Hans Van Ham

Gebruikersnaam Hans Van Ham

Teksten

de eenzaamheid van de lach

toen wij nog vuile woorden borrelden onder elkaar, we giechelend ‘tetten’ proesten en 'piemel' riepen in de meest onmogelijke situaties, archiveerde onze vader – zo beeld ik mij dat in – nauwgezet en doodserieus grinnikend, de beste grappen uit de dagelijkse scheurkalender.als een boekhouder plakte hij ze vervolgens in een geruit schriftje en sorteerde ze per thema, kopieerde desnoods met zijn vulpen wanneer het item onder meerdere rubrieken thuishoorde. voor later, zo moet hij gedacht hebben, als die jongens van mij eindelijk een gevoel voor...toen het allicht sneller dan hij wilde later werden hij ons trots, maar schoorvoetend en behoedzaamzijn collectie presenteerde, zochten we in zijn 'dictionaire van de dagelijkse geestigheden' driftignaar het hoofdstuk ‘schunnige schunnigheden’. misschien is het pas echt later, zo moet hij gehoopt hebben,bij het opruimen van zijn zolder, dat wij, wat meer vertrouwd met orde en  classificatiewetten, voorzichtig door de bundel zullen bladeren, misschien weemoedig bij het voor de geest halen hoe hij, onze vader, nadacht of een weerspreuk grappig genoeg kon zijn. Maar nee, hoewel weemoed in ieder van ons verscholen zit, hoop ik niet dat...nee, hoop ik vooral dat míjn zoontje, tegen díe tijdop zijn beurt net als ik een alchimist zal zijn, dat hij net als zijn vader niets liever zal doen dan van hout en papier vuur te maken. zal hij luidop als een gekke uitvinder lachen en brullen, scheten laten bij de stoof, waarin mijn vaders dictionair, hahahaaaa, net goed,brandt alsof het feest is in de diepste krochten van de hel?en zal dat branden van mijn vaders aux serieuxde ultieme mop zijn? ik vrees dat ik het niet weet.het speelt zich voorlopig alleen maar in mijn hoofd af.en dan kan het vele kanten op, zo heb ik daarstraks,  na bedtijd, een beetje triest in de vlammen gekeken, terwijl de boontjes van vanmiddag stilletjes hun werk deden in mijn buik. misschien plakt hij lievervoetbalstickers in boeken, verzamelt hij alle mogelijkekleuren knikkers bij spelletjes die hij steeds lijkt te winnen.

