Hans Van Ham

Gebruikersnaam Hans Van Ham

Opleiding

Publicaties

Prijzen

Teksten

Op reis

“Ben je maar alleen vandaag?” “Hij is op reis.” “Zonder jou?” “Ja, blijkbaar.” “Het klinkt alsof jullie ruzie gemaakt hebben. Toch niet te erg.” “We hebben geen ruzie gemaakt.” “Toch niet te erg, hoop ik, want jullie zijn de kortste weg naar kleinkinderen.” “Pappie!? Stop daarmee.” “Het mag ook met iemand anders, zigeunertje, maar je moeder zou …” “Mammie is dood.” “Hoef je mij niet te vertellen. Dat merk ik nog elke dag.” Ik keek naar Mammies foto op de schouw. Er stond een halve kaars naast. Pappie stak elke avond een kaars aan. De schouwmantel moest dringend afgestoft. Kendy, de poetsvrouw, was te klein om daar goed aan te kunnen en ze ging niet op een trapje staan. Dat deed ze niet. “Heb je nog steeds Kendy als poetsvrouw?” “Dat is zo’n lieve, Petra’tje. Die ga ik toch niet vervangen. Ze kan zo goed luisteren.” “Ze spreekt ééntalig Spaans, Pappie, en ze poetst niet goed.” Ook op de vensterbanken lag stof en in de hoeken op de vloer. Kendy kwam dan misschien uit Venezuela, maar ze poetste met de Franse slag. Je kon exact zien tot waar de ramen gepoetst waren. Het bovenste deel daar kon ze niet aan. “Ben je nog bij je Mammie geweest?” “Nee.” “Vergeet ze niet, Petra. Ze zag jou zo graag. Ik heb pas nog nieuwe bloemen op haar steen gelegd. Ze zijn mooi. Gilberreke van de bloemist heeft ze speciaal voor haar gemaakt. “Je betaalt te veel voor die bloemen, Pappie. Ze profiteren van jou.” “De bloemist mag er toch ook iets aan verdienen. Ga gewoon een paar keer bij je Mammie langs, daar wordt ze gelukkig van.” Ik zuchtte en vroeg of hij nog koffie wilde, terwijl ik naar de keuken stapte, waar de koffiekan nog in de machine stond. Hij had hem veel te straf gezet. Dat hij nog geen last had gekregen van zijn maag, was een wonder, zoals hij steeds van die loeisterke koffie dronk. De hele dag door. Ik goot de kan leeg in de thermos. Dat was nog steeds dezelfde thermos als toen ik klein was. “Doe maar met.” “Pappie! Het is half elf ’s morgens.” “Eéntje per dag, meisje. Eéntje.” Ik nam de aarden kruik ‘witte’ uit de barkast en goot een klein scheutje in zijn mok. “Nog.” Ik kletste er nog een klein beetje bij. “Doe het fatsoenlijk of ik doe het zelf.” “Hier, doe het dan maar zelf.” En hij goot er een flinke scheut bij. Ikzelf verdunde mijn koffie met ongeveer even veel melk en een half klontje suiker. Pappie zette de fles terug in de barkast. Hij hoestte en schraapte zijn keel na zijn eerste slok. Hoe lang leefde hij al op deze manier? Al meer dan tien jaar. Sinds Mammie overleden was aan die stomme kanker. “Ben je gelukkig, meisje, je ziet er zo bedrukt uit? Als je met die ruzie in zit. Dat maakt niet uit. Je mammie en ik hadden ook ooit ruzie, maar we legden het altijd bij voor we gingen slapen. Nooit bij elkaar in bed kruipen voor de ruzie opgelost is. Dat nooit.” “Dat is het niet.” “Ik ben ook eens een keertje drie weken naar Amerika geweest, voor opleiding van het werk, en toen heb ik je Mammie gemist, heel erg. Dus Hij zal je ook wel missen.” “Denk je?” “Ja. Zeker weten. En wij hadden nog geen telefoons. Drie weken was echt drie weken. Tegenwoordig.” “Hij heeft zijn telefoon niet mee.”  “Echt. Nu ja. Typisch Hem. Al die computers en smartphones dat was niks voor Hem. Dat zei Hij toch altijd. Je hebt er natuurlijk ook ‘ne speciale’ uitgekozen.” “Hoe bedoel je?” “Hij kan hier aankomen en koffie drinken en zonder iets te zeggen na een half uur weer vertrekken.” “Komt Hij hier zonder mij?” “Ja, hoor, minstens een keer per week. En Hij heeft van die dagen dat hij dus absoluut niks zegt. Of ja, toch zo goed als niks.” “Dat wist ik niet. Nu ja, maakt ook niet uit. Wel attent van Hem.” “Attent, ja, spraakzaam, nee. Daarmee, het verbaasde me dat Hij er niet bij was. Ben je al weg? Je moet toch pas om twee uur op het werk zijn. Je kan hier een boterhammetje mee eten, meisje, je weet dat ik niet graag alleen eet en ik eet al zo veel alleen. Zullen we een kaartje leggen?”

