadden ze het aan het verkeerde eind. Dit was hun levensverhaal. De zwerftocht. Nooit zouden ze gelukkiger zijn: als ze rillend van de kou en doorweekt wanhopig smachtten naar de wal, als de metershoge golven hun schuit speelbal maakte van de extreme natuurkrachten, en ze brakend van de zeeziekte ijlden en hun moeders naam prevelden. Maar ook als ‘s nachts de banen van voorbij zwemmende dolfijnen fosforiserend oplichtten, en de heldere sterrenhemel de tijdloosheid toonde van het universum, en de belangeloosheid van hun vurigste wensen.Ja, ook zij waren zich bewust van hun bevrijding op zulks een ogenblik. En ze wisten dat ze het ongelukkigst waren als ze tevreden en voldaan waren, want er was niks meer om na te streven. Ze misten masochistisch de honger en het verlangen. Onverzadigd dorstten ze naar meer. Je kan zeggen dat ze wegvluchten van de rust, en ze wisten dat ze daar bang voor waren, alleen wisten ze niet waarom, behalve dan dat het iets met de dood of het sterven te maken had.Zij waren kikvorsmannen geworden ondertussen, gekleed in kelp en zeewier, in hun verbeelding hadden ze kieuwen en zwommen mee met de orkas en belugas van pool naar pool. Van oost naar west volgden ze de evenaar en in het kielzog van koopvaardijschepen passeerden ze de kanalen van Panama en Suez. Ze rondden de kapen en overleefden de Bermuda-driehoek. Het zout leerlooide hun huid, en in hun ogen zag je de weerspiegeling van ontelbare zeemijlen.Maar aan land aardden ze niet. De codes van bedrog daar waren hun onbekend. Hun sociale weefsel beperkte zich tot overleven op oceaanvoedsel en collectieve overleving. Weinig franjes, ja, dat lag hen wel. Dus, wat was hun volgende stap? De rivier op, de binnenwateren volgen richting bron. Want lag daar de origine niet, de oorsprong van hun heil?Er was echter niets te zien. Al dagen bevoeren ze Loch Ness, maar die verdomde hagedis gaf niet thuis. Muizenissen ja, maar monsters? Ze spraken met de lokale veerman.“We zijn hier al een week en dat vermaledijde kreng geeft niet thuis.”“Ik zie hem nochtans elke dag. Ik zie hem zelfs nu. Kijk, daar is hij!” sprak de veerman.Ze keken maar zagen enkel hun schoener die voor anker lag.“Dat is onze boot.”“Ja, dat is jullie boot”, zei de veerman.“Waar is Nessie?”“Daar!” De veerman wees terug naar hun boot, en ze begonnen zich vragen te stellen bij zijn mentale gezondheid. En ze vroegen zich af hoe ze die konden testen.“Wil je een eindje met ons meevaren? We zijn al zo lang onderweg, en we kunnen een extra hand wel gebruiken.”“Denken jullie dat ik gek ben?” antwoordde de veerman, en de logica ervan deed hen besluiten dat het waarschijnlijk zij waren wiens ziel verloren was.Het wateroppervlak was pikzwart, en toch konden ze de bodem zien. Zagen ze daar geen geraamte waar paleontologen van zouden smullen? Ze doken het water in, en zonken onmiddellijk naar de bodem. Het water was zo vluchtig hier dat ze geen drijfvermogen bood.Het skelet was wel degelijk echt, maar ze herkenden onmiddellijk het walvisachtige karakter ervan. Er was niks onwerkelijk aan hun situatie behalve dan dat de veerman zich naast hen bevond op de bodem van het loch. “Zal ik jullie overvaren naar jullie verlossing? Voor een handjevol muntstukken steek ik de rivier over. Daar zullen jullie hen terugzien. Zij die daar al zijn, en zij die nog zullen komen.”Ze kregen het benauwd en hapten naar adem. Dat was nochtans geen probleem. Waren zij werkelijk mijlen onder water?“Wij willen nog niet ophouden met leven.”“Wat zoeken jullie dan wel, als het niet bevrijding is?” vroeg de veerman.“Eigenlijk zoeken we het eeuwige leven.”“Maar dat bied ik jullie toch aan?”“Wij zoeken het eeuwige aardse leven.”En dan beseften ze het onmogelijke van hun gezwerf over die duistere ploert, die oceanen zonder ziel, mededogen of compassie. De veerman stond hen op te wachten. Vroeg of laat. En zij van wie ze wegvluchtten, zouden ze nooit meer terugzien zoals vroeger. De afwijzing door hun geliefden was een beetje sterven, en ze besloten het universum een loer te draaien door de veerman te kielhalen.Niks of niemand zou nog dood gaan. Alle krabbetjes, zeesterren en plankton ter wereld zouden overleven. Ieder virus, microbe of schimmel. Het leven moest woekeren. Voortplanten zou niet meer noodzakelijk zijn en liefde zou eindelijk belangeloos zijn. Verliefdheid een oneindig gevoel, en eindelijk zouden ze verenigd worden met hun muzes tot de zon ontplofte en alles en iedereen opslokte, en zelfs dan nog zou alles overleven ... Ze moesten zich neerleggen bij het absoluut onmogelijke van hun radikale verlangen. Ze lieten de veerman onbaatzuchtig gaan. Boven hun hoofden vlogen talloze satellieten. Ze keken ernaar vol bewondering.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: la gitana

Onze ouwe commodore wist dat het zijn lot was. Iedereen heeft iets dat hij per se wil, maar niet kan krijgen. En hoe meer je het wilt, hoe meer het van je wegvliedt. Hij was Orpheus en zij Euridyce: een eeuwenoud, universeel liefdesverhaal dat iedereen zelf moet ervaren om te weten wat het is lief te hebben en het niet kunnen beleven. Zij was uiteraard van geen kleintje vervaard, en was hem al lang vergeten. Zij was gehuwd met de erfgenaam van Harvey Bristol Cream en zwanger van een drieling, die later het gerenommeerde sherry-huis en het familiefortuin zouden verkwanselen omdat dat is wat  rijkeluiskinderen veelal plachten te doen. Onze kapitein had het nieuws vernomen via de Solanowind en hij zag zich al als Nelson naar Trafalgar varen om Cadiz tot de grond plat te branden, maar zijn vredelievendheid noopte hem tot relativeren. Hij had koortsdromen van jaloezie, en zag haar al een driekoppige, monsterlijke Hydra baren, maar ook nu kon hij zijn kleinste kantjes temmen. Hij was wraakzuchtig en vergevingsgezind tegelijkertijd, en wist met zijn eigen geen blijf. Op zo’n moment wou hij dat hij te rade kon gaan bij zijn moeder Madame Nybros, maar die zou hem zo’n billenkoek geven dat hij de eerste maanden niet meer zou kunnen zitten. Ook Kapitein Oliepul en zijn dochter Anna-Maria Jordaans de Christobal El Salvador waren in geen omtrek te bespeuren, al was dat vooral een kwestie van perspectief. Op dat moment waren zij namelijk in een onderzeeër bezig aan het tweede luik van de wedstrijd Om De Wereld In 40 Dagen Te Land, Ter Zee En In De Lucht. Zij hadden net te voet en met machete Belgisch Kongo getemd en een onverwachte ontmoeting gehad met Dr. Livingstone. In Kathmandu wachtte er na hun onderzeese reis een luchtballon op hen om over de Himalaya te zweven, waar ze getuige zouden zijn van het laatste parende yeti-koppel. Lodewijk restte dus niks anders dan zijn lot te leggen in de handen van Billy Budd en de nameloze muskusrat Nameloos. En ook zij waren in een gemene bui want dat was hun tweede natuur. Plus zij hadden geen rum meer gedronken of sigaren gerookt na hun alcohol- en nicotinevergiftiging in Havana, en ook al hadden ze de eerste week na hun herstel beweerd nooit nog te roken of te drinken, zij begonnen nu flinke ontwenningsverschijnselen te vertonen. Dit in combinatie met het liefdesverdriet van de kapitein vormde een dodelijke cocktail van vernuft en ondernemingszin, maar ook van burgerlijke ongehoorzaamheid. Principieel waren zij tegen het smokkelen van drugs en een Marokkaans voorstel om hasjiesj naar Gibraltar te transporteren, legden ze naast zich neer. En toen ze bedreigd werden door de hasj-maffia, besloten ze nog wat olie op het vuur te gooien door al de berberapen van de Rots mee te nemen en los te laten op de wietplantages in het Rif-gebergte. Ze konden het wel niet laten de arme telers te vergoeden en smokkelden hen naar Europa. Mensensmokkel was een handeltje waar ze niet vies van waren, al vroegen ze er geen geld voor. Ook al vonden ze dat in tegenstelling tot de zee het land wel was voor wie het bewerkte en vruchtbaar maakte, ze gunden die Afrikanen wel een buitenkansje hun geluk te beproeven in het Westen. Want datzelfde Westen had immers toch veel van zijn rijkdom te danken aan zijn kolonies. In ieder geval redden ze op weg naar het Iberisch schiereiland nog een heleboel Senegalese bootvluchtelingen van een gewisse dood. En dit bont allegaartje van zwarten, berbers en een paar vergeten berberapen, lieten ze los in de haven van Cadiz, om daarna onmiddellijk hun steven te wenden richting Galveston, Texas, waar ze de lokale olieboeren het vuur aan de schenen zouden leggen. Ondertussen stond Cadiz in rep en roer omdat ze geen blijf wisten met dit zootje ongeregeld, behalve dan de erfgenaam van Harvey Bristol Cream, die onwetend de nemesis was van Lodewijk. Hij breidde zijn sherry-plantages uit, stelde de asielzoekers te werk, en maakte zoveel winst dat hij Tio Pepe en Osborne kon overnemen en een imperium stichten te Jerez de la Frontera, waarvan hij nog de geliefde burgemeester zou worden. En zij beviel na haar allerbevalligste drieling, die nog zouden huwen met de koninklijke familie van Spanje, van een vierling en een tweeling. Hun kinderen waren allemaal om ter mooist en om ter slimst en graag gezien in Andalusië. Zij zou geen moment in haar leven nog denken aan de zeeman die haar ooit met zijn waterige ogen betoverd en verleid had tot hij haar om god-weet-welke-reden zo razend maakte dat ze hem verstootte als een straathond. En terwijl zij nog lang en gelukkig leefde, riskeerden onze helden na hun avonturen met de Texas Rangers hun ledematen in de Beringzee tijdens de legendarisch dodelijke krabbenvangst. Maar dat is weer een andere zilte ballade ...

ovlijee
0 0

de zilte ballades: zelfredzaamheid

Het was al dagen niet meer gestopt met regenen. En dat was een goeie zaak, want ze kwamen net van de woestijn. Ze herinnerden zich dat ze ook de woestijn een goede zaak vonden want daarvoor was het tien jaar niet gestopt met regenen. Hun huid was albino geworden door de jarenlange afwezigheid van de zon, maar het lichtblauw van de zee in hun ogen werd niet rood. Daarvoor hadden ze teveel mijlen afgelegd op zoek naar wat ze al zolang geleden verloren hadden, dat ze vergeten waren waarmee ze zich nu ook weer op die vermaledijde schuit gans de tijd onledig hielden. Het was iets in de aard van niet kunnen aarden.   Vaste grond onder de voeten had hun voorkeur niet, en ze hielden wel van dat desolate landschap van goudkleurig zand. Aan de einder was het beeld troebel, en zandduinen verplaatsten zich langzaam als af en toe uit de golven opduikende bultruggen. In het mulle zand zakten hun voeten weg. Een karavaan dromedarissen trok voorbij als een zeilrace. In dit barre landschap droogden hun tranen eindelijk, maar hun beschavingsziekte speelden ze niet kwijt.   Hun schuit voor een oase, maar de verlossing kwam wederom uit de hemel. Er was geen wolkje aan de lucht maar het begon toch te regenen. Druppels kwamen uit de ruimte zelf, en waar ze te pletter sloegen, ontsproot leven. Ideeën ontkiemden uit deze onvruchtbare grond en beloofden beterschap. Ooit zullen jullie bevrijd zijn van dit zwoegen, fluisterden ze. Maar wij willen niet ophouden met zwoegen, dachten onze helden.   ‘Ooit zullen jullie tevreden zijn.’ ‘Maar wij zijn graag ontevreden.’ ‘Ooit zullen jullie rust kennen en het eeuwige leven.’ ‘Wij willen pas rust als we dood zijn en dan niks meer.’   De buitenaardse ideeën vonden geen voedingsbodem in de eigengerijde koppigheid van onze zeemannen. De druppels op hun hoofden bleven vallen, en het regende zo lang dat de woestijn overstroomde. Karkassen van dieren met minder geluk en minder intelligentie dreven opgeblazen voorbij. En dat bood hun soelaas. Ze hielden zich vast aan deze dode organische vlotten en dreven naar zee.   Daar lag zij ten anker, te wachten op hen. Zij verkozen deze kleine bevrijding boven de heiland, al waren ze het al vergeten. Zij waren bezig met de zelfkennis dat ze niet wisten wat ze zelf wilden. Maar dan nog gaven ze daaraan meer de voorkeur dan aan de vluchtige beloften van valse predikers.   Ze staken hun vinger in de mond, staken hem dan de lucht in en bepaalden de windrichting. Vervolgens hesen ze de zeilen en trimden ze navenant. Hun volgende bestemming was onzeker, maar die factor had geen belang. Ze wilden niet gered worden, en dat was hun zaligmaking.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: zwaardwalvis

Onze anti-, anti-, anti-helden hadden er weer eens flink de smoor in. Het zou een understatement zijn om te zeggen dat ze in een gemene bui waren, en uiteraard was er een vrouw verantwoordelijk voor hun cafard. Deze bloedstollende schoonheid in zwart en wit woog drie ton, luisterde naar de naam Quanah Parker en was een orka van zes meter. En o ja, ze was even wreed en onvergeefbaar als het Comanche-opperhoofd naar wie ze genaamd was. Nochtans was het niet de bedoeling om hun anker te smijten op de snufferd van deze harde tante, maar het trauma van ooit eens de gigantische piemel van een zwarte, blauwe vinvis in haar spuitgat gestoken gekregen te hebben, noopte haar tot baldadige wraak. Bekomen van de schrik beet ze zich vast in het spekanker en sleurde de gaffelschoener mee de baai in richting San Francisco. De tijd dat hun mastje vlot de Golden Gate Bridge onder kon, lag ver achter hun want door het smelten van de poolkappen, was de zeespiegel zodanig gestegen dat Nederland Onderland geworden was, de Schotse Hooglanden de Laaglanden en Vlaanderen ... Ja, Vlaanderen was nog altijd België, want soms zijn er toch zekerheden in het leven. Maar een orka met een voorgeschiedenis gaat recht op zijn doel af, en zeker een vrouwtjesorka. Met een snelheid van vijfendertig knopen knalde de mast van pijnboomhout tegen de brug en vloog aan spaanders, net op dezelfste moment dat een bonobo met een acute depressie zich van het leven wou beroven door in de Stille Oceaan te springen zoals zovelen van zijn zogezegd meer geëvolueerde soortgenoten. Het klapperende zeil gaf deze dwergchimpansee een zweepslag net op de moment dat hij zijn beslissing in twijfel begon te trekken, en bewusteloos stortte hij het water in, waar hij opgepeuzeld werd door een witte haai die te dom was om verbaasd te zijn om zulk een exotische hap en toevalstreffer. Dit kon Quanah maar moeilijk velen, en omdat ze zoals zovele vrouwtjes snel haar interesse verliest, liet ze de gaffelschoener voor wat ze was - naar de Filistijnen namelijk - en vond in de witte haai een nieuw onwillig maar makkelijk slachtofffer. Ze gaf hem zo’n pandoering met haar staart op zijn harses dat hij die harige aap stante pede terug uitbraakte, en een geluk bij een ongeluk bleek deze primaat, al zat hij onder het haaiengal en diep in shock, nog te leven. Maar soms zit niets mee, en is er geen enkel lichtpuntje aan de einder. In zijn eeuwige melancholie had de mensaap nooit leren zwemmen, en al gauw verzoop hij. Temidden van deze ravage zuchtten onze helden terwijl Quanah meesmuilend toekeek. De witte haai was wreed, dat is zijn natuur, zij echter was rancuneus. Gelukkig was hun ark niet voorgoed naar de haaien, maar als er geen vergeving is, is alles naar de Filistijnen.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: message in a bottle