Hans Van Ham
6 0

Barts idee

IK HIELD NIET van Barts geweldige ideeën en ik had er ook nooit van gehouden, maar ik kon geen ‘nee’ zeggen, dus hier stond ik weer. Deze keer was er echter geen sprake van dat ik zou meedoen aan zijn compleet geschifte plan en ik had het hem ook gezegd, “Ik denk er nog niet aan dat ik in de wieken van een molen kruip, ik ben mijn leven nog niet beu.” Natuurlijk vond hij mij een sissie, een piske, een lafbek, en weet ik wat nog allemaal, maar ik was niet te vermurwen, ik vond het al erg genoeg dat ik getuige moest zijn van zijn onnozele streken. Maar wat wou je, hij was mijn vriend en een vriend laat men niet zomaar in de steek, dat doet niemand. Hij liet me trouwens weinig keuze, want er moest toch iemand zijn om de hulpdiensten te verwittigen als het misging.   “Doe voort, jong,” riep ik, “ik heb niet de hele nacht tijd, ik wil terug in mijn bed gaan liggen.”   Even verderop stond Bart tegen een boom te plassen. Hij lachte luid, maar op zo’n manier dat ik merkte dat hij zelf ook bang was om zijn plan uit te voeren.   “Ik zeik misschien nu, maar gij zijt een zeikerd”, riep hij terug. “Moet je mijn lul eens zien?” vroeg hij, en hij draaide zich om zonder op een antwoord te wachten, “dan kan je eens de lul van een echte vent zien.”   Hij schudde zijn plasser af en stak hem met overdreven veel zwier terug in zijn broek. Zijn T-shirt frommelde hij er slordig bij, zodat het helemaal scheef zat, een deel er nog uit hing en zelfs een stuk van zijn trui ook bij in zijn broek zat. Dat was Bart. Als hij niet mijn vriend was geweest, dan had ik hem gewoon niet willen kennen.   “Komaan”, zeg ik, “straks zien mijn ouders dat ik niet in mijn bed lig.”   “Gaat gij maar gauw ook tegen die boom staan”, antwoordde hij, “anders doet ge sebiet nog in uw broek.”   “Ba-art, doe eens normaal, ik kan ook gewoon terug gaan en dan kan je zelf een foto trekken als je daarboven zit.”   “’t Is al goed. Ge hebt hem toch bij.”   “Dat fototoestel?! Natuurlijk, ik had toch gezegd dat ik daarvoor zou zorgen. En een gsm heb ik ook bij, het moest maar eens zijn dat je valt.”   Dat laatste negeerde hij gewoon alsof de mogelijkheid niet bestond. Strijdvaardig kraakte hij zijn nek en zwaaide hij met zijn armen en benen naar een denkbeeldige vijand.   “Vooruit dan!” riep hij, alsof het ‘aanvallen’ betekende.   Ik vroeg hem of hij zeker was dat hij dit wilde doen, want het leek me echt wel een gevaarlijke onderneming, maar hij was niet van zijn stuk te brengen en hij moest en zou, net als de Rode Ridder, in de wieken van een molen klimmen. Dan zou ik een foto van hem trekken, die hij op zijn Netlogpagina zou plaatsen en zo kon iedereen van de school en iedereen die hij kende, zien dat hij zoiets durfde. Hij zou een ongekend succes hebben bij de meisjes en iedereen zou ontzag voor hem krijgen. Dat zou bij mij niet gebeuren, want zo zei hij, “Jij durft niks en ik alles, dat is het verschil tussen ons twee.”   “Ik heb al wel een meisje gekust”, beet ik terug, “en jij niet. Dat is ook een verschil tussen ons twee.”   Daar had hij niet van terug, want hij wist dat het waar was. Ik had Mieke al gekust, achter het muurtje bij hem thuis nog wel, en hij was daar bij Sofie niet in geslaagd. Dat Mieke in feite mij had gekust en dat ik er niet veel in te zeggen had gehad, had ik netjes verzwegen, maar dat waren dingen die je natuurlijk niet zomaar onthulde.     “Het enige dat jij zult bereiken,” zei ik, “is dat iedereen jou nog zotter vindt, dan dat ze nu al doen. En de meisjes…? Er is geen enkel meisje dat een zot tof vindt.”   Dat gedoe met de Rode Ridder de hele tijd, dacht ik, maakte míj nog zot op de koop toe. Suske en Wiske, of Kiekeboe, dat las ik graag, maar de Rode Ridder? Dat was niks voor mij en daar stond niks om te lachen in, allemaal serieus. Maar dat zei ik natuurlijk niet, want de Rode Ridder, dat was een gevoelig onderwerp. Dat was zijn held en hij was er trots op dat hij er alle strips van had. De oudste exemplaren had hij van een nonkel gekregen en telkens als er een nieuwe uitkwam, kreeg hij van zijn vader geld om die te kopen.   Als ik bij hem thuis kwam spelen, dan wou hij ook altijd dat ik die strips las en dat deed ik dus maar, want de schaarse Jommekes en Suskes en Wiskes die hij had, had ik allemaal al gelezen en de Kuifjes van zijn vader vond ik ook maar niks. Ik koos meestal één van de laatste nieuwe die hij gekocht had, want die waren tenminste een béétje realistisch. Als er daarin iemand neergestoken werd, dan kwam er bloed te voorschijn, in die andere, oudere strips was dat nooit het geval. Soms moest ik van hem zelfs afleveringen meenemen en dan kreeg ik uiteraard steevast die oude zwart-witgevallen mee, die daarna een week op mijn nachtkastje lagen en die ik uiteindelijk las om te kunnen zeggen dat ik ze gelezen had. Ik moest er nogal wat voor over hebben om zijn vriend te zijn.   En in een paar van die strips, dat had ik ook wel gezien, kruipt de Rode Ridder op de wieken van een windmolen om zijn vijanden te verschalken. En nu wou hij dat dus ook proberen, maar volgens mij vergat hij daarbij dat in stripboeken zoiets altijd beter gaat dan in het echt. De enige die ik ooit op wieken had zien zitten, dat waren geen mensen, dat waren vogels, zelfs nog geen katten had ik het ooit zien doen en ik woonde hier vlakbij de molen en vlak bij het bos. En ’t was niet dat hier geen katten zaten. Bart was van lotje getikt en als ik hem dat zei, vond hij dat nog een compliment ook.     “Eerst opwarmen”, zei hij en weer zwaaide hij met zijn armen en benen. Hij liep een keertje rond de molen en boog zich een paar keer voorover om te stretchen.   “Vooruit!” riep hij. Weer klonk het alsof het ‘aanvallen’ betekende. In een wip en een zip stond hij op het paaltje waaraan één van de wieken vastgemaakt was. Hij trok zich op aan het dunne vlezige touw, maar moest het bijna onmiddellijk lossen omdat het te veel op en neer sjoeperde en hij met zijn gewicht de wieken in beweging zette. Dat ging nooit goed.   “Godverdomme,” vloekte hij, “dat touw snijdt.”   Zonder aarzelen sprong hij echter weer op het paaltje en trok hij zich weer op. Hetzelfde gebeurde, maar nu liet hij het touw niet los. Bij zijn eerste klauterpassen op de wiek kraakte het hout en ik siste hem toe dat hij eraf moest springen, dat hout zou hem nooit kunnen dragen, maar opnieuw lachte hij mij uit.   “Allé piske, het begint nu pas. Trek al maar een foto!”   Dat lukte bijna niet omdat ik mijn hand zo moeilijk kon stilhouden van de zenuwen.   Behendig als een trapezeacrobaat werkte hij zich een weg naar boven. De wiek kraakte minder dan in het begin, maar nog steeds was ik er niet gerust in. Nochtans ging er deze keer niets mis, zelfs niet toen hij in het midden aankwam en via de as de volgende wiek beklom. Hij kleefde tegen de houten latten.   Het touwtje dat de wieken vasthield, leek strak gespannen, maar toen ik ging voelen, bleek de spanning mee te vallen. Waarschijnlijk waren de wieken in de molen zelf verankerd, dacht ik, en dat stelde me wat gerust.   Halfweg zijn tweede wiek, riep Bart dat ik nog een foto moest trekken. Dat was al de zesde. Terwijl ik door het kleine venstertje van de camera keek, liet hij zich aan één van de spalken hangen. Net op het moment dat ik de foto trok, draaide hij zich om en liet hij één hand los om te wuiven. Geschrokken kneep ik mijn ogen dicht en luisterde ik naar een plof.   De enige plof was die van het fototoestel dat in het natte gras viel.   “Gij zijt gek, Bart, gij zijt gek. Kom naar beneden nu,” riep ik onderaan de molen in paniek. Ik vond het al erg genoeg dat hij daarboven zat, ging hij ook nog eens hangen en kunstjes uithalen.   Gelukkig kwam hij inderdaad naar beneden. Het hout kraakte weer.   Bijna op het einde, nog zo’n twee meter boven de grond, sprong hij van de wieken, struikelde hij en viel hij met zijn rug tegen een steen die daar lag.   “Doeme,” zei hij, “dat doet zeer.”   Opgelucht nam ik hem vast om te kijken of hij nog helemaal uit één stuk was, maar hij versteef van de pijn en hij riep dat ik een flikker was, dus liet ik hem los. Hij verbeet de tranen in zijn ogen.   “Juist goed,” zei ik, “ik hoop dat je rug gebroken is.”   “Ik mag zot zijn,” kreunde hij, “maar met u scheelt er ook iets, kerel. Als mijn rug gebroken was, dan stond ik hier niet.”   “Ben je niet blij dat je terug beneden bent?” vroeg ik.   Als antwoord slaakte hij een oerkreet waardoor de kraaien lawaaierig opvlogen uit de toppen van de dennenbomen. Mijn huidharen gingen er rechtop van staan en het leek alsof er elektriciteit door mijn wervelkolom werd gestuurd.    Gelukkig waren er geen wandelaars of fietsers in de buurt, want hij riep echt wel luid.     De hele weg terug naar huis klopte hij voortdurend op mijn schouders en wou hij de foto’s zien die ik getrokken had.   “De laatste foto is donker,” zei hij en dat net het toppunt van zijn prestatie zo slecht belicht was, stelde hem zichtbaar teleur. Maar dan klopte hij weer op mijn schouder en lachte hij.   Bij mij thuis aangekomen, vroeg ik hem of hij zoiets gevaarlijks alsjeblief nooit meer wou doen. Hij zei alleen dat ik niet zo moest blèten, want hij was er toch veilig vanaf geraakt. Morgen zou hij mijn fototoestel wel teruggeven.   “Zonder fout, Bart,” zei ik, “want als mijn moeder het merkt dat ik haar spullen uitleen, dan zwaait er wat.”   “Ja ja, geen probleem!”     In mijn bed bonkte mijn hart nog van opwinding. Even leek het alsof ik in de verte weer die oerkreet hoorde en vogels die opvlogen, maar dat was waarschijnlijk inbeelding. Het duurde minstens een uur voor ik in slaap sukkelde. Mijn teddybeer had ik al lang niet meer zo omkneld als toen.     ’s Anderendaags ’s morgens nog voor ik naar school vertrok, zette ik de computer op en zag ik dat de laatste foto die ik de nacht ervoor getrokken had, al op Barts Netlog stond, met daarnaast een scan uit een Rode Ridderboekje waarin de Rode Ridder ook in een molenwiek was gekropen. In zijn status stond geschreven ‘Bart doet stunt van Johan de Rode Ridder achterna’. Ondanks het feit dat de foto inderdaad veel te donker was, had hij hem toch zo kunnen bewerken dat duidelijk genoeg bleek dat hij het was die aan die wiek hing en naar de camera wuifde.   ’s Avonds voegde ik als commentaar bij zijn status toe: ‘Maar Johan de Rode Ridder liep de volgende dag niet krom van de rugpijn’. Het was gemeen, vond ik zelf, vooral omdat hij niet gevallen was, maar naar beneden gesprongen, en ook omdat ik toch jaloers was dat híj het had gedurfd en ik niet.   Pas een week later kreeg ik eindelijk het fototoestel terug en kon ik het weer in mijn moeders lade leggen. Tijdens het wissen van de foto’s zag ik dat hij nog een extra foto had getrokken waarop hij met Mieke zoende, en hoewel ik wist hoe het moest gegaan zijn, vond ik het toch jammer dat het net Mieke was.  

Hans Van Ham
0 0