Hans Van Ham
0 0

Gallerie degli Uffizi

"Wat zal ik eens doen in het museum?” zei Shania. “Ja, wat kan je zoal doen in een museum?” antwoordde ik. “Is hier ook een cafeetje?” “Shania, je kan ook naar kunst kijken.” “Dat is iets voor jou, Petra. Ik denk dat ik het hier nogal snel beu ga zijn. Jij kende al die namen van die standbeelden buiten in die galerij. Ik kende er gewoon geen enkele van en ze zeggen me ook niets. Dat gaat hier binnen in het museum net hetzelfde zijn. Hoe lang wil je hier binnen blijven?” “Toch wel een paar uur, vermoed ik. Er zijn een paar werken die ik zeker wil gezien hebben. Ik wil de kleuren zien die ik enkel via afbeeldingen in boeken of op een scherm ken.” “Ik ga meegaan, hoor, maar als ik het niet meer aankan, ga ik je laten doen. Is dat goed voor jou, liefje?” “Natuurlijk.” “Dat wil niet zeggen dat ik jou niet graag zie, maar ijsjes likken op een terras of winkeltjes in en uit lopen is meer iets voor mij.” Shania legde haar hoofd op mijn schouder en zuchtte diep. Ze haakte tegelijk in onder mijn arm en zo schuifelden we verder in de rij. “Hoe komt het eigenlijk dat je zo geïnteresseerd bent in kunst? Dat wist ik niet van jou.” “Hij was eigenlijk de kunstliefhebber.” “En jij wilt kijken of het jou ook iets doet.” “Ik voel me precies dichter bij Hem als ik naar kunst kijk. Hij sprak wel eens over een tentoonstelling of een museum, niet eens zo veel, maar het is pas nadat ik al die kunst in Zijn appartement vond dat ik besefte hoeveel het voor Hem betekende.” “Je wilt die kant van Hem leren kennen.” “Zoiets. Maar ik vind het zelf ook de moeite, hoor. Ik herinner me dat Hij me ooit voorstelde om samen naar hier te komen, maar dat is er niet van gekomen.” “En nu wil je toch, ook al is het zonder Hem.” “Ja, maar de kunst doet mij ook iets. Ik merk dat ik, los van Hem, zelf geraakt word. Weet je dat Hij ooit gezegd heeft dat je elk werk minstens een kwartier van je tijd zou moeten gunnen, pas dan zou je weten wat het werk werkelijk waard is voor jou.” “Ik ben blij dat ik met jou mee mag, echt waar, maar elk werk een kwartier?! Dan zijn we hier nog niet buiten, vrees ik.” Ik haalde de geprinte tickets uit mijn handtas. Nog één koppel en drie man voor ons en dan konden we naar binnen, waar zich opnieuw een rij vormde. “Moeten we daar ook nog aanschuiven, of wat?” “Dat is de metaaldetector, Shania. De kunstwerken hier zijn zo uniek en belangrijk dat je niks scherps mee naar binnen mag pakken.” “En ook geen flesjes water, precies, dan drink ik dat van mij nog snel op.” Tien minuten later stonden we binnen en werden we door een paar kleinere en kille ruimtes naar een trap geleid. De rondleiding begon op de tweede verdieping en voerde naar de overkant van de straat, daar zouden we een verdieping zakken en terug naar deze kant komen. Er stonden wegwijzers voor een ‘korte’ tour die enkel langs de belangrijkste werken ging van Boticelli, Leonardo da Vinci, Michelangelo, Raphael en Caravaggio en een langere route. We namen de ‘langere’ route. In de eerste kamer was er een houten kruis te zien uit de late twaalfde eeuw. “Voilà, je kan eraan beginnen. Doe maar, ik volg je wel zo lang als ik kan.” Het was onaangenaam druk en mijn voornemen om bij een aantal werken minstens een kwartier stil te staan, bleek niet mogelijk. Zeker niet bij de topstukken, daar stonden dikke drommen toeristen verveeld te luisteren naar wat een gids in hun oortjes vertelde. Ze probeerden een foto te trekken van het schilderij dat door een glas beschermd werd en daardoor een onnatuurlijk glans kreeg, of een selfie die ze dan onmiddellijk op hun socials postten. Voor de annunciatie van Leonardo da Vinci was er vreemd genoeg weinig belangstelling. Daar kon ik toch enige tijd vertoeven, maar dat was zowat het enige topstuk waar dat lukte.  Ik nam me voor om in de boekenwinkel beneden een mooi en groot kunstboek uit te kiezen waarin de belangrijkste werken werden afgebeeld. Er hing hier prachtige kunst, maar door al dat volk en door de ongelooflijke veelheid aan werken, geraakte ik overprikkeld. Een museum was precies niet de ideale omgeving om van kunst te genieten. Shania liep verloren achter me aan, nam een paar selfies en moest twee keer naar het toilet. Ze leek nog het meest geïnteresseerd in de Romeinse beelden overal in de gangen en nam er foto’s van. Pas jaren later liet ze me terloops die foto’s zien, die ze per ongeluk, zo zei ze, nooit gewist had. Ze waren prachtig. Ik liet ze op A4-formaat in zwart-wit afdrukken en hing ze in de woonkamer op. Maar ik loop vooruit op de feiten.  “Niemand kijkt naar die Romeinse beelden,” zei ze, “Ik geef ze tenminste ook wat aandacht. En die blote piemels zijn geinig.” Nadat we een koffie gedronken hadden in de cafétaria, met uitzicht op de koepel van de kathedraal en de toren van het Palazzo Vecchio, Shania nam een stuk chocoladetaart erbij, spraken we af in het hotel. Shania had genoeg gehad. Ik ook, maar ik gaf dat niet toe. “Jij bent dan wel sexy in een museum, maar ik heb meer winkeltjes nodig.” Ze beende met grote stappen weg en wiegde met haar heupen. Heel wat mannen keken haar na en ik ook. Even wilde ik dat ik op vrouwen viel en dat ik verliefd kon worden op haar. Ik slenterde terug naar een paar zalen die we al gezien hadden. Ik had tijd, bedacht ik me. Ik moest me voor niks haasten. Het was minder druk, in ieder geval minder groepen die overal de weg versperden.  