Daar waren ze weer, op die oneindige, meedogenloze, duistere ploert. Aan het einde van de wereld stortte al dat water zich naar beneden in een eeuwige waterval in een duister universum waar we de origine niet van kennen.   Onze drie anti-helden bevonden zich op hun vertrouwde gaffelschoener in een stormpje ergens tussen Ceylon en Sri Lanka, waar ze een partij papaver hadden ingeruild tegen een lading onbruikbare Kalasjnikovs met scheve loop die dan ook nog eens alleen bloemen konden afschieten.   Ze hingen alle drie overboord omdat ze zo zeeziek als de pest waren, en ze dat soort zeemannen waren, bij hen wende het nooit.   De Ouwe Commodore Lodewijk zag zo groen als een prei en bootste bij het braken de lokroep van de parende zeeolifant na, waardoor de schuit op een wip en een knip omringd werd door een harem misnoegde vrouwtjes die zulk een bedrog maar weinig konden smaken.   Baby Budd huilde tranen met tuiten bij het kokhalzen en verhoogde zo het zoutgehalte van de hem omringende zee. Op zulke momenten vroeg hij af waarom hij ooit zijn lucratieve luizenleventje als stroper van vissersfuiken in de voorhavens van Lissabon had achtergelaten om rond te zwerven op een zeilschip met een geschifte kapitein, die de zeven wereldzeeën bevoer enkel en alleen om zijn niet te verwerken liefdesverdriet te bezweren.   De muskusrat Nameloos had het nog het ergst van al vlaggen. Met een krachteloze staart tegen zijn anus gedrukt tegen de diarree, en een lege galblaas, ijlde hij en was in het diepst van zijn koortsdromen terug in het oerbos van waaruit ze hem ooit ontvoerd hadden. Liggend op zijn rug, drijvend op het zoetste water ter wereld, met een heerlijke kweepeer rijpend op zijn ribbenkast. Overal de geur van mos en groen. Zo fris als een hoentje en vaste grond op tijd en stond.   Maar nee, alle drie waren ze uit hun element gerukt, de één al wat vrijwilliger als de ander, en bevonden ze zich daarop waar al het leven uit was voortgekomen. En alle drie smeedden ze moordplannen en broedden op wraak jegens hen die hun in deze misselijkmakende situatie hadden gebracht.   Vandaag richtten ze al hun pijlen op een zekere Sören Kierkegaard. Een dag tevoren hadden ze bij rustige zee en geen zuchtje wind een fles opgevist met een boodschap in: “Het leven moet je voorwaarts leven maar kun je pas achteraf begrijpen.”   Al had zoveel wijsheid hun eerst dolenthousiast gemaakt dat ze wel eens een bezoekje wilden brengen aan deze onbekende flessenvuller, de eenzaamheid en het slaapgebrek en het overgebleven, bedwelmende parfum van de papaver had hen obsessief doen nadenken over zulke zelf-bewuste, hautaine en betweterige, moraliserende levenswijsheid, dat hun enthousiasme omsloeg in boosheid en melancholie.   En al dat gepieker had hen uit het oog doen verliezen wat echt van tel is: de tekenen aan de hemel. En die voorspelden storm, buikloop en over je nek gaan.   Dat beseften ze in het oog van de storm. Ze veegden het zure bitter van hun monden, respectievelijk muil, namen een diepe ademtuig, en trokken met zijn drieën aan één zeel. Hier en nu. Hier en nu.

ovlijee
0 0

shenandoah

zij is de dochter van de sterren en verlegt haar loop onzichtbaar zij was hier al voor de bizon de gaffelantilope de prairiehaas de coyote maar ook haar bedding zal ooit uitdrogen en haar littekens in het landschap zullen verweren met enkel de sterren als getuige tot ook zij uitdoven en een onbekend lot al dat leeft en onzichtbaar is te beurt valt   er is geen houvast wanneer water naar boven stroomt en vissen paaien in het ijle de grote beer is het noorden kwijt en draken spuwen vuur uit vertikale grotten met de blik op oneindig het is de zwanenzang van het verstilde van de bezieling van onberoerde waterspiegels je ziet jezelf maar als je goed kijkt zie je je moeder en je vader en hun moeders en vaders je zit in de boomkruin van een sequoia als een vliegende eekhoorn en maakt een tijdreis door de takken van je stamboom jij bent hier al heel lang   waar zij ontspringt dronken verschrikkelijke hagedissen tot hun warm bloed koud werd als vissen op het droge kropen organismen uit het dal der duisternis en staarden zich op de zon blind of hoe een rode reus ooit een witte dwerg wordt tot een zwart gat alles opslokt als een walvis doorheen zeeën van tijd horen we hun mantras hun buik vult zich met de oceaan en kril en plankton zij hebben baleinen om te filteren maar wij slikken gulzig en smijten weg wat onze goedkeuring niet krijgt   iedere rimpel begint met een druppel zout water tot de blik troebel wordt monsters verbeelden we ons dan als troost voor onze verweesdheid zo komen we tot de kern van de zaak eigenlijk is angst pure levenslust verlamming oneindig sterven zelfs de warmtedood van het heelal staat in de sterren geschreven maar zolang de rivier langer naar zee vloeit dan ik leef heb ik hoop

ovlijee
0 0

de zilte ballades: de beet

“Hij heeft me gebeten! Hij heeft me gebeten! Die verdomde muskusrat heeft me gebeten!”   Baby Budd fronste zijn wenkbrauwen want de muskusrat Zonder Naam ging niet alleen nameloos door het leven, hij had ook geen tanden meer. Die was hij kwijtgespeeld door in het aquarium van een sidderaal te springen, en toen hij geêlectrocuteerd werd, spanden de spieren van zijn muil zo hard samen dat de wortels van al zijn tanden knapten.   Anna-Maria Jordaans de Christobal El Salvador, dochter van Kapitein Oliepul en een zeemeermin die hij liefgehad heeft in de Stille Zuidzee ergens ter hoogte van Samoa en zijn parelvissers, had van nature de neiging tot theatraliteit, en Baby Budd liet haar lijzig razen en met het servies smijten.   “Mijn tanden, waar zijn mijn tanden?”   De Ouwe Commodore kwam lispelend met ingevallen kaken uit zijn kajuit, en deze onverwachte wending ontlokte een grijns aan Baby’s gezicht. Terwijl de muskusrat Zonder Naam als volleerd acrobaat wegdook voor de ongeleide projectielen die Anna-Maria op hem afvuurde, zag hij het vals gebit van zijn kapitein in het knaagdier zijn muil. Het vooruitzicht weer zonder servies te belanden tussen de Malediven en Hawaï noopte Baby tot actie en hij mepte Anna-Maria zo hard op haar krent dat het echoode in de kombuis. Zijn hand resoneerde na en er verscheen een lichte blos op zijn kwajongensgelaat. De muskusrat kwam tevoorschijn en spuwde de Commodore zijn vals gebit uit. En nadat de Ouwe zijn tanden terug had ingestoken, jammerde hij: “Niet goed, Baby, niet goed! Jij slaapt voor je eigen veiligheid tot de volgende haven achter slot en grendel, want anders castreert ze je in je slaap.”   Baby zag aan het gelaat van Anna-Maria dat het menens was. Ze was stante pede gekalmeerd maar haar blik was als van een moordlustig roofdier en hij zag haar brein malen en moordplannen smeden. De laatste man die nog maar de schouder van Anna-Maria had weten te beroeren, was al zijn vingers kwijtgespeeld aan de papegaaienbek van een octopus die ze daarna rauw verslindde voor zijn eigen ogen, en als dat nog niet genoeg was, gebruikte ze de inkt van diezelfde ongewervelde om hem van kop tot teen te tattooëren met de meest scabreuze en vernederende scheldwoorden. Ja, Anna-Maria had een neiging tot overdrijven en de muskusrat Zonder Naam die zich bewust was van het onheil dat hij over zijn scheepsjongen had uitgeroepen kroop gemelijk in de bilges.   “Ben je nu gelukkig, mislukte marmot!” kraamde de Ouwe uit. En nadat Anna-Maria zich boosaardig, rancuneus en boordevol plannen smedend teruggetrokken had, stuurde de Ouwe een S.O.S. naar zijn ouwe gabber en vader van Anna-Maria Kapitein Oliepul.   “Anna-M. gebeten door stokvis. Vaccin? Over.”   En dit zou hun redding zijn, want als Kapitein Oliepul al iemand graag zag buiten de zeemeermin die hij al jaren vruchteloos zocht was het wel zijn dochter. En met zijn schip zonder haven zou hij haar komen halen en naar de beste geneesheren tussen Tahiti en Nieuw-Guinea brengen. En voor hij het bedrog doorhad, zou iemand anders al de toorn van zijn dochter op de hals gehaald hebben, en kon Baby Budd terug op beide oren slapen. Zijn mannelijkheid was voorlopig niet in het gedrang.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: de wees, de doper en het waterkonijn

Baby Budd stak zijn eeltige voeten in het water en keek naar de katvissen die op de bodem slijk omwoelden. Ze zochten naar herkenning in de vorm van voedsel en hij zocht naar zichzelf toen hij zijn gelaat weerspiegeld zag in het troebele water van de zoveelste oever. Wat was het verschil tussen rivieren en de zee dan zout. Alsof de ganse wereldoceaan Gods tranen waren. En zoet water van rivierdeltas Zijn smart verdunden. Tenzij het tranen van ontroering waren. En zo stromen Rio Grande, Mississippi, Ganges en Eufraat door toedoen van die universele zwaartekracht even ritmisch als de maan de menstruatiecyclus van vrouwen beïnvloedt. Wat is het geslacht van de elementen? Is verslindend vuur mannelijk en de aarde ontvankelijk als de vrouw. Wispelturig is de wind en het water is diep. Even diep als de ziel van het leven. Baby kreeg dat gevoel weer dat hem soms overviel als hij naar de sterren keek, of wanneer hij een walvis zag. Hij was getuige van een doopsel. Een jongen werd in een wit gewaad ondergedompeld door een raaskallende prediker terwijl extatische vrouwen zichzelf verloren in hun overgave. En Baby Budd begreep dat alle tollenaars en farizeeërs ter wereld geen antwoord hadden op zoveel mystiek. Het was niet de boodschap die telde, het was het bezwerende ritueel zelf. In zijn dromen stak hij zo ontelbare keren de Jordaan over op zoek naar zijn moeder maar zijn tijd was nog niet gekomen. Maar bruggen zijn vergankelijker dan de loop van een stroom. En bronnen zijn nog onuitputtelijker dan de loop van water. Tot ook dat stopt. Miljoenen jaren om te worden wie hij was met zijn geleerlooide gezicht door zon, zout en wind getaand. Veel te jong wees, veel te vroeg oud. Maar het archeologische slijk happen van de meervallen troostte hem. Hij was meester over zijn eigen lot en daarin overtrof hij dan zelfs de Ouwe Commodore. Die had tenminste nog zijn oermoeder Madame Nybros, en zijn Andalusische fatale liefde die hem deed zwerven over de zeven wereldzeeën tot zij hem eindelijk zou vergeven dat hij voor haar wou stoppen met varen en haar kind lief te hebben dat zelfs niet zijn eigen vlees en bloed was en hem met haar ogen kon doodsteken. Baby werd uit zijn gemijmer gewekt door gekrijs. De muskusrat Nameloos was namelijk in een gemene bui naar de dopers gezwommen. “Nameloos, kap met die onzin!” “Maar Baby, ik ben maar wat aan het dollen.” En voor de Kid wist wat er gebeurde, dook de muskusrat onder water en kwam terug boven met een vis in zijn muil. Het was de tijd dat de diertjes terug spreken konden en de vis vond het maar niks dat hij tijdens zijn graafwerken herleid werd tot menu. “Ik dacht dat muskusratten vegetarisch waren.” zei de katvis. Nameloos ontkrachtte dit door hem onmiddellijk op te peuzelen alsof hij de walvis zelve was die Jona verslond. Maar deze delicatesse misviel hem, en met een zware maag knapte hij een uiltje in het water. Zijn dromen waren gevuld met nachtmerries over rattenvangers die hem later serveerden als waterkonijn aan de feestdis van rijke misantropen. Baby dacht er het zijne van. Hij haalde zijn voeten uit het water en keek naar de zon tot hij zwarte vlekken zag. Hij voelde dat ze voorbij haar hoogtepunt was. Ooit zou ook zij finaal opgebrand zijn.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: mama's kindje

De Ouwe Commodore en Billy Budd waren ergens onderweg tussen Montevideo en Mar del Plata toen de dochter van Kapitein Oliepul de Ouwe wekte door op zijn hoofd te gaan staan. Billy liep wacht samen met de muskusrat Nameloos die zo kleurenblind was dat ze aan de Islas Malvinas bijna op de klippen waren gelopen. De onhandigheid van de dochter van Kapitein Oliepul op vaste grond was legendarisch en haar schouderklopjes hadden de Commodore bijna een oog gekost in de storm bij het ronden van Kaap Hoorn al kan het slechte weer daar ook mee te maken hebben gehad.   Het regende die dag pinguïns uit de lucht en ze maakten een noodgedwongen tussenstop in Vuurland waar ze hen keizerlijk begroeven. Kapitein Oliepul was al jaren niet meer aan land geweest en vond dat zijn dochter Anna-Maria Jordaans de Christobal El Salvador danig verwilderde. Vooral het feit dat zij ondanks de afwezigheid van kieuwen de parelduikers van de Malediven met uren verschil klopte als het op adem inhouden aankwam, noopte hem tot de beslissing haar af te staan aan een schuit die toch af en toe eens aan land kwam. De Ouwe en Billy waren op dat moment bezig met een lucratief handeltje toekans te smokkelen uit een Centraal-Amerikaanse Bananenrepubliek waar ze nog even een staatsgreep overwogen te plegen, maar ze vonden het een beter idee de vogels te trainen in onverdoofde castratie en hen te versjacheren aan slavendrijvers en moguls. Als het paard van Troje zouden deze wijd- en vuilgebekte paradijsvogels een einde maken aan testikels met een te hoge testosteronproductie en genen van de misdaad. Het was echter ook wel gedaan met propellertje spelen aan boord en wild plassen, gezien het efffect dit had op de beesten en ze met één beet van hun snavel hun ketens en tralies van hun koten konden breken.   Maar Anna-Maria was dus hun nieuwe gaste en ondanks zijn levenslange trauma met de dochter van de vrouw van zijn leven, zijn muze uit Andalusië, blies er een frisse wind door de Commodore zijn leven. Ook al brak ze bijna zijn schedel door met haar volle gewicht zijn hoofd als opstapje voor haar hangmat te gebruiken, plengde hij een traan en was hij niet langer de eenzaamste mens ter wereld. Hij was gaan varen omdat hij geboren was onder een vurig gesternte. Hij was de Leeuw en de Draak, en Madame Nybros wist dat het vuur in zijn buik alleen getemperd kon worden door hem de zee op te jagen. Hij zou nergens kunnen aarden. Maar zijn naam zou bezongen worden over de Zeven Wereldzeeën. Al dachten ze in Café Zeemansverlangen te Oostende dat hij een doodgewone matroos uit Paraguay was.   En dan nu was er eensklaps het fijnste meisje van de hele wereld op zijn boot en Billy en Nameloos smeedden jaloers plannen om haar te kielhalen. De Ouwe was stapelverliefd en vergat hun beide namen, wat zeker in het geval van de muskusrat een belediging van de bovenste plank was. Maar dan gaf ze ook hen een smakkerd en waren ook zij onder haar betovering. Als ze sprak, zwegen zelfs de toekans, en haar sirenenzang deed de wildste baren kalmeren. En toen begrepen ze Kapitein Oliepul: zij was zijn dochter van een zeemeermin. En al die jaren op zee was hij in de ban van die onmogelijke liefde. Geen vuurtoren die hem de weg naar vaste grond kon leiden, geen rust in zijn zielenleven na die kus van de Leviathan. En zowel Billy als de Ouwe wisten dat hun menselijkheid op het spel stond, wat Nameloos maar matig kon appreciëren gezien hij geen stem kreeg in wat hun te doen stond. De muskusrat was trouwens eerlijker in zijn zienswijze en zei dat niet hun menselijkheid op het spel stond maar wel hun mannelijkheid, en dat alle vrouwelijkheid van nature schoon is en dat mannen daarvoor moeten zwoegen, hetzij door het Noordzeekanaal over te zwemmen, hetzij door de Sixtijnse Kapel te bedenken. Maar teveel schoonheid is vernietigend.   Het probleem loste zich echter op voor het zich stelde. Wispelturig als de vrouw is, sprong Anna-Maria op een nacht overboord en zwom terug naar Polynesië om de minnares van haar bronzen parelduiker te verzuipen. Nameloos was de wachtloper van dienst die nacht en het laatste wat hij van haar zag, was haar walvisstaart. Billy en de Commodore droomden op dat moment van Madame Nybros en zij streelde teder over hun ruggen met haar perkamenten handen. Jullie zijn het zwakke geslacht, zei ze, en toen realiseerden ze zich dat ze nog honderden jaren over zee konden zwerven. Al het zout en oceaanwater ter wereld zou die bestendige geur van zogende moedermelk in de ether niet kunnen wegspoelen. Voor altijd zouden ze mama’s kindjes zijn.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: aan land

