enige plechtstatigheid is mij niet vreemd - gedichten
als een prekerig gebed voor de ziel (en dan fluit de moor dat
het water kookt- ik giet het over de tomaten om ze te ontvellen
want die velletjes, dat heeft zij niet graag)
als ik lees, lees ik mezelf voor alsof ik mezelf iets voor houd
ik houd van mijn eigen stem, zoek naar een mooie golf woorden
ik declameer en sus, probeer de klanken op mijn tong
ik kan dit - geloof ik - en twijfel dan aan alles
(hoeveel boter in de pan, hoeveel zout en peper
zal ik de patatjes stomen of bakken
wat zou zij het liefste hebben)