Hans Van Ham
0 0

Ionut en de basketbal

Ik sprak af met Robbrecht dat hij gewoon zou doorwerken aan ons huis, de oude boerderij die we anderhalf jaar geleden samen gekocht hadden. Ik noemde het nog steeds onze ruïne ook al leek die ondertussen met dat nieuwe dak en die herstelde muren op veel meer dan dat. De dag erna nam ik het vliegtuig en vloog naar Roemenië. Mijn moeder had tijdens haar leven altijd gezegd dat ik zigeunerbloed in de aderen had. Ik was afgestaan na geboorte en zij en mijn papa hadden me als baby’tje geadopteerd zonder veel van me te weten. De nonnen duwden me gewoon in hun handen en dat was het eigenlijk. Deze baby was voor hun. Geen andere. Trek uw plan. Ze wisten niets van me en toch beschouwden ze me als hun kleine zigeuner, hun kleine Zigi. Later namen ook mijn vrienden die koosnaam over. Misschien dat ik in het zigeunerland bij uitstek, Roemenië, iets van mezelf wilde kunnen terugvinden. Waarom wilde ik anders zo nodig naar Roemenië? Als ik er even tussenuit wilde, weg van de verbouwing, had ik ook gewoon ergens aan het strand kunnen gaan liggen. Ik reed urenlang door bossen en bergen, helemaal tot aan de Moldavische en Oekraïense grens en terug. Ik overnachtte in jagershutten en blokhutten, in een tent naast de auto of in een occasioneel guesthouse. Slechts eenmaal bleef ik drie nachten in hetzelfde stadje. En daar leerde ik Ionuţ kennen, het kleine jongetje van zes dat ongegeneerd door zijn moeder ingeschakeld werd om de gasten te bedienen. En hij is meteen het enige waar ik het over wil hebben. De bossen en kastelen waren geweldig mooi en ik heb er prachtige foto’s getrokken, maar er gebeurde omzeggends niets.  Vanuit de keuken riep de moeder luid zijn naam en het jongetje schoot haastig langs de tafeltjes heen, stootte ondertussen een stoel om, twijfelde even of hij die nu eerst moest oprapen en dan naar zijn mama moest lopen, of dat hij eerst naar zijn mama moest. In dat moment had ik de stoel al opgeraapt en draaide hij zich weer snel om. Even later kwam hij met een vol plateau voorzichtig aangestapt. Hij had een voorschoot aangebonden gekregen die tot over zijn knieën kwam en hem hinderde. Er stond een kostuumpje op afgebeeld waardoor het leek alsof hij ook effectief een strikje en een gilet aan had. Hij keek aandachtig naar wat er op zijn plateau stond. De koffie klotste een beetje over de rand en dat stelde hem zichtbaar teleur. Hij zette het plateau op mijn tafeltje en ik liet hem er een voor een alles vanaf zetten. Dat deed hij weer extreem voorzichtig. Een mok koffie, brood, boter, een potje confituur, een bordje met een spiegelei en een kommetje romige mămăligă, een soort van pap die blijkbaar typisch was voor de streek. Na mij serveerde hij de andere gasten, een Duits koppel dat aan het raam zat. Zowel de man als de vrouw waren ongezond dik en spraken over hoe ongehoord het was om zo’n klein kind aan het werk te zetten alsof niemand hen kon verstaan. Maar hij was wel schattig, zei de vrouw. Natuurlijk was hij schattig, antwoordde de man, alle kleine kinderen zijn schattig. Daarna wenkte hij Ionuţ met een kort handgebaar en wees naar zijn eitje. Hij had