Aan land!   Alles wiegt, en deint na, en Billy Budd kan amper op zijn benen blijven staan. De Andalusische zon beukt op hun hoofden en de geur van gefrituurde vis waait hen tegemoet. De Ouwe Commodore was terug, en al zou hij het in alle toonaarden ontkennen, hij dacht alleen aan haar en haar dochtertje. Want dat was het laatste dat hij van haar gezien had. Hoe ze hem de rug toekeerde en als een Spaanse furie wegstampte. Haar dochtertje die hem anders geen blik waardig achtte, bleef achteromkijken. Wie was die man, en wat deed hij met haar moeder? Ze had niet dezelfde ogen als haar moeder, lichtbruin als van de trouwste hond die je je maar kan inbeelden. Nee, ze had de ogen van haar vader, vermoedde hij, zwart, en ze keken nieuwsgierig, bijna uitnodigend en op dat moment stierf de Ouwe duizend doden. Want zij was razend niet omdat hij terug wou gaan varen, maar omdat hij wou stoppen met varen voor haar, en dat paste niet in het romantische beeld van de avonturier die hij voor haar moest zijn.   Even overwoog hij zich van het leven te beroven, maar toen dacht hij aan de nachtelijke sterrenhemel boven de Golf van Biskaje en het weerspiegelen van de Melkweg tussen de fluoriserende algen en de drieduizend meter diepe watermassa die de kiel scheidde van de bodem. Was het niet die nacht dat een potvis bovenkwam en een amfoor uitbraakte? Er stak een rol perkament in met een liefdesbrief in spijkerschrift: “We zien mekaar terug in Cadiz binnen tweeduizendvijfhonderdvijfentwintig jaar en vijfentwintig dagen.” En de Ouwe wist dat die brief voor hem bestemd was, en dat hij na haar afwijzing nog eens zoveel jaar zou moeten varen vooraleer hij de lakens met haar zou mogen delen, al zouden ze dan mummies zijn en het schip hun sarcofaag.   Maar hier was hij na dertig jaar al terug. Uit liefdesverdriet had hij eerst tien jaar rond de wereld gevaren op zoek naar Donald Crowhurst. Toen vond hij het welletjes, en is hij de Congo-stroom opgevaren om tegen de Mai Mai te gaan vechten, maar vooraleer hij goed en wel vertrokken was, werd een gorilla-vrouwtje verliefd op hem, en ontvoerde hem naar de hoogste toppen van de Virunga waar ze hem gebruikte om het plaatselijke alfa-mannetje jaloers te maken. Gelukkig verwarde deze hem met Aloïs Samson, de allerliefste verzorger ter wereld van de laaglandgorilla Gust van de Zoo van Antwerpen, en was hij maar al te goed op de hoogte van de plannen die gorillavrouwtjes smeden. Hij nam de Ouwe ver weg van de beschaving terug naar de stad, maar in Stanleyville werden ze gevangengenomen door CIA-agenten. Tijdens het verschepen naar New York slaagde de Commodore er evenwel in op mysterieuze wijze te ontkomen, al vermoedt iedereen dat het een inside job was. Zijn gorillakompaan zou later nog het Empire State Building beklimmen, maar daar is niks van aan want op datzelfde moment was hij ook aan het vechten tegen een verschrikkelijke grote hagedis in Tokio.   En dan moet de Commodore ergens Madame Nybros, zijn moeder en die van vele anderen, terug tegen het lijf gelopen zijn. En dat het maar eens gedaan moest zijn met dat liefdesverdriet, dat ge tegen een vrouw nooit moogt zeggen dat ge haar graag ziet, alleen tegen uw grootmoeder. ‘Zei Marvin Gaye dat niet tegen Arno in Oostende ‘, beweerde de Commodore, maar dan kreeg hij zo’n oplawaai van Madame Nybros dat hij gedurende een jaar geen kleur meer zag, wat op een boot geen sinecure is.   En dan in Lissabon was Billy Budd daar, en diezelfde Billy Budd is altijd meer landziek dan zeeziek. Straks gaat hij dansen met mooie meisjes en van zijn stokje gaan, en zoals in alle zuiderse landen ter wereld gaan die meisjes dit affront hem niet vergeven en hun broers en vaders en neven met messen achter hem jagen. Ternauwernood zal hij kunnen ontsnappen zonder ledematen kwijt te spelen. Maar eerst moest Billy langs Madame Nybros, die in iedere haven op hen wacht. De Ouwe ging zich eerst moed indrinken vooraleer naar zijn vroegere muze te zoeken, en omdat hij al jaren niet meer dronk zou hij op de Playa Santa Maria in slaap vallen en zo’n zonnesteek oplopen dat hij de eerste veertien dagen niks anders kon doen dan ijlend op een ziekenhuisbed haar naam fluisteren. Encarnacion. En Billy vroeg zich af of de kapitein zijn gezond verstand had teruggevonden, en wie nu herboren was. En voor even was Billy de baas, maar zijn zoektocht naar Madame Nybros werd een totale mislukking omdat hij verliefd werd op een flamenco-danseres die een man bleek te zijn. En de zigeuner die het doorprikken van deze illusie maar matig kon velen, achtervolgde hem gedurende heel Carnaval.   Nee, Cadiz was hen wederom niet gunstig gestemd. De duende was hier overal en de stad was fier een tijdloze fata morgana te zijn. Zij mochten hier te gast zijn, maar zeker niet blijven. Misschien hadden ze meer geluk in Somalië. Somalië? Ja ja, de Mogadishu-affaire.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: de ark

De wind en de olie waren al dagen op toen ze kwamen.   Billy Budds huid was kurkdroog en zijn gelaat vertoonde de trekken van een honderdvijftig jaar oude Indiaan. Hij bewoog zich over het zeilschip als een ratelslang die zijn schubben verliest en zichzelf binnenste buiten wil keren. De Commodore keek ernaar en dacht aan zijn moeder Madame Nybros. Waarom trokken ze naar zee? Waarom verlieten ze het nest? Rivieren ontspringen aan ondergrondse bronnen zoals gedachten uit het onderbewustzijn, en de zwaartekracht stuwt hen naar het grootste meer ter wereld die al het land omhelst als de armen van een moeder. Ze zoogt en koestert en is onvergeeflijk, en ieder jongetje ter wereld houdt van haar maar is ook doodsbang. Zelfs als mannen zijn ze pas vrij als ze zich op een houten ark begeven en haar baren en stormen trotseren. Maar nu was haar wispelturigheid elders, verduisterd door andere magische geesten en krachten, die onzichtbaar voor menselijke zintuigen strijd leveren en de kosmos voortjagen.   Ze tuurden naar de horizon en zagen de vrouwelijke rondingen van de aarde. Loodrecht boven hen een blind en gek makende, priemende zon. Dit zijn de tropen. Enkel op de evenaar is deze vuurbal even verschroeiend en vernietigend als leven schenkend. Ze hingen puffend overboord te kijken in een mijlen diepe oceaan en toch zagen ze de bodem. Zeesterren dansten daar voor hun ogen op muziek die voor de Commodore jaren ouder klonk dan voor Billy Budd. Ze verlangden hen te vergezellen in deze mazurka en hemellichamen te worden, maar ze wisten dat hun tijd nog niet gekomen was. Hun ark op zee was nog even hun thuis. En welke haven ze ook zouden aandoen, Madame Nybros wachtte daar op hen.   Het zoutkristal blinkte aan dek dat smachtte naar zoet water, Billy en de Ouwe bevonden zich in dat universum tussen waken en slapen, en toen kwamen ze. Honderden eendjes dreven op onzichtbare stromen en omsingelden het schip. Rond de boeg was tussen het gele dons van hun verenpallet geen zee meer te bespeuren. Ze kwekten erop los, en trappelden met hun oranje zwemvliezen. Ze bleven komen en spreidden hun onkundige vleugeltjes. Ze trapten over mekaar om aan boord te geraken terwijl ze in de openingen van alle in- en uitlaten van het schip kropen. En dan zagen ze haar, de moederkloek, reusachtig als het schip zelf, baarmoeder van alle woerden en pielen ter wereld.   “Billy, dump al de olie en smerigheid aan boord die je maar kan vinden, open de tanks nu!”   Beide mannen kwamen in beweging, net als het schip. Kranen werden opengezet, en leidingen onder druk spuiden hun inhoud. Pompen en darmen maakten hun obscene bewegingen als giftige insecten en maden. De geur van verrotting en petroleum hing overal, en het geel van de eendjes werd verdrongen door het zwarte goud van de aarde. De moederkloek kwam dichterbij en ze vreesden haar wraakzucht, maar dan zagen ze dat ze van rubber was, net als al de kleintjes. En toen ze hun fout inzagen, siste de moederkloek. Lek verschrompelde ze gedurende langzame uren tot de nacht inviel. Aan de hemel verschenen eeuwenoude mythen, maar op de bodem van de zee dansten de zeesterren niet langer.   “Commodore, wat hebben we gedaan?”   De ouwe draaide zich weg, ging in zijn gedachten honderd jaar terug in de tijd, en huilde als een klein kind tranen met tuiten in de schoot van Madame Nybros. Zij troostte hem zoals enkel moeders dat kunnen. Zij zijn de wiegende Ark op een zee van onverschilligheid.

ovlijee
0 0

bambi

Ze zocht naar de juiste vergelijking. Ergens had ze die formule gezien. Dwangmatig bleef ze googlen, al was ze ervan overtuigd dat zelfs het vinden ervan niet zou baten. Maar het ritueel moest gerespecteerd worden. Ze walgde van het stof tussen de toetsen van haar klavier, en in haar verbeelding zag ze bacteriën broeden tussen anodes en printplaatjes. Maar ze was te lui en te gepreoccupeerd om een oorstaafje te drenken in Dettol en de kloven te ontsmetten als was het acné. Duizendtweehonderdzestig pondvoet gedeeld door het eigen lichaamsgewicht. Daar was ze uiteindelijk op uitgekomen via een obscure website. Zelf was ze een droge vijftig kilo of te honderd en tien pond. Duizendtweehonderdzestig delen door honderd en tien was ruim twaalf voet. Om zeker te spelen. Dat dan maal dertig gaf drie meter en zestig centimeter. Ze wist de speling die ze moest hebben. Ze nam haar lintmeter en ging op een kruk staan. De afstand van het plafond min de dertig centimeter van haar hoofd tot aan de stalen buis waaraan ze haar pull-ups deed. En dan de afstand van die buis tot aan de vloer min haar lichaamslengte plus die dertig centimeter er weer terug bij. Veel te weinig. Ze keek naar de naakte muur waar de bezetting door grondwater en schimmel was afgebladderd. Alsof ook dode materie een huidallergie kon krijgen. Het profiel leek in haar levendige fantasie hard op een foetus uit de baarmoeder van een dode zeug. Ze dacht aan een alternatief, maar ophanging leek haar het properste. Ze zou al niet bang hoeven te zijn dat haar hoofd van haar nek zou gerukt worden. Daarvoor was de valafstand te klein, maar het vooruitzicht om een half uur te stuiptrekken en hulpeloos naar adem te happen, terwijl de strop gestaag in haar hals sneed als een sadistische impotente seriemoordenaar, gaf haar kippenvel van de onaangename soort. Leila was dood. Zij die zo graag leefde, was dood. En zij die zo graag wou sterven, leefde tegen haar zin. Haar zelfmedelijden kletste in haar gezicht. "Ik kan zo niet meer verder, Leila, ik ben gif voor mezelf. Welke oneigen moleculen razen er door mijn brein?" Ze ging opnieuw voor haar pc zitten, en veranderde haar bureaublad. Roman Polanski ruimde plaats voor Leila. Ze trok de kap van haar sweater ver over haar hoofd en teende naar de nachtwinkel. Een prille maansikkel was getuige van de fragiele overwinning op haar muizenissen. Frêle als een hinde keek ze naar de hypnotiserende koplampen van de auto die haar liet oversteken. Ze snoof schichtig met haar natte neus de beschaving op en al was het maar voor een fractie: even hoefde eindelijk niets meer.

ovlijee
0 0

ja

ja ja ja JA !zeg ja zeg niet neezeg soms neenee tegen valse predikersnee tegen heikneutersnee tegen stoïcijnse baardapen en paterachtige pederastenzeg vooral nee tegen betweters en mannen met mijterszeg nee tegen het schrappen weg die gomzeg ja tegen neezeg nooit nee tegen jajawelzeg yes tegen vreemde talen Jawohlzeg ja tegen het overmatige, buitensporige, exuberante, barokke, overbodige, oppervlakkige, niettegenstaand levenslustige misbruik van adjectievenzeg ja aan het werkzeg ja aan de liefdadigheidzeg ja aan het braken van gulzigheidzeg ja tegen de wanhoop het verdriet het oneindige liefdesverdrietzeg ja tegen de rouwwat zeg je tegen de dood?waar de dood is ben ik niet!leven leven LEVENLUSTzeg ja tegen de tienerzwangerschapzeg ja tegen SOA's en Syndromes Inventés pour Décourager l'Amourzeg ja tegen de hondstrouw en de diepgangzeg ja tegen zeeziekte en heimweeja ik mis je liefje van toen ik 14 wasik mis meja aan de obsessieve gekja aan de lanterfanterja aan de achteruitgangja aan het vergalopperenja aan het gehinnik van paardenja aan het van de hak op de tak springen en de gedachten de vrije loop latenja aan de inconsistentie en de inconsequentie en vierende teugelsja aan de vergiffenisja aan de boosheidnee aan de machteloosheidwaar het leven is zijn jij en ikJAJAwaar het schuim van de baren bruist tot het einde der tijdenkosmische symfoniezeeën van mogelijkhedenja aan de mama'sja aan de wiegende baarmoedersnee aan de scheidingnee aan het doorknippen van de navelstrengja aan de versmeltingja aan het samen zijnja aan de energieenergiek frenetiek compulsief bezeten jaja aan de dUIVELopstandig geëmancipeerd zingen drummen boksen stampen springen wurgen rennen vrijenja ja ja ja ja ja nog sneller ja ja daar ja JA JA JA A A Ai Ai wat doe je nu O JAAAAAAnee aan het onanéérenja dan liever organische orgiastische orgieën van orgasmen ja aan vrijen teder sensueel kruipen in mekaar ja aan le petit mortja aan jouja aan ons kindja aan onze kinderenja aan hun kinderenja aan onze kleinkinderenja aan het gezinja aan de familie de vriendschap de stad de wereld nee aan de grenzen ja aan het spelja aan de lachja aan de emotieja aan de traanja aan de regen en piesen zonder handenja aan lopen met je ogen dicht en sappig gras onder je blote tenen en hielja aan de kusja aan de uitputting maar ook ja aan de luiheidja aan het leven beleven ondergaan sturen erin erin erin in het volle levenja aan de droom het woord de emotie het gevoeldansen schrijden dribbelen vreugde ode bidden vierennee dit is een ja volmondigzonder ja, maarnee geen nee alleen maar jaJAJAik zeg jajij zegt jau zegt jahij zegt jazij zegt jahet zegt jawij zeggen ja jullie zeggen jazij zeggen jazeg ja zeg toch gewoon janee aan abortussen en onthoudingen en komma's en verstoppertjenee aan het vechtenja aan het vechten tegen onrechtja aan het ploeteren voor een nog betere wereldnee aan de gelatenheid en de tragische fatalistja aan de koppige optimist ja aan open armenja aan de duikja aan het nunu jaja aan ongemakkelijkheidja aan onbetreden padenja aan de miljarden ja-knikkersnee aan de voorspelbaarheidzo eindigt het niethet eindigt nooiteen eindeloos jadat is Alles, ja

ovlijee
0 0

de zilte ballades: white musk

Madame Nybros had nog steeds werkhanden. Haar lucide ogen herkenden mij. Ik was haar havenboefje. De masten van haar schuit stonden typisch schuin, maar de nest Nijlganzen die huisde in de ankerkluis waren getuige van een lange ballingschap aan de wal. Ik herkende de geur van Brasso koperpoets die ook de vlekken op haar vingers verklaarde. Sinds ze haar favoriete tabak niet meer verkochten, was ze moedwillig gestopt en beginnen pruimen. De kwispedoor naast haar blinkte als nieuw, maar hij was even oud als onze eerste reis naar Madras. Op de Zibro Kamin stond selder die ze zelf verbouwde te pruttelen. In mijn gedachte ging ik terug naar het België van de vorige eeuw, toen ik onsuccesvol de handtas trachtte te jatten van een burgerdame en ze me met mijn klikken en klakken in ’t Scheldt hadden geworpen. Madame Nybros was niet te beroerd om me er eigenhandig weer uit te vissen. Gelukkig maar, want ik kon niet zwemmen. Aan diezelfde petroleumkachel mocht ik me jaren geleden drogen, en haar schip met de schuine masten werd mijn redding. Ik bedankte haar met een muskusrat, maar ze kreeg het niet over haar hart hem te doden. We hebben het beest bewaard als huisdier, en het heeft nog tien jaar geleefd tot het finaal de pijp aan Maarten gaf bij de aanblik van zijn grotere broer de Capibara, bij het opvaren van de Amazonestroom. Toen we het wilden begraven, bevonden we ons op de gezegende grond van de Arowakken, die ons een kopje kleiner wilden maken, tot ze de kleine broer zagen van het knaagdier die hun totem was. De muskusrat die eigenlijk nooit echt tam is geworden, en dan ook nameloos is gebleven, noemden we Nameloos, en staat nu gedroogd en opgezet in een altaar ter hoogte van de evenaar, in het estuarium van een stroom met vreemde oorsprong. Zijn we niet allen exoten, onwelkome Nijlganzen, omringd door levensbedreigende diersoorten zoals de mens en de cholera? Of de Tijd, die van nature nooit van monding naar bron stroomt, maar eigen aan de relativiteitstheorie gedwee de zwaartekracht volgt? Enkel zij, die moederkloek en riviergodin, is een zekerheid. Madame Nybros, zij is hier thuis.

ovlijee
0 0

een kaaiman in het korenveld

Prélude: Korenveld met Kraaien is Vincent Van Gogh 's laatste schilderij. Speculatie. De dreiging die uitgaat van dit werk maakt het vatbaar voor zichzelf vervullende beloftes. Al was het wel in zulks een korenveld dat hij anno 1890 het fatale schot loste. Waren kraaien toen ook getuigen of partners in de misdaad? Korenvelden nodigen uit tot geheimzinnigheid. Wat zouden kraaien nog allemaal zien? Pas maar op want volgens een studie zijn ze in staat gezichten te herkennen. Misschien zijn ze zelfs in staat gedachten te lezen. Zo zag een kraai op een gegeven moment in zo'n veld een mysterieuze juffrouw. Hij maakte een scheervlucht en was getuige van haar monologue intérieure. Hier lig ik dan. Mijn rug jeukt verschrikkelijk en het zeurende zoemen van insecten enerveert me mateloos. M'n hemd voelt klam aan: zweet, en het ruikt hier alles behalve aangenaam. Ook m'n sokken zijn nat en m'n broek wringt tegen.  Weer geen rust. Een vlieg maakt me het leven zuur en verpest de setting. Het koren rond mij staat hoog en wiegt op en neer  met de wind. Een zee van goud, doorheen de wind ruist een branding van halmen. Ik kijk recht omhoog maar moet mijn oogleden sluiten. Staalblauw gaat over in stekende zon. Ondanks de hitte krijg ik kippenvel. Een veldmuis rent over mijn duffe schoen. En zwaluwen snijden door de lucht.  Ik kan het priemen van de graanstengels in mijn rug niet langer verdragen en hef mijn romp. M'n zwangere buik spartelt tegen en ik onderdruk een gevoel van afkeer. In de verte schrikt een fazant op maar rond mij is er slechts eenzaamheid. Behalve dan de parasiet in mijn baarmoeder.  Enkele druppels is genoeg had ze gezegd: enkele druppels voor zijn zaad. Maar hoe zit het met mij? God, wat een tranendal! Onze enige weg naar onsterfelijkheid huist in het laten versmelten van onszelf met iemand die we na drie jaar haten. Als het al zo ver komt. En dat allemaal omdat we zo nodig mens moesten zijn. Zwanen blijven heel hun leven trouw aan elkaar. Dat God meelij met hen heeft en ze niet laat voelen wat ons leven zo ondraaglijk maakt. Als kind heb ik één keer een onvergetelijk pak slaag van mijn vader gekregen. Ik had een onbevrucht ei van onze hen verwisseld met een bijna uitgebroed en toen hij een omelet wou maken en de schaal van het ingeruilde ei brak, viel er een onvolgroeid kuiken tussen de dooiers. Een onregelmatig kloppend hartje roerde zich nog enkele keren om dan voortijdig te versterven. Gefascineerd stond ik naast papa te kijken, en voelde bitter weinig, maar hij wist wat ik gedaan had en toen hij me geslagen had, zei hij: "Speel geen spelletjes met het leven." Nadat hij zich ontdaan had van het lijkje, kwam hij terug met een koel washandje: hij veegde de tranen van mijn gezicht en bette mijn hete rode wang. "Alleen een vos verdraagt geen leven rond hem, winterkoninkje." Gek dat ik nu aan die woorden moet denken. Droge zwoele lucht komt van de bergen, die kilometers verder zal botsen met de frissere lucht aan de kust. Dat fenomeen zal voor deining zorgen en vissers wagen zich niet langer op zee. Enkel koopvaardijschepen varen nog uit. Waar zou hij nu zitten, de ongewilde vader van mijn ongewenst kind? Waarom heb ik me niet meer verzet? Ik weet waarom. Omdat ik het lekker vond. Zijn geur, zijn zware parfum, zijn adem die naar likeur proefde van een ver land. Anijs of venkel vermengd met sigarenrook. En zijn ogen eindelijk open, kwetsbaar, niet venijnig en achterdochtig zoals zijn moeder. Ja, dat was het. Zijn controleverlies bracht hem in mijn macht, mijn frêle meisjeslijf, mijn vrouwelijk. Maar zijn kind baren, dat nooit. Zou zijn moeder het weten, dat haar kleinkind op mij teert, en dat zij het vergif schenkt om het te verteren, te ontmantelen? Het was in haar hutje dat ik de leugen vertelde dat het van mijn eigen vader was, en dat ik finaal haar medelijden opwekte. Aan de oever van de rivier groef ze vers geschoten kuit van schildpadden uit het slib. Krabbetjes begaven zich schrijlings in het water en in de wilgen bekeken ibissen ons vanuit de hoogte. Haar gezicht was getaand en met haar gerimpelde hand streelde ze over mijn schijnheilige gelaat. Haar vingernagels waren bot maar rond haar pols hing een luxueuze armband.   Is dit nu hekserij? Ja, dat is wat ik op dat moment dacht. Deze vroedvrouw die leven helpt baren overdag, aborteert het als de nacht kruipende schepselen wakker maakt. Vleermuizen en giftige duizendpoten, zwammen en dolle kervel. Ook papa kent de geheimen van de natuur maar niet zoals haar. Hij zou nooit toestaan wat ik ga doen, maar ik neem mijn lot in eigen handen, en bovendien ontferm ik me over de anderen. Dit kind heeft geen vooruitzichten: een bastaardje dat slavinnen vroeger in rieten mandjes overgaven aan de stroom. Ik grijp naar mijn beurs: er steekt een prent in van een korenveld met kraaien. Daar ben ik zelf nu ook. Ik zie me liggen, ik zie de weg uit deze morele doolhof. Ik neem een slok van de flacon die ze me gegeven heeft. Het proeft niet bitter zoals ik verwacht had, bieslook, knolachtig. Het zou niet lang duren voor de vrucht afgedreven wordt, pijnloos. In haar gezicht zag ik zijn wilde grimas, zijn woede, zijn wraak. Papa had hem gegeseld als een wild beest. Zo ga je ermee om, beweerde hij, dit is geen tam huisdier van het erf, maar een slaaf. Achterbaks en afvallig. Met een zweep van gedroogd olifantenhaar had hij zijn rug gevild. Zijn moeder liet geen traan. Ik keek er naar, opgewonden, maar vader joeg me weg. En dan zoveel jaren later, waren de onmensen vrij en moest mijn vader vechten in een onverwachte oorlog. Zijn laatste brief is weinig hoopvol. Ze zijn aan het verliezen, en hij zal spoedig thuis zijn, op weg naar een onzekere toekomst. Mijn buik verkrampt, de zon staat minder hoog. Ik open de ritssluiting van mijn broek en trek ze uit. Mijn bleke dijen herinneren zich zijn donkere handen. Ook toen had er bloed gevloeid. De droge gulzige grond nam het zonder morren op. Zijn geheelde rug was grof als schors, maar gewillig streelde ik hem. In zijn ogen de weerspiegeling van iets onwezenlijks: vreemde dieren, handen die kappen en slaan, ritmisch, slavenkettingen, metaal op metaal, eindeloos zout water, zeeën van tijd … Mijn onderlijf is naakt en ik voel een tweede stuip: een gulp vocht ontsnapt uit mijn onderbuik, en ik schrik. Wie ben ik om te beslissen over leven en dood? Kan ik zelf doodgaan? Hoeveel van dat spul mocht ik eigenlijk drinken? Ik vouw mijn handen en bid luidop. Uit het struikgewas komt een wasbeertje tevoorschijn en snuffelt aan mijn knapzak. Ik jaag hem weg, en bedenk me. Ik wil roepen, haar, zijn moeder. Het is misschien nog niet te laat. Ik mag nu niet panikeren. Mijn beslissing stond vast. Het moest eruit. Een slokje had ze gezegd, niet meer, niet minder: geen pijn, geen gevolgen. Ik zou nog zwanger kunnen worden. Maar van wie? Wat was hij mooi en sterk. Zijn spieren leken vezels van een weerbarstige boom. Als kind was hij beginnen werken in de katoenvelden. Toen al had ik naar hem gekeken met bewondering. Ik heb heimwee naar de oogstmaanden als dronken slaven dansten en stonken naar zelf gebrouwen rum. Er hing toen stof en zwoelte in de lucht. En het gezichtsveld was troebel. Overal hing de geur van verbrand suikerriet en gemalen koffiebonen. Cicaden vlogen in het rond en botsten tegen ontloken lantaarns. Zal er ooit vertrouwen tussen ons zijn? De slavendrijver en de balling. Zullen ze ons ooit hun gedwongen diaspora vergeven? Ik ga terug liggen, ik bloed tussen mijn benen, rozig en warm. Ik wil roepen, papa, hem, haar, maar onderdruk de angst. Ik ga hier niet dood vandaag. Maar misschien wil ik dat juist wel. Had ik me verzet tegen zijn stalen hand? Of had ik het uitgelokt? Als kinderen waren we al samen, hadden we nog samen gespeeld, tot onze leeftijd en afkomst het verboden. Wat was ik gelukkig toen ik zijn haat zag veranderen in overgave, diertjes waren we even, driftig en kommerloos. En dan de droefheid en de vlucht. In ditzelfde korenveld was het gebeurd, niet eens gewelddadig. Met enkel de maan en sterren als getuige. Tot m'n buik begon te zwellen en een ongewenst leven in me groeide. Maar wie wenste wat? Is het niet mijn buik, mijn kind, mijn moederschap? Te laat, een nieuwe kramp, een nieuw straaltje bloed. Ik grijp opnieuw naar het drankje, en besluit het in één teug leeg te drinken. Ik wil dit leven niet meer. "Dat zou ik niet doen als ik jou was." Ik schrik en laat het  fiooltje vallen. Ik draai me om en kijk recht in het gezicht van een Indiaan. Zijn voorhoofd en torso vertonen de littekens eigen aan zijn stam: de kaaimannen worden ze genoemd. Al eeuwen overleven ze in de plaatselijke moerassen en voor de afschaffing van de slavernij hielpen ze zwarten ontsnappen doorheen een kluwen van drijfzand, broeinesten van ziekte dragende muskieten, giftige padden en bijtgrage alligators. "Schaam je niet; ook wij maken gebruik van haar diensten. Kracht krijg je door te doen wat goed is. Een kind zien sterven van de honger is geen prettig zicht, al zal jouw volk wel andere redenen hebben. Zij weet wat ze doet: al onze vrouwen hebben het overleefd en daarna nog kinderen kunnen baren, maar heel het flesje leegdrinken, verlamt je longen." "Je hulp wordt geapprecieerd, maar je begrijpt het niet, ik … Tja, nu is het toch te laat, het kind komt eruit en de inhoud van het flesje is door de grond opgeslokt: enkel regenwormen en pissebedden komen zo aan hun eind." "Wou je dood, meisje, is de schande zo groot?" "Nee, niet de schande, de pijn, het liefdesverdriet, …" "Dan begrijp ik je wanhoopsdaad niet." "O God, ga weg alsjeblieft, laat me dit alleen doen." "Nee, meisje, wij zijn kaaimannen, dronken van het leven, ik laat je dit niet alleen doen." "Bedek me dan!" De Indiaan neemt zijn mantel en legt hem over mijn schoot. Ik sidder bij het voelen van de huid en voel een nieuwe stuiptrekking. Mijn bekken spant zich, de grond tussen mijn benen kleurt langzaam rozig. Coda: Daar ligt het, ademloos, met een getaande huid, geen hartje dat klopt, niks, geen leven, liefdeloos uitgebraakt als een fluim die in de keel kleeft. De Indiaan is een zwijgzame getuige. Hoe oud is die mens en waarom kan je het bij hen nooit inschatten. "Ga nu weg alstublieft, ga terug naar die moerassen van jullie, met hun vieze lucht en ziektes, ga terug naar je ongedierte en wurgslangen. Hier is je mantel. Vergeef me, maar er hangt onrein bloed aan. Maar daar zijn jullie niet vies van hé, van wat bloed. Hoe oud was jij toen ze je opensneden? Je één van hen maakten, een kaaiman. Een kind nog? Zonder schubben." Hij nadert nu. Wiegend als een varaan. Met de buitenkant van zijn hand slaat hij mij. Het snijdt als de kleverige tong van een pijlgifkikker. Ik ruik zijn woudgeur, de stank van stilstaand water. "Jullie volk is ongelooflijk. Denk je dat ik blind ben. De vader van die vrucht is zwart. Ben je het slachtoffer van verkrachting geweest?" "Nee, ja…" Weer een klap. "Ja óf nee, in het moeras zijn enkel salamanders halfslachtig." "Nee." "Dan ben je een lafaard en had je het moeten laten geboren worden." "Ja." "Jullie volk heeft eeuwen gemoord, geplunderd en verkracht, en jij bent te bang voor de schande? Dekens hebben ze aan ons uitgedeeld. En in onze onschuld koesterden we ze, tot onze kinderen de één na de ander stierven. Schande?" Op de prent van het korenveld vliegt de kraai boven het voor ons onzichtbare schouwspel. De Indiaan grijpt zijn mes en steekt de vrouw in de borst. Vervolgens scalpeert hij ritueel haar kruin. De kraai kan niet zien of ze nog leeft, maar dat zal niet lang meer duren. Hij kijkt al uit naar die sappige oogbollen. En er is natuurlijk dat bruin slijmerig gedrochtje, dat uit die witte vrouw gekomen is. Een proteïnerijke versnapering, een succulent feestmaal. De Indiaan likt zijn mes schoon en spuwt nog een laatste maal op de vrouw. Hij grijpt zijn dierenhuid en verdwijnt in het koren. De kraai maakt een scheervlucht en wil voor de anderen zijn buit veilig stellen. Bij het naderen van de grond komen uit het struikgewas echter alligators tevoorschijn. Ze happen naar hem en ternauwernood weet hij hun klappende kaken te ontwijken. Hij stijgt op en kijkt nog één keer om. De alligators doen zich langzaam te goed aan de vrouw en de foetus. Vervolgens vliegt de kraai gezwind rechtdoor en denkt bij zichzelf: "Hoopvol uitzien naar betere tijden, moet niet alleen louter een gevoel zijn, maar het moet een gevoel zijn, dat zich omzet in een dadelijk doen."