er twee besteld, zei hij, en hij stak twee vingers in de lucht. Zwei, verstehen Sie, zwei, nicht eins. Ionuţ schoot naar de keuken en hield de hele tijd zijn twee vingers omhoog. Ik dacht dat hij het niet begrepen zou hebben, maar hij was blijkbaar meer bijdehand dan ik dacht, want het duurde niet lang of er kwam nog een eitje op een plateau aan. Na het ontbijt stond hij met een grote, afgesleten bal op de binnenkoer. Er hing een basketring op een vrij lage hoogte waar hij de bal in probeerde te mikken. Hij gooide me de bal toe toen ik hem met open handen naderde. De bal was iets te slap opgepompt om deftig te kunnen botsen. Toch probeerde hij me tijdens het spel dat volgde voortdurend voorbij te dribbelen. Hij glom van trots wanneer dat ook effectief lukte. Als één van ons in de ring wierp, sprong hij in de lucht, klapte hij in zijn handjes en riep hij iets wat waarschijnlijk zoiets als ‘bravo’ betekende. Na een half uurtje riep zijn moeder zijn naam. Onmiddellijk onderbrak hij zijn spel. Met de bal onder zijn arm verdween hij naar binnen. De tweede en de derde ochtend herhaalde zich dat tafereel. Toen zijn moeder hem riep op de derde dag en hij de bal opraapte om naar binnen te gaan, riep ik ook zijn naam. Hij verstijfde. Het briefje van 200 lei dat ik hem wilde geven, bekeek hij alsof hij niet wist wat het was. Ik wees naar hem om hem duidelijk te maken dat het geld voor hem was, maar nog nam hij het niet aan. Hij keek er alleen maar naar. Zijn moeder riep nog eens maar dan dwingender zijn naam en verscheen in de deuropening. Ionuţ liep snel naar binnen. Ik stapte op de moeder af en bood haar het geld aan en wees naar haar zoontje. “Voor een nieuwe bal,” zei ik. Met een kort gebaar nam ze het aan en stak ze het in de zak van haar vest. “Thank you,” was alles wat ze zei en ze blafte Ionuţ iets toe waarop het jongetje nogal schaapachtig “multumesc” zei. Daarmee was voor haar de kous af en ze draaide zich met de rug naar me toe. Ze duwde Ionuţ voor zich uit, verder naar binnen. Toen ik die middag met mijn koffer door de gang sukkelde zag ik door een open deur hoe Ionuţ ook werd ingeschakeld bij het poetsen van de kamers. Hij trok het bed af in de kamer naast me, waar het Duitse koppel had gelegen. De lege bierblikken lagen overal half bijeengeknepen, een lege fles wijn stond op het nachtkastje en er lagen pizzadozen op het kamerbreed tapijt.  Met hem voelde ik me wel verbonden, met de rest van de Roemenen niet. Misschien waren mijn verwachtingen te hoog geweest omdat mijn ouders en mijn vrienden me liefhebbend hun zigeuner genoemd hadden. Of ik echt verwant was aan zigeuners of Roemenen was trouwens de vraag, want afgaand op mijn uiterlijk kon ik evengoed van Marokkaanse afkomst zijn, wie weet Grieks, Turks of Tunesisch of Spaans of ja, Italiaans. Mijn huid was getint en mijn haar ravenzwart, mijn ogen donker donkerbruin, als diepe poelen. Ik was een zuiders type, dat was zeker, maar het zuiden was groot. Bovendien had ik thuis samen met mijn broer, die uit Haïti kwam, dat wisten we zeker, op ónze koer naar een basketring gegooid. Met een degelijke, strak opgepompte bal.  

Hans Van Ham
15 1