ovlijee
0 0

de bleekscheet van borgerhout

Act 1 Exhibitionistisch Exposé   Niet gevangen maar verstopt in het graan hielden we ons schuil met onze jeugdige staarten tussen de benen. Onze kinderslipjes spreekwoordelijk herleid tot caramelfactorij. En een deuk in ons blank ego waar sommigen onder ons nu nog van moeten bekomen. En de aanstichters van zoveel ellende, de ware schuldigen van zulk een verderfelijk maar onoverkomelijk jeugdtrauma, waren we zelf, tenzij je, bij gebrek aan beters, je verantwoordelijkheid afschuift op het menselijk genoom en instinct, of de uit economische en demografische overweging genomen politieke beslissing Riffijnse gastarbeiders uit hun natuurlijke omgeving te lokken om een zogezegd beter bestaan op te bouwen in een mistroostig edoch gastvrij land aan de Noordzee. Welke andere motieven dan humane zouden industriëlen immers gehad hebben toen de Belg zich overgaf aan de geboortebeperking van de jaren'60 en door de economische boom een interessantere beroepskeuze maakte dan een nabije toekomst van stoflong? Je sluit je fabrieken en mijnen toch niet, als je het ijzer kan smeden als het heet is? Ware het niet dat een decennium later het gouden kalf toch verzopen was. Maar ondertussen hadden we de Amazigh uit El Hoceima en Nador toch maar gered van een armtierig bestaan onder een Arabisch juk en een tirannieke Marokkaanse koning. Finaal zouden ze hun tirelli kunnen bezingen en materiele welvaart genieten in een modeldemocratie. Heerlijk die vrije markt en internationale handel van werkvolk. Je leeft niet om te werken, je werkt om te leven. Maar van wat leef je? Van te werken, godvermiljaardegodverdomme! Kloten met je poten, dedjù! Nee, als we zelf niet schuldig waren, dan wel de koloniale mentaliteit van onze ouders en grootouders. Of dacht je dat we daar al van genezen waren in die cynische, decadente jaren '80 toen Mobutu een banaal scheldwoord was voor een medemens met een donkerdere huidskleur die toen nog politiek correct een neger genoemd kon worden? Zeker wij niet, want met onze appelblauwzeegroene polo'tjes van Lacoste waren wij de kinderen van nouveaux riches, of évolués nauwelijks de naam waardig, eerder kleinburgerlijke, bekrompen mensen met wel het geld maar niet de beschaving en cultuur van de high society met hun gestudeerde en gecultiveerde geesten. Behalve dan misschien Joris, de zoon van een gynaecoloog, en die bij gevolg met de bijnaam Kitteloris door het leven moest gaan. Voor de rest waren we allemaal volksjongens: de twee broers Lee en Clint, zonen van een oversekste brandweerman met een fascinatie voor spaghetti-westerns en een moeder die bijkluste als hulpje in een beenhouwerij; Sam, eveneens de zoon van een slagerij, en gezien de kolossale omvang van zijn lijf ratte die vermoedelijk iets te vaak schellekes kalfsworst uit de koeltoog; Bas, de driftkikker van het gezelschap, zoon van een eenhandige schoenmaker die van zattigheid één van zijn femen verloren had in zijn eigen machine. En tenslotte ondergetekende, die in de klas niet mocht zeggen wat zijn vader deed, omdat die dopte terwijl hij in het zwart als barman werkte in een duistere nachtclub. Mijn moeder zou trouwens later hetzelfde gaan doen, niet omdat ze het geld nodig had maar omdat ze de jaloezie en vernedering niet meer kon verdragen die ze ervoer als ze weer eens gehoord had dat mijn vader na de nachtshift 's morgens met zijn zatte botten in zijn blote op de tafel gedanst had. Ja, als er één tijdperk voor ons niet de geschiedenis in zou gaan als vooruitstrevend en wereldschokkend dan wel de eighties, behalve dan in '86 als de Belgische voetbalploeg in Mexico een glansprestatie neerzette, waar nu nog over geklapt wordt. En waar we nu terug van kunnen dromen. Het moet iets ervoor zijn dat ik m'n onschuld verloren heb, niet omdat ik voor het eerst een lijk gezien heb, of meisjes ontdekte, ik was tien jaar godbetert. Nee, ik verloor mijn onschuld door gedrag dat de oorzaak geworden is van het als een kanker uitgezaaide racisme in onze samenleving. Door mij komt het dat er een politieke partij is opgericht in Antwerpen die als enige partijpunt heeft 'de migrant met alle zonden van Babylon overladen'. Vlaanderen onafhankelijk is er dan later bijgekomen omdat één partijpunt toch wat mager is om te scoren, zeker in gemeenten waar geen migranten waren. In tegenstelling tot het lelijkste woord aller tijden, dat toen - terecht - al als een grove belediging ervaren werd (het m-woord, dat ik door zijn afstotelijkheid censureer tot m*k*k, en vanaf nu dan ook alleen nog maar zal aanduiden als het m-woord), was immigrant samen met gastarbeider toen nog de gebruikelijke term voor wat nu ternauwernood politiek correct als een allochtoon bestempeld wordt. Nieuwe Belg is de laatste sport op de taal-evolutionaire ladder van 'hoe definiëren we asielzoekers die geregulariseerd worden en permanent gevestigde vertegenwoordigers van arbeidsmigratie en hun kinderen in één woord'. Hoe kan ik als enige verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van het Vlaams Blok, en de gespannen verhouding en verziekte sfeer tussen autochtonen en allochtonen, zult u zich afvragen? Wel dat zal ik mits wat dichterlijke vrijheid eens expliqueren.   Act 2 Oeverloze Ontwikkeling Dit is een Antwerpse vertelling, op het kabbelend ritme van de Schelde, een grijsbruine jeugdherinnering van steeds te natte kleren en een sombere afwezigheid van licht. Je gaat er bijna van over je nek. Zoveel westenwind kruipt niet in je kouwe kleren. Ik ben een jongen van HTL, twee appartementsgebouwen van dertien hoog in een rechte hoek die als ze dominostenen waren mekaar nooit zouden omver kunnen duwen, de walging zou daar wel voor zorgen. Deze waren als twee donjons geposteerd tussen de spoorweg en de Singel en markeerden een soort niemandsland tussen het verpauperde Borgerokko (binnen de spoorweg) en het minder ghetto-eske, spreekwoordelijke Borger Hills. Wat nog eens de sociologische realiteit onderschrijft dat opgroeien aan de verkeerde kant van het spoor een wereld van verschil uitmaakt balancerende tussen hoop en verslagenheid. Mijn vrienden zijn me overkomen, ze zijn me overvallen. Ik weet zelfs niet of ik ze vrienden kan noemen, ik heb niet de indruk dat ik er ooit voor gekozen heb. Waarom ben ik er dan voor gevallen? Feromonen? Een geur van verwantschap? Het zich op dezelfde middelmatige maatschappelijke trap bevinden? Soort zoekt immer soort, wat in het Engels zoveel mooier klinkt als: "Birds of a feather flock together." En laat ik dan maar aan de hand van een vogelverhaal met de deur in huis vallen. Op een zompige herfstdag van aangedampte ruiten waren we met de bende afgesproken bij Bas thuis, ook al was dat voor mij van thuis uit eigenlijk verboden terrein. Bas had namelijk een psychopathische papegaai die enkele maanden ervoor het oog van een buurmeisje had uitgepikt, met een wijkpetitie als gevolg om Pekkie in slaap te laten doen, wat de éénhandige vader van Bas in een Spaanse furie deed ontbranden met scatologische vloeken in het kielzog, niet in het minst omdat hun vorige ara Flip door de angora kat van diezelfde buren was opgepeuzeld, en slechts tot wat hoongelach had geleid. Bas Roofthooft nu had zijn familienaam niet gestolen, want evenals zijn vader behept met het gen van de misdaad en een laag hellend voorhoofd boven een volle wenkbrauw, heeft hij de lethale injectie voor Pekkie kunnen afwimpelen door bij hoog en bij laag vol te houden dat het buurmeisje was binnengebroken en dat de papegaai zich bedreigd voelde en zijn territorium beschermde. Het buurmeisje was uiteraard niet binnengebroken, maar door de vroegrijpe Bas met een smoes naar binnen gelokt om doktertje te spelen. Dit prepuberale baltsgedrag werd binnen onze vriendenkring later verklaard in het kader van de amputatie van een derde testikel bij Bas, een genetische afwijking die voor een verhoogd testosteron gehalte zorgde. Dat het slecht zou aflopen met Bas was een openstaande deur intrappen. Na al enkele keren gezeten te hebben voor prostitutie en mensensmokkel, werd hij eind jaren '90 door zijn fetisj voor zwarte madammen finaal een kopje kleiner gemaakt door een met een hakbijl zwaaiende Jamaïcaan op het Koninkspleintje. De familiekroniek van de Roofthoofts is er één van afgerukte ledematen en zaadverspilling. Die herfstdag was Pekkie echter bij de veterinair omdat Vic, de vader van Bas, hem met de poppers had laten spelen en de papegaai van zijn stokje was gegaan. Het maakte er de sfeer er niet minder bronstig op. De immer corpulente Sam was al rood aangelopen, niet door het eten van een pikante martino, maar door het bladeren in een vies seksblaadje, wat Joris Kitteloris de opmerking deed ontlokken dat hij soms zogezegd per ongeluk de werkkamer van zijn vader de kuttendoctoor binnenstuimelde en dat rosse vrouwen altijd ros haar hebben daar beneden, maar blonde slechts sporadisch blond. Mijn maag keerde zich om. Ik weet nog dat ik als tienjarige voor het eerst zo'n seksblaadje bij Lee en Clint ingekeken had en onwel werd van de klinische close-up's. Nooit meer ben ik daarna als kind met mijn moeder in bad gegaan. Dat ondermaanse land van melk en honing, die kelk van levenslust, de schoot van vervulling en geborgenheid was het equivalent van een vleesetende bloem geworden, een bloeddorstige, buitenaardse wulk, een weekdier uit de diepste krochten van een slijmerig plasmatisch inferno of een Ridley Scott-film. Zo bleek ik dan in tegenstelling tot mijn ontluikende seksualiteit gedurende mijn puberteit en de obessieve drang om als adolescent tot vijf maal per dag de hand aan mezelf te slaan, lange tijd het meest preutse jongetje van den hoop. Wat ik dan weer compenseerde door mijn nerveuze hyperactiviteit en fysieke onmogelijkheid om stil te zitten. Meermaals heeft mijn moeder de vader van Clint en Lee met de brandweerladder moeten laten aanrukken omdat ik niet meer uit de boom geraakte waar ik was ingeklommen om het record te breken van de legendarische neef van Sam, 35 meter in een gemuteerde Vlaamse sequoia !!, die echter daarna onmiddellijk met zijn klikken en zijn klakken op zijn staartbeentje gevallen was en sindsdien alleen nog maar zwart-wit kon zien. Nu gingen we niet heel de dag binnenzitten, we hadden net Rambo: First Blood gezien, en op de Atari waren we Space Invaders en Donkey Kong nu echt wel kotsmisselijk beu. We gingen in het Rivierenhof oorlogske spelen, en in onze fantasie het park omtoveren tot de jungle van Vietnam of de bosplaneet Endor uit Star Wars waar de Ewoks de 'noble savages' mochten spelen. Hadden we twintig jaar later geboren geweest hadden we waarschijnlijk Lord of the Rings of de Matrix op onze PS2 gespeeld. Nu echter hadden we met onze pro-Amerikaanse sentimenten gedurende de Koude Oorlog ons volledig gecamoufleerd tot ons gezicht toe en met een mix van speelgoedgeweren en echte kogels, die ik had gekregen van een buurjongen wiens vader beroepsmilitair was, gingen we soldaatje spelen. Na de onophoudbaar stinkende dode Schijn overgestoken te hebben, traden we uit onze tienjarige lichamen en namen in onze verbeelding een andere identiteit aan. Slechts de walm van de verziekte rivier en het monotone geraas van de autostrade verhinderden ons finaal een andere tijd en andere plaats binnen te treden, als geesten van gestorven familieleden die via een obscuur medium slechts een tipje van de sluier oplichten van het leven na de dood. Verbazend hoe snel kinderen van verwachting naar verveling laveren en omgekeerd. Want we waren nog niet aan het prieeltje over het Sterckshofmuseum of onze goeie intenties van oorlogske te spelen, werden door de aanwezigheid van twee andere, vreemde kinderen vergeten. Kinderen met een donkerder huidskleur en haar. Met frappante krulletjes en onaangepaste (sic) kleding. Gaven ze andere feromonen af? In ieder geval riep Bas onmiddellijk: "Daar, (het m-woord in het meervoud)!" En de zon deed de was smelten die de vleugels aan mijn rug vasthield en mijn val was onvermijdelijk, en met mij de ganse mensenmaatschappij en de kosmos en al haar andere gevallen engelen en duivels. Een verhaal van elke dag, en daarom universeel. Als mens betaal je de prijs voor je daden: als held en verzetsstrijder, als ondernemer of luierik. En hetzelfde geldt voor de natuur: overal is er een avant-garde die het voortouw neemt met in haar zog meelopers, slachtoffers en parasieten. En elke medaille heeft een keerzijde. En zo is dit schrijven een poging tot absolutie, tot rehabilitatie, tot genezing. Niet alleen voor mij maar ook voor jou, en vooral voor de Vreemdeling, die die dag slachtoffer was van mijn lafhartigheid en meeloperij. En nu nog trachten we de breuken te lijmen.   Act 3 Confrontatie bij Zonsondergang   Bas riep meermaals het m-woord in het meervoud. De twee Marokkaantjes hadden het effect van een rode lap op een stier bij de van nature agressieve Bas. Wellicht had hij hetzelfde gereageerd als het twee Belgskes hadden geweest, of eekhoorns voor mijn part. Zijn te hoog testosteron-gehalte keerde zich regelmatig tegen leden van de eigen clan, wat me weer versteld doet staan van het feit dat ik hem ooit als vriend beschouwd heb. Waarschijnlijk heeft het feit dat hij in onze puberjaren de vaste leverancier van porno-filmpjes was, enigszins tot zijn populariteit bijgedragen. Wat niet wegneemt dat géén van ons aanstoot nam aan zijn radicaal racistische uitroep. Wat zegt dat over ons: ocharme tienjarige snotapen? Hebben onze ouders ons zo slecht opgevoed, of zijn mensen van nature zo afkerig van wat er maar een fractie anders uitziet als henzelf? De enige Marokkaan die ik ooit gekend had, was de goedlachse Karim, waar ik het jaar tevoren mee in de klas gezeten had. En ook al heeft die toen den Bloempot geregeld op de rand van de zenuwinzinking gebracht, samen met Bas, Lee, Sam en mij trouwens, omdat dat nu eenmaal is wat kinderen doen, Karim was geen Marokkaan die het totaalbeeld van dé Marokkaan aantastte. Het gedrag van een eenling zou überhaupt geen ganse bevolkingsgroep mogen diskrediteren, maar wie een hond wil slaan, vindt snel een stok. Er moet dus iets fundamenteel dierlijk of aapachtig aan ons gedrag ten grondslag gelegen hebben. Territoriaal haantjesgedrag. Chimpansees op oorlogspad. Zowel de lamme goedzak Sam alias den Beuling, de dokterszoon Kitteloris, Clint (die uitzonderlijk zonder zijn broer Lee op trot was) als mij, spitsten onze oren, en genoten van onze toekomstige slachtoffertjes. De feiten speelden zich af op een gure herfstdag in het neurotische, regenachtige land België waar de aanslagen van de Bende van Nijvel nog moesten plaatsvinden en Wilfried Martens premier was. Meer specifiek in de havenstad Antwerpen, waar men zich om de één of andere reden als het toppunt van beschaving profileerde. We zoomen verder in op de grens tussen Borgerhout en Deurne: het prieeltje in het Rivierenhof vlak over het kasteel, niet het wit aan de fontein, maar het Sterckshofmuseum. Het was zo'n dag waar je als volwassene moedeloos wordt van de somberheid, de immer voorbijrazende, laaghangende wolken, en de alomtegenwoordige verflenste kleurloosheid van het bestaan. Het grijs van de lucht, het trottoir, de kinderkopjes en de saaie gevels doet je afvragen hoeveel tinten van grijs er eigenlijk wel bestaan. Weet je, het beeld dat het het beste weergeeft, is dat van die plassen waar naft in gelekt is, een stilstaand, brak, giftig poeltje van ellendige nietszeggendheid en verspilling. De twee marokkaanse jongetjes werden nat gemaakt door een schop van Bas in een vieze plas, waarop Lee hetzelfde deed. Bas was misschien de instigator maar Lee was de eerste om er een schepje bovenop te doen. De jongens reageerden niet, ze keken wat beteuterd, maar gingen niet in de verdediging. Ze ondergingen het gelaten alsof het niet de eerste keer was, en dat was het waarschijnlijk ook niet. Het had iets merkwaardig volwassen en volhardend hoe ze deze vernedering doorstonden. Had één van hen op onze bek gemept, hadden ze zo weer de bovenhand kunnen hebben. We zouden het in ons broek doen als de eerste de beste lafaard die met een stuk in zijne frak zijn vrouw en kind aframmelt. Maar het leek wel of ze wisten dat, als ze maar genoeg geduld uitoefenden, hun moment van glorie en eerherstel wel zou komen. Nadat Bas en Lee meermaals in de plas geschopt hadden en de kleren en de gezichten van de twee gastjes besmeurd hadden, kwamen Kitteloris, den Beuling en ik om het werk te vervolmaken. Wij hadden het wat meer voor psychologische terreur, en met onze speelgoed Colt Magnum en M16 en onze echte kogels, begonnen we hen te bedreigen en met een walgelijke grijns tot achter onze oren te zeggen dat we hen gingen doodschieten. Met mijn munitieriem en camouflagekleren was ik het machtswellustige mini-equivalent van een Belgische para die een zwart jongetje boven het vuur houdt, ook al was ik kleiner dan beide jongens, van wie er één zeker een kop boven mij uitstak. En het verbaast me tot op de dag van vandaag dat die jongens geen angst uitstraalden ook al deden ze niks. Ik blijf erbij, één boks op onze smoel en we hadden niet afgedropen met de staart tussen onze benen, nee, we hadden ter plekke gecastreerd geweest en de laatste nieuwe altzingers van het Vaticaan kunnen worden. Maar het ergste moest nog komen. Nadat ik hen een echte kogel had laten zien, me omdraaide en deed alsof ik die in mijn speelgoedpistool stak en hen vervolgens met de dood bedreigde, het is lachwekkend als het niet zo zielig zou zijn, bracht ook dit geen reactie bij hen teweeg. Nog een laatste schop in de plas, en dan keerden de kansen zich. Iets voorbij de kruidentuin verschenen er plots drie andere jongetjes: twee Marokkaantjes en één zwarte jongen of een mulat. "Oh, shit!" riep Lee, die een goeie neus had voor de spelingen van het lot. Voor het eerst verscheen er een ander spoor van emotie dan ingehouden woede op de twee gezichten van onze doelwitten: enthousiasme, en ze begonnen kalm te gesticuleren naar wat klaarblijkelijk een triootje vrienden was. Wel, één ding is zeker, vijf tegen vijf zou een eerlijkere confontatie inhouden maar zo ver zou het niet komen. "Fuck me!" riepen we toen al in het Engels door teveel tv te zien, en we repten ons naar het kioskje waar onze resterende spullen lagen, maar daar waren we ingesloten door het omringende water, dus we konden er niet meer onderuit muizen. Het beeld dat ik me nu als eerste voor de geest haal is dat van mij met mijn plastieken speelgoed M16 achter mijn oren als een baseball-bat, en hysterisch tegen de zwarte jongen roepend:" Ik slaag, hé!" Waarop die rustig antwoordde:"Rustig, rustig." Maar de rust zou voorlopig niet meer terugkeren.   Act 4 Catatonische Catharsis-Blues   Kun je je die dag nog herinneren dat je voor het eerst echt bewust was van jezelf en je een onbestemd gevoel kreeg omdat je geen flauw benul had wat het betekende een mens te zijn en te leven? Ik moet een jaar of twaalf geweest zijn toen ik bezeten van de cultuur van het skateboarden en de bijhorende visioenen van zonovergoten Californische skateparken de vraag ben beginnen stellen waarom ik in godsnaam in Antwerpen moest opgroeien. Die eeuwige regen en veel te korte zomers zorgden er trouwens voor dat de meeste Belgen in de jaren '80 de Costa Brava opzochten om zich tien dagen te goed te doen aan paëlla en zoete wijn met prik die in combinatie met de mediterraanse zon het effect van een spreekwoordelijke voorhamer op je kruin had en een tijdelijke hersenverweking in de hand werkte met al het onverantwoord gedrag vandien. Ik herinner me nog levendig dat ik als knaap tussen de tien en twaalf samen met mijn moeder een nacht geterroriseerd ben geweest door mijn vader in een Catalaanse hotelkamer, omdat hij plots de drank niet meer aankon, en per se naar huis wou. Nadat hij dan uit bed gevallen was en zijn rug opengereten had aan het stukwerk van de muur en vervolgens begon te kotsen, kon ik het niet meer aan. Ik stapte uit mijn bed en ontsnapte via het terras naar de hotelkamer van mijn nonkel en tante, die me terstond terug stuurden. Tot op de dag van vandaag doet de herinnering aan dit totale gebrek aan controle over mijn eigen lot mijn maag zurig worden, of is het mijn hartstreek, en heb ik zin om iets te trashen. Maar, hé, dat is gewoon de gang van de wereld. Kasten, adel en plebs, sociale hiërarchie, allemaal één pot nat gezien in het licht van genetische evolutie. Je hebt het of je hebt het niet.   Ondanks mijn studie denk ik dat het in de sterren geschreven stond dat ik nooit een dokter, ingenieur of advocaat zou worden, tot spijt van mijn verwachtingsvolle familie en mezelf. Dus zing gerust een droevig en melancholiek liedje, op dit kerkhof van vervlogen dromen, dan ben je tenminste nog één illusie rijker: soms duren mooie liedjes eindeloos, behoudens ze eindigen op een positieve noot. "Ik slaag, hé!" en mijn stem sloeg over. "Rustig, rustig." zei het zwarte jongetje, "Ik ga je niks doen." Het tij was gekeerd, vijf blanke, verwende nesten, die in de hoogmoed van hun meerderheid twee Marokkaanse jongens zonder reden waren beginnen te bedreigen, hadden met een bepaald scenario geen rekening gehouden, namelijk dat ze nu plots oog in oog zouden komen te staan met twee uitwendig beheerste maar inwendig briesende knapen uit op eerherstel, twee onvoorwaardelijke vrienden of verwanten van eerstgenoemd duo en een milde afstammeling van Idi Amin. Vijf tegen vijf, we hadden evengoed een matchke voetbal kunnen spelen. De idyllische omgeving had een schouwtoneel kunnen zijn van een slachtpartij tussen rivaliserende clans samourai, met filmische beelden als verwelkte bloemblaadjes van een Japanse kerselaar die vergoten bloed opzuigen ondersteund door een roffelende, opzwepende geluidsband. Maar zoveel moed en eer zie je alleen in de boekskes en de films. Alle vijf met een ei in ons broek gingen we gedwee op de banken onder het kioskje zitten, dat normaal gezien het schouwtoneel is van oude besjes die in hun eenzaamheid de eendjes komen voederen, om dan gehuld te worden in een zwerm gulzige meeuwen. Tot je niet meer weet wie het hardst krijst van genot, de meeuwen of het oude toverkolletje. Aangezien niemand van ons aanstalten maakte om te vechten, ook Bas niet, die anders nochtans om de haverklap afkwam met nunchaku's en ninjasterren, of Kitteloris, die aan schermen deed, kwam het kleinste Marokkaantje van het groepje dan maar naar mij, de lilliputter van ons gezelschap: "Jij en ik, vechten!" Ik bibberde als de onwillige vibrator van den Beuling zijn moeder, van wie hij zijn corpulente natuur overgeërfd had en neiging tot vraatzucht, en mijn sluitspier liet me in de steek als de cloaca van Pekkie nadat hij aan de poppers gezeten had. Maar mijn flatulentie was niet de grootste vernedering. ik weigerde halsstarrig recht te staan, verlamd van schrik en paniekerig nee schuddebollend. En toen ik dan een niet eens zo harde schop tegen mijn poten kreeg, ontlokte dat een in de kiem gesmoorde au, als van een mietje dat er niet van houdt wanneer zijn vriendje te ruw aan het voorspel begonnen is. En mijn strategie was geslaagd, al gauw merkten ze dat ze aan mij geen vette kluif zouden hebben wat weerwerk betreft, en ze richten hun pijlen dan op Lee, die waarschijnlijk zo gevoelig was voor de spelingen van het lot omdat hij zo vaak slechte beslissingen maakte. Alles wat dan zijn huidig onheil, veroorzaakt door zo'n misplaatste keuze in het verleden, kon verzachten of tenietdoen, greep hij met beide handen, om dan opnieuw de mist in te gaan door zijn ongelukkige karma of chromosomen, weet ik veel. En omdat hij en Bas ook het verst gegaan waren in hun beledigingen en het nat maken, zat er een bepaalde logica in hem als de volgende sparringpartner te willen aanwijzen. Maar door dezelfde techniek van de meisjesachtige kwetsbaarheid toe te passen als mij, gaven ze hem slechts dezelfde trap tegen de schenen als mij, en gingen ze alras naar Bas. En de verdomde klootzak, je moet het hem toch nageven, hij heeft toch even wat slagen en schoppen uitgewisseld in deze geïmproviseerde arena of dojo, maar ook hij is niet over de rooie gegaan, wat hij dan later trachtte te vergoelijken door te beweren dat die andere jongen z'n nagels te lang waren en dat hij schrik had dat hij met die vuil nagels gekrabt zou worden, en één of andere nare infectie zou oplopen. Bizar, aangezien smetvrees eerder mijn stokpaardje was dan van Bas. Dus ook dit duurde weer niet al te lang, maar te lang in onze ogen, en nadat ze Kitteloris en den Beuling met rust lieten, opmerkelijk, omdat die ondanks hun geringe aandeel in wat zich voordien had afgespeeld toch niet geheel onschuldig waren, richtten ze hun pijlen terug op Lee. En uiteraard maakte die ditmaal wel de foute beslissing: na opnieuw een shot tegen zijn benen gekregen te hebben, vond hij er niet beter op dan terug te trappen. Zijn neus brak tussen twee hartslagen door maar het bloed dat eruit spoot was de spreekwoordelijke dam die gebroken was: het sluimerende racisme had zich nu finaal gemanifesteerd in onze micro-kosmos en zou alleen nog maar de spuigaten uitlopen. Het eerste bloed vloeide rijkelijk, zoals bij een verkrampte tienermaagd die onhandig verlost wordt van haar ongemak door een gemakzuchtig ettertje, maar het zou hierbij niet blijven. Tot op de dag van vandaag betreur ik mijn aandeel, ware het niet dat in tegenstelling tot de vergevende God waarin ik ooit geloofd heb, en zielsgraag in zou geloven, maar niet onvoorwaardelijk mag door mijn sceptische filosofische geest, de natuur en de mens minder altruïstisch is, en zo betaal ik elke dag opnieuw de prijs, samen met jou, Bas, voer voor de wormen, en met jou, milde marron, slachtoffer van vierhonderd jaar slavernij en kolonisatie, en vooral met jou, Vreemdeling. En zo blijven we verweesd en vervreemd achter als ouderloze vondelingen in een knekelveld van onverdragelijk geweld. Wanneer zal ik bevrijd zijn? En vooral jij, Vreemdeling, van mij? Act 5 Overbodige Epiloog   De jaren '80 liggen een eeuwigheid achter ons, het decennium van Maradona, Gorbatsjov en Star Wars, evenals de jaren '90, met de ontijdelijke dood van Kurt Cobain, de Golfoorlog en de val van de Muur, en in België de Witte Mars. Ook het eerste decennium van het nieuw millenium is zo goed als afgelopen, en de mooiste en spectaculairste beelden die ik ooit gezien heb, komen niet van een blockbuster maar van de aanslag op het WTC. Michael Jackson is finaal overleden en godverdomme het lijkt wel alsof we op een vulkaan leven. Is de dreiging van de Koude Oorlog en een nucleair armageddon afgelopen, hebben we er Global Warming voor in de plaats gekregen. Vluchtelingen van alle derde wereldlanden ter wereld kloppen op de poort van de rijke westerse landen om terecht een deel van de koek te eisen, en de Islam in haar radicaalste verschijning maar evengoed in haar meest milde manifestatie is de nieuwe kop van jut, de nieuwe vijand van de vrije markt en haar dwangmatig liberale marktmechanismen en machinaties. Zinkt de moed me soms in de schoenen? Ja, niets menselijk is me vreemd. Mijn leven is er één geworden van leven voor de dood. Reïncarnatie en leven na de dood lijken me stoplappen voor de kwetsbaarheid van het leven. Tegelijkertijd is dit aardse leven extreem taai, en ook al verklaart het chemische tabel der elementen hoe alles in mekaar zit, waarom dat zo is, en wat die elementaire deeltjes dan mogen zijn, is een nog even groot mysterie als tweeduizendvijfhonderd jaar geleden, toen een zekere Democritus met een Griekse voorkeur voor de herenliefde het concept a-tomos (ondeelbaar) uit de kast haalde. Dan mag je voor mijn part het woord God rehabiliteren, als synoniem voor 'dat wat we nog niet en misschien ook nooit zullen weten'. Het existentiële raadsel. Jezus, je zou denken dat je als dertigplusser opgehouden zou zijn met navelstaarderij, niet dus. In ieder geval is atheïsme slechts toepasbaar op één definitie van God, namelijk die van transcendente entiteit. In principe zou iedere mens pantheïst moeten zijn, want zelfs als je jezelf, je gedachten en wat je waarneemt met je zintuigen als illusie beschouwt, dan is er nog steeds het onverklaarde bestaan van 'De Illusie'. Moet ik loslaten? Dit aardse, tijdelijke bestaan? Niet streven naar rechtvaardigheid, broederschap en duurzaamheid op onze aardkluit? Eindigheid en nutteloosheid is een concept waar je als mens niet veel mee aankunt, alsof onze gedachtegang kortsluit. Zoals alle menselijke bedrijvigheid is gedrevenheid een tweesnijdend zwaard, wat evenzeer geldt voor het daaraan tegenovergestelde als lethargie en dadenarmoede. En dan vraag ik me af, wat is de toekomst van de wereld? Zullen pygmeeën een curiosum worden, een anachronisme, een andere mensensoort, die volgens Darwin's wetten van de evolutie zullen weggeselecteerd worden, en waarmee je in het meest extreme geval binnen afzienbare tijd niet meer mee zult kunnen voortplanten, of zullen ook zij vliegtuigen nemen, en gsm's, en internetverbindingen. Zullen zij hun woud van tijd tot tijd verlaten en studeren aan universiteiten, en carrières opbouwen als genetisch ingenieur of data-programmeur. En zullen ze af en toe terugkeren naar het woud met bastaardkinderen? Pfft, hoe je het ook draait of keert, de mens is een tegendraads wezen, en van een andere cultuur zal hij alleen dat overnemen wat het beste uitkomt. Als blanken jazz zijn beginnen spelen, of salsa hebben leren dansen, en leren rappen, is dat niet zozeer uit sympathie voor de nakomelingen van slaven, maar gewoon omdat het lekker is. Net als rijden met een vette BMW kreunend onder de overdosis paardekracht. Is dat dan het leven: de voordelen afwegen tegen de nadelen om keuzen te motiveren? Waarom heb ik dan deze tekst geschreven? Om het hart te winnen van mijn Marokkaanse vrienden, door geen kritiek te uiten op hun acties ingegeven door potentiële denkfouten, maar slechts op mijn tekortkomingen te focussen, en die van mijn 'het woord alleen al, impliceert segregatie' blanke jeugdvrienden? Ben ik dan geen grotere gladjanus dan Filip De Winter? Laten we het er dan maar op houden dat ik inderdaad een opportunist ben, en dat schrijven mijn creatieve equivalent is van de seksuele pauwenstaart. Ik versier geen vrouwtje met het geld dat ik verdiend heb door keihard shiften te kloppen bij Opel Belgium of Katoennatie, maar met mijn middelmatige woorden, hoopvol dat één of ander vrouwtje, dat ook ik zelf goed genoeg vind voor mijn narcistische, hautaine, bekakte, pretentieuze rotkarakter, mijn smeekbede hoort, mijn zielige smachten naar liefde, copuleren en nageslacht. Act 6 Minder overbodige Epiloog II   Ik had het verhaal perfect kunnen laten eindigen met de bloedneus van Lee. De DNA-moleculen van de rode en witte bloedcellen die meer dan twintig jaar geleden opgevangen werden door de aarde, zijn al lang verbroken, en de atomen die hen vormgaven, zijn van geen betekenis. Ook de fysieke pijn is weg, maar de maatschappij zit met een trauma van jewelste. Ik ben begonnen met de woorden dat we niet gevangen maar verstopt waren in het graan, dat is echter niet hoe het geëindigd is. Het fysieke geweld stopte met de boks op Lee zijn neus, en we waren vrij om te gaan. Veilig. Niks gestolen, niks afgepakt, behalve onze cohones. Ze hebben ons nog wel even achtervolgd, tot ze vonden dat ze hun territorium nu wel hadden afgebakend. En vanuit het park bereikten we het huis van Joris zijn vader, de kuttendoktoor. En na even van ons melk geweest te zijn, zat de sfeer er al snel terug in, zodat Bas, Lee, en den Beuling me begonnen te swaffelen, vermoedelijk dorr mijn androgyne uitstraling. De grootspraak kwam terug, en Kitteloris haalde zijn schermdegens boven. Later bij Lee thuis werd het relaas van de dag herhaald en Clint, die niet uitblonk in bedachtzaamheid, begon Bruce Lee na te doen, en rond te bazuinen dat hij spijt had dat hij er niet bij was geweest. En op geen enkel moment was er zelfkritiek. Ik herinner me nog dat ik gezegd had dat ik niet zoveel gedaan had. Was ik even vergeten dat ik hen meermaals met modderig water beschimpt had door in een plas vol slijk te stampen, en hen meermaals te bedreigen dat ik hen ging doodschieten met mijn plastieken speelgoedgeweer en echte kogels. Zelfs onze ouders veroordeelden ons racisme niet. Ik weet zelfs dat we op een gegeven moment gevechtssport gingen doen bij een Marokkaanse full contact trainer, die als portier bij mijn vader in dezelfde nachtclub werkte, en toen die vroeg waarom we kickbox wilden doen, vlakaf antwoordden: "Om (het m-woord in het meervoud) in mekaar te slaan." Lee beweerde dat hij jaren later nog meermaals de grootste jongen van het tweetal was tegengekomen, en dat hij (Lee) hem (de jongen) in het ziekenhuis had geklopt met een verplaatste maag maar Lee was een pathologische leugenaar, dus ik hechtte er niet zoveel geloof aan. Oké, ik moet bekennen dat ik weer overdreven heb, mijn aandeel in het stichten van het Vlaams Blok is gering tot onbestaande, maar mijn door racisme geïnspireerd gedrag als kinderlijke agressor is reëel. Had ik daarvoor nog nooit Marokkanen tegen gekomen? Natuurlijk wel, ik zie foto's van mezelf terug in de kleuterklas met donkere meisjes, en ik herinner me geen besef van anders zijn. En Karim van het derde studiejaar met wie ik in de blakende zon aan het voetballen was, een bleekscheet met zijn bruine broer, en door ons zo te amuseren was hij vergeten naar de Arabische les te gaan, en was hij vergeten dat het Ramadan was en had hij door mijn schuld water gedronken. Zulke dingen. Ook negatieve: ik weet nog dat we gingen zwemmen met school, en dat, toen we door de smalle gang richting zwembad wilden gaan, vanuit de andere richting een klas jongere Mocro's ons de weg versperde door hun armen tegen de muur te strekken. En ook al waren ze allemaal een kop kleiner dan ons, we scheten allemaal in ons broek, behalve een zekere Stefan, die de zoon was van een apotheker en de grootste strever van de klas, maar desalniettemin, je moet het die fils-à-papa nageven, niet met zich liet sollen. Is bangheid, lafhartigheid of achterbaksheid diep in de Vlaamse genenpoel ingeworteld? Door het eeuwenlange boerenbedrijf? Het lijkt me sterk. Ik denk dat het vooral de armoede is die grimmig maakt, en de luxe en de rust behoudsgezind. Is het nu gedaan? Het is nooit voorbij. Panta rhei. Alles vloeit. Maar toch, een digestif. Den Beuling is uiteindelijk shiften gaan kloppen in de één of andere fabriek en kluste bij als buitenwipper. Toen ik hem het laatst sprak, had hij het nog steeds over de luie Marokkaan, maar ik durfde hem niet tegen te spreken, ik ben nog steeds geen vechtersbaas, maar wel een laffe diplomaat. Bas is voer voor de wormen en zijn moordenaar moet nog maar enkele jaren zitten. De Kitteloris zijn we uit het oog verloren, op een gegeven moment besloten zijn ouders dat wij toch niet zo'n goeie invloed op hem hadden, en zijn ze naar een rijke randgemeente verhuisd. Birds of a feather flock together, al zijn het papegaaien op pep en poppers. Lee is uiteindelijk zelf een migrant geworden, en is in Peru in een project gestapt dat straatkinderen van de drugs en vooral het lijmsnuiven helpt. Clint denkt nog steeds dat hij Bruce Lee is, en verblijft op en af in een psychiatrische instelling. En ik? Dat is pulp fictie.

ovlijee
0 0

knokker

“Boxing is a celebration of the lost religion of masculinity all the more trenchant for its being lost.” Joyce Carol Oates – On Boxing   Knokker is iedere gladiator in de greep van zichzelf en de arena: dat cultuurloze amfitheater waar de mens onderhavig is aan regressie naar een vroegere en gemakkelijkere geestesgesteldheid: dat van het instinct, het impuls, de drift, de overgave. Woorden zijn hier en altijd slechts dragers van bedrieglijke betekenis, en wat u tussen de lijntjes kunt lezen, stond al woordeloos geprogrammeerd in uw krokodillenbrein. Het zijn slechts echo’s van een meanderende oerknal. Of zijn we werkelijk getuige van de deconstructie van een voormalig zwart wereldkampioen boksen. Het gaat over jij en ik. Boksers in de ring van het leven, vechtend tegen ons spiegelbeeld, de enige kamp die ertoe doet. Voor ons althans, niet voor hen die hun brood verdienen met het leukste wat er is: vechten in het klein, oorlog in het groot. Boksers sterven twee doden: hun laatste kamp en hun laatste adem.       Daarvoor, daartussen en daarna leiden ze een leven waar de meeste te bang voor zijn: dat van de laatste mannelijkheid. En als je ziet hoeveel vrouwen er zijn op vechtsportgala’s zijn ook zij nostalgisch naar deze laatste krijgers. Aantrekking en afstoting. Slachtoffer van botsende hormonen. En ondertussen ploegt de boer verder. De wind ruist. Strohalmen wiegen. Vogels klapwieken. Rivieren stromen dwangmatig verder naar zee. Hoelang nog? Veel te lang. Niet eeuwig. Gelukkig maar. Teveel kinderen zonder toekomst zorgen voor hormonale wanhoop. Als dan ook nog de vechtlust verdwijnt, drijven we af, terwijl raven en meeuwen pikken in onze smeuïge, eiwitrijke oogbollen: zijn we niet allen wezen gegoten in de mal van een feilbaar lijf, een overdrachtelijk mandje op een oneindig smerige rivier? En hebben ze ons ooit meer beloofd? Manna uit de hemel. Woorden tegen de verstomming. Tegen … Maar als ik tot tien tel, bent u verlost, Knock Out!   Ik vreesde het ergste. Na jaren relatieve kalmte vertoonde Knokker kenmerken van herval. Zijn levensverhaal kende ik door en door. Maar evengoed waren we vrienden. Niet moeilijk, hij zat zo leeg als een huis. De enige bokser die ooit rijk gestorven is, Rocky Marciano, was zo paranoïde dat hij zijn geld verstopte waardoor niemand het heeft kunnen recupereren na zijn fatale vliegtuigongeluk om ervan te genieten. Tot spijt van de Italiaanse maffia die ervoor gezorgd heeft dat hij nooit verloren heeft. Knokker had zich gerehabiliteerd: de jarenlange neerwaartse spiraal van geweld, publieke vernederingen en hoerenloperij had hij doorbroken door net zoals Maya Angelou Ghana als bezinningsoord op te zoeken, ver weg van de pooiers, deurwaarders en andere jakhalzen. Hij begon zich te verdiepen in Black History, want een uil was hij allerminst, en aanhanger te worden van één of andere Bantu-filosofie, en te prediken dat de blanke de Muntu stal van de zwarte: de vitale en dynamische levenskracht die vorm en inhoud geeft aan ieder van ons. Hij wou de politiek ingaan maar zijn programma ten faveure van etnische minderheden zorgde al snel dat hij buitenspel werd gezet. Diep teleurgesteld trok hij zich terug uit het publieke leven en begon te schaken. Daar zou hij al bij al langer mee bezig zijn dan met boksen zelf, maar noodgedwongen moeten opgeven toen hij voortijdig begon te dementeren door de vele klappen op zijn hoofd. Zijn darmen hadden de strijd al vroeger gestaakt door het incasseren van lage stoten. Toen ik hem nog eens ging bezoeken, heb ik zelfs geen goeiedag gezegd. Ik kon het niet aan, hem in de zuiders aandoende tuin van het tehuis te zien zitten praten in zichzelf, gewikkeld in zijn ouwe bloedrode badjas, Knokker erop genaaid in Keltische letters van goudgaren, die de tegenstander vroeger al angst deed inboezemen voor de werkelijke kamp, maar nu dienst deed als zijn toekomstige lijkwade.   Zie hem daar nu zitten, geboeid en gefnuikt, die ouwe aap. Dat hij nu maar snel doodgaat. Wie had verwacht dat het van kwaad naar erger zou gaan na het mentaal vernietigen van die blanke knul, pas uit het ei en levenslang getekend door een fysiek superieure bruut? Ondanks zijn walgelijk misdrijf hadden ze de foute beslissing genomen Knokker niet te verdoemen tot eenzame opsluiting, maar op te nemen in een psychiatrisch centrum. Dat Knokkers menselijkheid afgepeld was als de schil van een banaan hielden de vaklui in hun ivoren toren klaarblijkelijk geen rekening mee. Protectionistisch dekken ze zichzelf in. Moraalridders die de vanzelfsprekende verkrachting van een zwarte zuster door Knokker als uitlokking willen bestempelen hebben slechts recht van spreken in ons verre van ideale universum, maar de wet zwijgt gedwee: is Knokker niet verantwoordelijk voor zijn eigen daden en impulsen? Ik zou zijn agressieve verkrachting kunnen beschrijven, zo uit mijn hoge hoed kunnen toveren als een konijn of een duif, maar waarom zo iets wreeds beschrijven, een kurkdroog vrouwelijk geslachtsorgaan dat onwilllig gepenetreerd wordt door dat wat mannelijkheid definieert: een belachelijk aanhangsel dat zijn eigen leven leidt, woekerende drift jagend door hormonale onderhuidse stroombanen die beter in een labo zouden bedwongen worden. Ik heb mijn buik vol van geweld. Ik protesteer tegen de almacht van het hormoon. Ik boycot het aanmaken van testosteron in mijn bijnieren. Ik knip mijn aorta door zodat adrenaline niet langer het vuur in mijn hartstreek aanwakkert. Genoeg gepieker en melancholie: ik boor een gat in mijn hersenen, zodat mijn corpus callosum niet langer een brug vormt waar serotonine, dopamine en endorfine onbegrensd oversteken en mij hun tol doen betalen. Zo dacht ook Knokker erover tot zijn hersenschors hem in de steek liet. Dit zou echt de laatste keer zijn dat ik hem levend zou zien, dat zwoer ik, anders maakte ik hem eigenhandig koud. Zit hier een door en door slecht mens? Een kindsoldaat van het vrije Amerika, uit de kluiten gewassen en gestampt uit de lemen grond als een golem? Rivieren vervolgen hun voorhistorische loop, en in kreekjes horen we het kwaken van brulkikkers en de echo’s van in de kiem gesmoord leven, negerslavinnen die hun mulatte bastaardjes verzuipen, en in een levenloos mandje de Golf van Mexico opsturen. O Mozes, laat je volk gaan, laat Knokker gaan: stuur hem terug in de voorvaderlijke jungle, met geveilde punttanden en spoorzoekend. Zijn we niet allen het pad bijster? Ondanks mijn blank zijn, was ik zijn vriend, ja, maar niet zijn broeder. Hij gaf daar zelfs een genetische verklaring voor, belezen als hij was. “Wat is het gevaarlijkste in gans Amerika, Jay Jay? Een nikker met een bibliotheekkaart: Brother Malcolm, mmm!” gromde hij tijdens een schaakspelletje. “Jullie hebben je vermengd met de neanderthaler, dat verklaart jullie gebrek aan inleving, aan empathie, aan verbeelding, Jay Jay!” Ze hadden hem na zijn poging tot doodslag nog steeds niet in een dwangbuis gestoken, maar toen ik hem geboeid in de tuin zag zitten, wist ik dat ze hem zo goed als plat gespoten hadden. Onwillekeurig dreven mijn gedachten af naar One Flew Over The Cuckoo’s Nest, maar dit was geen film, dit was bittere realiteit. Wie is er bang van een mens die telefoonboeken kan verscheuren met zijn blote handen? Een treinwagon kan voorttrekken met zijn tanden. Sonny Liston, George Foreman, Jack Johnson, John Henry, Amerika's zwarte geschiedenis is geschreven door een leger van Steel Drivin' Men: ijzersterk, maar slechts radertjes in een machinaal netwerk geconcipieerd door een blank brein, een gekke wetenschapper genaamd Jacob, die leeft op het eiland Patmos. Volgens Elijah Muhammad van de Nation althans. Het was een ijle dag: sneeuw hing in de lucht en zou weinig weerstand ervaren voor het de grond raakte. Ik wou dat hij zo in zijn graf stortte. Ik naderde zijn kolossale rug. “Knokker, ik ben het, Jay Jay!” Een stierenhals draaide zich langzaam om zoals alleen een herkauwer dat doet. Herkende hij mij of was ik louter een rode lap? Een maagdelijke toreador die op het punt staat gespietst te worden, op de hoorns genomen te worden van hem die van vele onwetende mannen hoorndragers gemaakt heeft. “Dzedjuge?” Knokker noemde mij bij zijn koosnaam, de naam die hij fluisterde toen ik in zijn bokshandschoenen huilde nadat hij zijn laatste kamp verloren had, en hij zo vastberaden zei: “Dzedjuge, ik ben vrij, ik ben geen slaaf meer, Knokker is in die ring achtergebleven, en ik ben eindelijk ontketend. Vanaf heden ben ik de Boula Matari, hij die bergen splijt. Ik ga met de junkies praten, de prostituees, de havenlozen, de Verloren Ziel, een kudde van gevaarlijke negers ga ik hun tentenkamp laten opslaan voor Wallstreet. De revolutie is begonnen, Dzedjuge! En jij bent er getuige van, op de eerste rij, jij blanke slavendrijver . Naar het Zwarte Huis, finaal, onder de baobab, waar Berberse babbelaars hun nest maken en Barbarijse kapers hun buit ten toon spreiden aan achteloze blonde hoeren zonder God of gebod … ” Zijn manische politieke coup zou al snel gekortwiekt worden en ontaarden in een schaakspel onder kluizenaars. Zie hem gedrogeerd naar me kijken, carnivoor op tranquillizers, moeilijk voor te stellen, als kind, met kroezels onder de rok van een zichzelf verkopende mama voor een shot geraffineerde Afghaanse papaver. “Knokker, …” “Dzedjuge, ik heb hem terug, kijk in mijn handen tot nest gevouwen, na al die jaren, is hij terug, ik wist dat Zwartje mij niet zou …” Hij toonde zijn handen gevouwen als een waskom, maar ik wist niet wat hij bedoelde, ze herbergden een zwarte steen, gaaf als de Kaba’a. Hij begon de kei te strelen, terwijl hij prevelde: ”Ik ben het Zwartje, weet je nog hoe ik je gebroken vleugel spalkte, jij en ik, wij zitten in hetzelfde schuitje, Zwartkopje, verstoten, wezen op een ongastvrije vreemde planeet in een onderkoeld, kil, onherbergzame kosmos, wat zijn je veren glad en zwart, en je snavel wordt een rapier, dat garandeer ik je.” Ik herkende de woorden: dit is het genesisverhaal, het oorsprongsverhaal, de geboorte van Knokker. Toen hij als kind de verzorging van een gewond en verstoten ravenkuiken op zich genomen had, vond Knokker zijn alter-ego, en deed hij voor deze anonieme kraaiachtige vogel wat hij hoopte dat ze voor hem zouden doen, hij gaf het liefde, tederheid en warmte. Hij voedde hem eigenhandig, en voelde iets wat hij nog nooit tevoren ervaren had. Zinvolheid, zelfs een fractie geluk. Tot hij op een dag thuis kwam en zijn kooi leeg was, en Zwartkop verdwenen. Op de bank lag zijn suf gespoten moeder en zijn zoveelste stiefvader die haar aan het bepotelen was. De handen die leven in stand gehouden hadden, werden vuisten, en ondanks zijn puberlichaam sloeg hij die man nauwelijks de naam waardig half lam: Knokker was geboren. Maar de laatste gruizel menselijkheid was gaan vliegen op zwartgeblakerde vleugels van lijkenpikkerij. En het vervolg kennen we. “Knokker, dat is Zwartkop niet.” “Alleen graag zien breekt een hart, Dzedjuge, ken je Kronos, Saturnus, die zijn eigen kinderen opeet? Dat is wat ik had moeten doen met Zwartkop, dan had de rest misschien nooit gebeurd.” En toen stak hij in een laatste vlaag van helderheid de steen in zijn mond en slikte. Ik zag hem vast komen te zitten in zijn keel, en hij begon te reutelen. Het was goed zo. Tot op het einde een samoerai, een ronin die seppuku pleegt, meester over zijn eigen lot. En eindelijk ben ik niet te laf om hem niet te redden. Ik liet hem stikken. In de tuin was het desalniettemin muisstil en geen kraai te bekennen.   Waar Knokker op die moment over aan het nadenken was, weet ik niet: een blanke vrouw waar hij ooit seks mee gehad heeft, een langvervlogen knokpartij in een achterafsteegje of een stiekeme zweepslag in een katoenveld naast de Mississippi die zonder te oordelen haar loop naar zee vervolgde, doof voor het krijsen van een hopeloos negerjoch en blind voor het kapotbijten van meerkoeteieren door een vos die geen leven naast hem verdraagt. Of misschien was hij helder en dacht hij aan een korte rokade om zijn zwarte koning te vrijwaren van een voortijdig schaakmat, of misschien dacht hij wel aan zijn reis naar Goudkust, zoals hij het zo poëtisch formuleerde, goed wetende dat dat de koloniale naam was. “Rovers! Dat is wat jullie blanken zijn: door en door slecht, niet Joden maar jullie zijn het kwaad van de wereld, ja, jij ook.” Ik hoor het hem nog zeggen. “Een broeder verkracht zijn zuster niet, geselt haar niet, nee, wij zijn geen broeders.” En hier zit dan een ouwe gorilla, een krijger zonder weerga, met een geblutst brein, en een hart met uitdovend vuur, en kapotte darmen, zijn uitwerpselen die in een zakje sijpelen. Een vernedering voor deze fiere wereldkampioen. “Wees daar maar zeker van, jochie, daar kan je vanop aan.” Wat de schriele redneck bezielde om de stierenkop van Knokker met een witte KKK-zotskap te bedekken, is geen raadsel voor mij: de jeugd, de onstuimige, onopgevoede, ondoordachte, onnozele halzen, deze ouwe man is toch niks waard, deze versleten zwarte, kromme, afgeleefde, niet zindelijke aap. Er is immers ook een type mens dat pronkt met zijn zelf-destructieve vernederingen bij gebrek aan beter: zou deze schichtige jongeman die zijn white trash grootmoeder kwam bezoeken in het bejaardentehuis, dit voor ogen hebben gehad? Wist hij überhaupt dat Knokker een voormalig zwaargewicht bokskampioen geweest is? En dat Knokker gemener was dan een nicht met AIDS en een heroïneverslaving? Nee, dat wist deze arme donder niet, hij was het andere type mens: hij was niet bewust op zoek naar een afranseling van jewelste. Hij wou gewoon een oude man met een andere huidskleur vernederen om ’s avonds in de kroeg met een pilsje een verhaal te kunnen vertellen. Hij had al zo weinig te vertellen met zijn werkloze, blanke kloten, en zijn portefeuille van uienleer, en zijn vrouw die hem bedroog met zijn beste vriend, en kinderen die eigenlijk niet van hem waren, nee, hij wist eigenlijk niet zo veel, en het zou alleen maar erger worden. “HO!” Knokker baste zijn diepe, rauwe, blues-stem. Mannelijk Afrikaans muskus hing in de lucht. “HO, jongen, wat flik je me nou?” “De moolie kan praten, ga toch zitten, ouwe man, en laat dat laken waar het hoor, niemand wil die zwarte rotkop van je zien, je maak me grootje bang.” Knokker lachte, hij werd wakker uit een lange winterslaap, een beer met een razende honger in zijn ingewanden, knagend, vals, gemeen. Toen hij aanstalten maakte om recht te staan, duwde de jonge snaak hem terug en zonder het zelf te beseffen, kwam volgende volzin uit zijn inteeltbek met scheve tanden: “Ik moe je slabbetje ni, spook, veeg er je zwarte krent mee af als je pamper volgescheten is, of je kakzak. Heb je een kurk in je aars, of zo, oom Tom?” Knokker herinnerde zich de rondes tegen de ringkoorden, de hamerende uppercuts in zijn nieren, als hij naar adem hapte in de hoek. De smaak van vreemd bloed, het gonzen van emoties in de arena, hij was op bekend terrein. Terwijl de arme ziel het laken nog vasthad, trok Knokker hem mee in zijn stoel, en nog voor het jochie het besefte, had Knokker zijn oorlel afgebeten, en nadat hij het in zijn gezicht gespuwd had, zei hij: “Dat was voor Iron Mike, bitch!” De sadist, de psychopaat, het monsterlijke beest was wakker: Knokker greep de jammerende jongen en forceerde een tongzoen: “Proef je dit jongen, dat is jouw smerige bleekschetenbloed! Ik ga je neuken, boy. Dit is de bajes, ik ga je plukken zoals mijn voorouders katoen plukten, alsof mijn en hun leven er van afhangt, zie je de littekens, groeven in het zielenleven van deze ijskouwe nikker.” De kopstoot van Knokker brak zijn neus op twee plekken, en het bloed spoog eruit en vermengde zich met angstzweet en het bloed dat uit zijn half afgebeten oor sijpelde. “Dit is de delta, ik ga je kinderen opeten, Knokker ga ik in je voorhoofd brandmerken met mijn vuisten.” Knokker stond recht nadat hij de jongen van zich afgeduwd had, en nadat hij een ezelskaakbrekende linkse directe liet volgen door een rechtse cross, sloeg hij de jongen de tanden uit zijn bek met een heerlijke linkse hoek die een buffel zou geveld hebben. Witte kruimels leken het, of te grote rijstkorrels vermengd met rode pili pili. De jongen verloor het bewustzijn, gelukkig maar, want Knokker’s mensenhaat smeulde niet langer maar was een verzengend vuur: hij nam zijn stoma en goot de inhoud ervan uit over het onherkenbare granaatgezwollen gelaat van dit weerloze slachtoffer. Een veel te zware straf, nietwaar, tenzij ook dit blank onbetekenend joch een bijbelse verantwoordelijkheid draagt voor zijn slavendrijvende voorouders. “Eat shit, white boy.” Ergens in zijn geheugen hoorde hij: “Ga in je hoek staan, Knokker!”   “Ja, ik heb het ver geschopt. Wereldkampioen zwaargewichten. Heavyweight Champion of the World. Mmm! De Grootste aller tijden. Mmm! En zie me hier nu zitten met mijn stoma. Als ik in de spiegel kijk, zie ik terug dat jongetje dat tegen zijn moeder zei: ‘Mama, ik hou niet van die jongen.’ Dan wil ik terug mijn gezicht uitkerven zoals ik deed op foto’s. Kon ik me maar verstoppen in een donker hol onder de grond, zoals toen, als één van de nieuwe vriendjes van ma weer met zijn riem achter me zat. Alles, ja, alles heb ik meegemaakt. Vrouwen die zich aanboden om me op het laatste ogenblik af te wijzen. Vrouwen die ik pijn deed, op zo’n moment, met deze vuist, of nam tegen hun wil. Kijk, m’n diamanten gordel. Niks waard in de lik. Pugilist tegen wil en dank. Ik had liever muzikant geworden of danser of schrijver met een kin van glas, maar Tyson zei het zelf al: ‘You’re old too soon and smart too late.’ Kan je schaken? Bobby Fischer heeft me de zwarte Kasparov genoemd. In de ring, in de ring! Wat zou ik nog eens graag swingen! Maar een ouwe man is niet meer dan een bruine kartonnen zak van de slijter. Was ik maar dood zoals Smoking Joe.”   Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen

ovlijee
0 0

black venus

Ben ik er werkelijk geweest? Deze zomer zal het vier jaar geleden zijn. In die vier jaar is er meer gebeurd dan de veertien jaar ervoor. Zeven vette jaren, zeven magere. Bij mij mag je dat gerust maal twee doen. In die vier jaar heb ik ook meer vrouwen gehad dan alle jaren ervoor. Zeker twee ervan dacht ik te herkennen als het spreekwoordelijke dekseltje dat eindelijk paste op mijn excentrieke potje. Maar ware liefde gaat niet over vervolledigen. Of machtsspelletjes. Ware liefde is een platitude. Niemand kan zonder graag gezien te worden gelukkig zijn in dit leven. De mens is nu eenmaal een sociaal dier en wordt pas heel door de anderen. Maar de liefde van een kind is anders dan die van een volwassene. En de liefde van een moeder voor haar nageslacht is wat de mens een zoogdier maakt. Wie het tegendeel beweert, wijkt af van de norm. Maar wat kan die liefde geneeskrachtig zijn! Wat betekent het om als mens minder vitaal, minder levenslustig te zijn zonder? Want het kan ook anders: iedereen heeft toch van die eureka-momenten van bevrijding. Ik herinner me tijdens het zeilen die onthechting: geen driften, geen nood aan een vrouw die me graag ziet. Geen moeder, geen navelstreng. Maar dat blijft niet duren. En zo blijven we hopen op verlossing na de dood. Eindelijk vrij, eindelijk rust. Ooit vonden wij zingeving in religie voor materiële welvaart ons leven draaglijker maakte. Volgens een wellicht foutieve interpretatie komt religie etymologisch van religare: binden. Het verbond tussen God en de mens, maar ook de band tussen mensen onderling. Maar laten we eerlijk zijn: kerken zijn niet meer sexy voor ons. Onze kerken althans. Want waar was er meer religie dan daar.   stroomopwaarts de wurgslang kongo naar het hart der duisternis de mens met zwarte huidskleur waar ik het licht zag   Gospel-interlude: https://www.youtube.com/watch?v=Ru4G81WqOtA In Kinshasa werden wij gewekt door een elektrische klokkentoren die in de loop der jaren volledig ontstemd was geraakt en zo vals als een kat klonk. Maar het gebrek aan privacy zorgde er in ieder geval voor dat je niet heel de dag in je bed bleef liggen onder een met Deet doordrenkt muskietennet. Maar wat het draaglijk maakte, waren de engelachtige gezangen die van het kerkje verderop onze oren kwamen binnengedreven op equatoriale, vochtige luchtlagen. Het was hallucinant, onwerkelijk, post-apocalyptisch. Meermaals had ik het gevoel dat ik door het konijnenhol van Alice in Wonderland een soort schemerzone was binnengetreden. Congo was een alternatieve dimensie naast de rationele waar ik vandaan kwam. Kinshasa was zes dagen op zeven een mierennest maar op zondag waren die miljoenen mensen van de straten verdwenen. Ik herinner me de zwarte onderhoudsman die zonder ladder of zekering de zwaartekracht tartte en in Matadi lantaarnpaal na lantaarnpaal inklom, slechts gebruik makend van de kracht van zijn handen en voeten, en zonder schrik voor het onrustwekkende doorbuigen. Ik herinner me de albino-muzikant in de kerk en de vogeltjes die ongestoord binnen en buiten vlogen. Af en toe door God bezeten vrouwen die begonnen te prevelen en schudden, en niemand die er aanstoot aan nam.   Interlude: https://www.youtube.com/watch?v=ckOHv4fBabs   Ik verbeeld me de zonen en dochters van Afrika, die op de bodem van slavenschepen de Atlantische oversteek maken naar de Nieuwe Wereld. In het ruim de stank van braaksel, uitwerpselen en overledenen.   Holocaust   En het zout van de oceaan vermengt zich met tranen van vierhonderd jaar oud. Het gieren van de wind echoot het klapperen van de zeilen en versmoord gejammer. Waren de schepen van de blanke maar van ebbenhout geweest.   https://www.youtube.com/watch?v=OFGgbT_VasI  

ovlijee
0 0

de zilte ballades: jazzmijn

Ik kwam niet herboren uit het water. Er was geen Johannes de Doper om me welkom te heten bij de schare van zielen, die ooit verloren waren maar nu gevonden. Maar het visioen was er weer: Atlantische slavenschepen, broeierige moerassen, de Mississippi-delta, en bezieling. Op een kruispunt had de bluesman Robert Johnson zijn ziel aan de duivel verkocht, maar met zijn gitaarspel won hij mijn blank zieltje. Na de waanzin van Wereldoorlog II was jazz een reden om toch ja te blijven zeggen tegen het leven, een antwoord op het absurde. Duke Ellington als zwarte Albert Camus.  En zo werkte mijn associatieve brein: ik linkte een pied-noir aan een voorbeeldpupil van het muziekgenre ontsproten aan New Orleans, waar Mardi Gras nog herinnert aan de Franse overheerser. Algerije zou etymologisch de eilanden willen zeggen, en Petrus de rots, maar ik stond plompverloren op een desolaat strand, met al mijn intellectuele bagage, slechts ballast in mijn vlucht. Ik was blind en doof voor het mij omringende, in mijn hoofd hoorde ik de gospels weer van Congolese ochtendmissen. Heelder universa spookten door mijn verbeelding en ik proefde het zout op mijn lippen dat door de tijd gereisd was, van Fenicië naar het hier en nu.  En plots drong het mij te binnen: ik heb geen richting omdat ik het niet wil. Ja, ik wou zelf deze atheïstische bedevaart naar nergens. Waar de wereld rond mij draaide omtrent opbouw, groei en opoffering, was ik gefocust op het eeuwige kruispunt, en het duivelse niet-kiezen. Ik bouw niets, ik drijf op het ritme van mijn driften op de rivier van het leven alsof ik niet ouder word, alsof deze stroom geen monding kent, en de dood mij bespaard zal blijven. Het blauwe varken nam stelling in door zijn bestaan: zijn schepper had het zin gegeven. Ik daarentegen ben buiten zinnen: de taal van God en de duivel kent geen woorden. En wederom wat rest ... Wat rest, zijn omwegen, de zoektocht zelf is het antwoord. Hetzij door te zeilen of op koper te blazen. Snaren buigen. Hoerenparfums maken van jasmijn. Kinderhoofdjes zalven en psalmen zingen.  Onvergankelijke troost voor de sterfelijken.

ovlijee
0 0

de zilte ballades: het blauwe varken

Waarom staat er een beeld van een groot blauw varken op het strand van het Letse Roja? God, dit was toch een vissershaven – vergane glorie weliswaar, ook hier betaalde men de tol voor de overbevissing – maar deze negorij van zeelieden kon toch niet eensklaps besluiten te investeren in gedroogde hammen met vliegen op het zwoerd? Maar het beeld klopte wel: er was geen meeuw te bespeuren. Ik moest denken aan de origine van dolfijnen en walvissen. Volgens biologen hebben zij een gemeenschappelijke voorvader met nijlpaarden, en volgens een bevriende Berberse matroos is een nijlpaard niet meer dan een groot watervarken: hun zweet is rood als bloed, en ze zijn link en gemeen. Varkens dus, ja. Mensen. De dag ervoor hadden we bij het binnenvaren al dat blauw kreng gespot, en ook tijdens het verkennen van de stad kwamen varkens thematisch terug. Is dat niet onze visie op Oost-Europeanen, Balkan-tuig, Baltische vrouwenhandelaars en Russische huurmoordenaars? Het is tuig, afgestompt door het juk van het communisme, en het zijn wodka-slurpende varkens. Op straat vroeg een minderjarig jongetje of ik sigaretten voor hem wilde bietsen, hij betaalde er zelf voor, en de behaagzieke eenzaat in mij was niet assertief genoeg om hem dit vergiftigd geschenk te weigeren. De melancholie had me al bij het nekvel. Tijdens mijn verkenning had ik een skatepark gevonden en de kindertijd kwam terug. Of nee, hij kwam niet terug. Hij kwam verre van terug. Nooit zou hij terugkomen: de tijd kent maar één richting. Herinneringen zijn een sof die waar geluk misschien wel in de weg staan. Het was zomer, en ook al hadden de Baltische Zee en Scandinavië hun beloftes nog niet waargemaakt, zo grijs was het hier nog niet. Het zag er zelfs niet Russisch uit: geen lekkende plutoniumvaten, weet je wel, om nog eens alle clichés boven te halen. er waren best wel wat naaldbomen en de huisjes hadden iets van een ski-oord. Aan het gemeentehuis was er zelfs een gigantische zuil met daarop nestende ooievaars. Cigüeña, Spaans voor ooievaar, en daar was Andalusië weer, het machtige Cadiz, fata murgana aan de Atlantische kust, zusterstad van Havana, en voormalige uitvalsbasis voor de beide Amerikas. En zij, die goddelijke krullenbol, Belichaming was haar naam in het Spaans, alsof ziel en liefde en magie en chemie geen afzonderlijke begrippen meer waren, zo speelde deze zigeunerin met de werkelijkheid. En daarom was ik hier, in het noorden, in plaats van het zuiden of thuis, omdat vluchten al lang mijn beroep is, en mensen niet kunnen veranderen zonder toestemming van het universum. Daarom was ik op een Lets strand, in het gezelschap van een blauw zwijn dat me uitlachte in mijn smoelwerk. De zeug die ik de nacht tevoren op het feest van de koperblazers had nagelaten te verscheuren, te verorberen, te vernietigen omdat ik terughoudender en banger ben om afgewezen te worden dan een vrouw, zou ook hier niet zijn. Wat mij restte, was te water gaan, en me laten wiegen door meanderende meerminnen, zo fictief als blauwe varkens.

ovlijee
0 0
Tip

de zilte ballades: fabel

“Weet je, hij is als die oerang oetang in zijn kano, hij is tot meer in staat dan wij vermoedden, inlevingsvermogen, medelijden, op voorhand plannen, ...” Billy Budd wist niet dat het over hem ging, hij dacht dat ik het weer had over de Grijze roodstaartpapegaai uit het Congolese regenwoud. “Nee, niet weer over Congo en papegaaien, je lijkt wel een plaat die blijft hangen, ouwe.” “Congo staat hierbuiten, kleine, je moet beter luisteren.” “Bestaat dat Congo van jou wel?” “Nee, dat Congo van mij bestaat niet meer: een groots Bantoe-spook is uit die groene long geslopen en heeft geniepig met vingers als lianen de beschaving de keel dichtgesnoerd.” Billy nam een slok van zijn maté, en keek naar het Venezolaanse hangbuikzwijn met zijn hazenlip. Hoe waren we hier ook alweer beland? Ja, die zonderlinge wetenschapper en zijn verloning: de Amazonezeekoe zou zich alleen voortplanten de eerste volle maan bij een samenstand van Venus in het sterrenbeeld van de Walvis en als Dia de los Muertos niet op sabbat viel. En die nacht keken we naar het melkwitte bleekgezicht terwijl die volgeling van Darwin overboord sprong en ons liet zitten met ettelijke kilo’s cocaïne. En langs de oever kwaakte de stam van de pijlgifkikkers: een dozijn Indianen grijnsde hun gevijlde punttanden bloot, hun blaaspijpen in aanslag met in curare gedrenkte pijlen als injectienaalden avant-la-lettre, maar het waren slechts hallucinaties van de dope, als koortsdromen van de absint in een Zuid-Frans Provence-dorp geschilderd door een schilder met een oor-complex. Wat was dan wel echt? Want zo in de brousse verliest een mens al wel eens zijn koelbloedigheid, en dat is in eender wel zompig moeras hetzelfde, van de treurwilgen in Savannah tot de monding van de Mekong, al heeft het snuiven van napalm daar zijn stempel op de geschiedenis gedrukt. “Billy, hoe noemde die Malinese njarka-speler uit Timbuktu met zijn houten been?” “Me dunkt dat u het over die sjerpa uit Kathmandu hebt.” Had de malaria ons te stekken of waren wij Edmund Hillary en Tenzing Norgay, veel te hoog op die verdoemde Sagarmatha, ver van ons Shangri-La, te weinig zuurstof in de lucht, te ijl, verdwaald. “Ik weet de naam van onze boot niet meer, Bill.” “Weet je ouwe dat ze vroeger dachten dat de duivel die botten daar gelegd had.” “Welke botten?” “Van de verschrikkelijke hagedis.” Ik dacht aan de geamputeerde staart van zo’n reptiel en de giftige drakenadem van een varaan. Kon zich werkelijk het skelet van een zeedier op de besneeuwde toppen van een massieve bergketen bevinden? “Ouwe, is het werkelijk zo belangrijk?” “Ja, een schuit moet een naam hebben.” “Kijk naar de roodharige bosmens Pongo, hij praat alleen als het een kwestie is van leven en dood.” “Gezwets van een dronken Engelse matroos die hen verwarde met gorillas.” “Nee, ik citeer etnische Maleiers en Indonesiërs.” “Die zo’n oerang oetang kaal scheren en tot prostitutie dwingen. Van God los, we zijn verdoemd Billy, naar zee, weg van de perversie!” “En zo zijn we noch zeelieden als bosjesmannen.” “Nee, wat rest is de mythe van de yeti, de sasquaatch, de verschrikkelijke sneeuwman. De kwelgeest uit het vooronder die ’s nachts aan je kind zijn knaagt.” “Maar ouwe, is hij kwaad of goed?” “Het heeft geen naam, Billy: hij is dokter Mengele en Damiaan in één wezen, met blonde haren en blauwe ogen, maar melaats als de pest.”  

ovlijee
0 1

de zilte ballades: de desolaatheid van de pasgeborene

Mijn geweten speelde op. De krullenbol had ze gemeen met haar, maar het Spaanse gezicht was vervangen door een Slavisch.Al weken had ik de hand niet aan mezelf geslagen, daar zelfs de behoefte niet toe gevoeld. Alleen ravotten met Billy Budd. In vrachtwagenbanden kruipen met mijn te oude knoken en bang zijn dat hij me van de kaai zou rollen.Salaam zeggen tegen Moussa en Dass van de zeilclipper Shabab Oman en kleren uitwisselen: een Arafat-sjaal in ruil voor een goddeloos voetbaltruitje. Fattie Bouboul speelde op zijn doedelzak terwijl een andere Arabier een zware bas door een schelp blies. Schreef William Golding daar niet over in Lord of the Flies? En is dat Allah die de evolutie stuurt om zo'n perfecte fractale vorm te geven aan een schaaldier?En dan in niemandsland van boord gaan en uitzinnig dansen op Baltische koperblazers. En gek worden van die gulden snede die de vrouwelijkheid vorm geeft. Kont is een te lelijk woord voor die bron en dat object van alle levenslust en ellende.Sterven van drift, drempelvrees en onzekerheid. Ten dans vragen en ogen die peilen. Een meisje die haar dochter zou kunnen zijn - en dat later ook effectief blijkt te zijn - die mama toestemming geeft. En zij die volgt alsof volgen haar professie is. Mekaar verleiden. Zij die smelt in mijn sturende armen en handen. Een lach. Legt ze haar hals op mijn schouder? Voel ik haar levensadem op mijn door zout gedroogde huid? Gek makende wind die finaal uit mijn oorschelp verdwijnt tot het koperorkest stokt. En zij en ik praten niet langer met onze lijven, die met dezelfde taal communiceerden. Haar naam herinner ik me niet langer, enkel die van de Gaditaanse, gebrandmerkt, omdat ik het zo wil, romantische zot.Met haar dochter spreek ik. Ze wil varen. En ik ben te beschaamd om haar als tolk te misbruiken. Mag ik sterven in je moeder? En morgen afmeren? Ga met Billy Budd naar de boot. Klim naar het kraaiennest, kruip in het kluivernet en tel ontelbare sterren. Droom van verre kusten waar het leven milder is.Maar ze gaan vroeg slapen om morgen te zwemmen. En wat rest is het verlangen in haar ogen. Of is het nieuwsgierigheid.?En ik kijk naar haar achterwerk in plaats van hun ruggen. En mijn mond loopt vol. Een diertje ineens. Zever. Een bonzend kruis.Billy en ik dansen ons te pletter. Hij wil knokken met Mister Humphries van de Spaniel omdat hij wel danst met de hete donder van de Maybe en haar reet die om moord en brand schreeuwt. Ik verleid nog even een te jonge Poolse met dikke tieten van de Admiral Dickman, maar ook nu weer remt de gentleman mij. Geen tweede keus voor mij. Megalomanie ...Ik ben alleen op het strand de volgende dag. Billy splitst lazy jacks en verlangt terug naar zee. En ik hoop tevergeefs. Ik trek mijn nooit te stoute schoenen uit en waad in de Baltische Zee. De sterke golfslag verbaast me. Op het strand staat een koppeltje bij het beeld van een blauw varken.De eenzaamheid verteert me als ik onder water mijn zwemslip naar beneden trek. Ik begin mezelf te bevredigen. Dwaas en onhandig kom ik tot een orgasme. Ik loos mijn zaad in het water en word oneindig triest van zoveel nutteloze verkwisting en zinloze verspilling.Maar ik besef dat zelfs zij de ware niet was. Ik berust in de waarheid van het zeilen. Billy Budd en ik tegen onze eigen demonen. En de zeeziekte die weeskinderen geneest van hun wens terug te keren naar de onmogelijkheid: de schoot die ons gebaard heeft, de borst die ons voedde met nectar en ambrozijn, wiegende woorden en een totale afwezigheid van drift.

ovlijee
0 0

Opleiding

SchrijversAcademie

Publicaties

Gierik & NVT: De zilte ballade van lodewijk en billy bud (Brussel Bazaar; 2014; 32; 125): http://www.gierik-nvt.org/sites/default/files/articles/3197/article_2014_125_70_71.pdf
http://www.kifkif.be/cult/olivier-haemhouts