Mijn behoefte aan controle is niet uit het niets ontstaan, hij is gegroeid in een omgeving waarin controle ontbrak, waarin emoties niet werden opgevangen en grenzen niet duidelijk waren, en ergens heeft mijn systeem besloten dat als niemand het overzicht bewaakt, ik dat dan maar moet doen.
Waar mijn moeder losliet of afwezig bleef, ben ik gaan vasthouden, plannen, vooruitdenken, omdat onvoorspelbaarheid voor mij geen kleine ongemakkelijkheid is maar een oud alarmsignaal dat direct wordt geactiveerd zodra iets afwijkt van wat ik had verwacht.
Controle geeft rust, maar het is een gespannen vorm van rust, een rust die afhankelijk is van het feit dat alles blijft zoals ik het heb uitgedacht, en zodra dat niet zo is voel ik hoe snel mijn lichaam omschakelt naar alertheid, alsof ontspanning alleen veilig is zolang ik de regie behoud.
Ik zie het terug in kleine dingen: hoe ik scenario’s vooruitdenk, hoe ik moeite heb met plotselinge veranderingen, hoe ik sneller corrigeer dan misschien nodig is, niet omdat ik streng wil zijn maar omdat ik diep vanbinnen geloof dat als ik het niet bewaak, het misgaat.
Het moeilijke is dat controle ooit een oplossing was, een manier om overeind te blijven in een situatie waarin niemand het voor mij deed, maar dat dezelfde strategie nu soms spanning creëert waar die niet nodig is.
Ik sla er niet in door omdat ik macht wil, maar omdat mijn systeem veiligheid verwart met beheersing, en loslaten niet voelt als vertrouwen maar als risico.
En toch begint er iets te verschuiven, langzaam, niet groots, maar merkbaar, in het besef dat niet alles wat ik probeer te controleren ook daadwerkelijk van mij is om te dragen.
Misschien is volwassen worden voor mij niet leren meer grip te krijgen, maar leren verdragen dat niet alles onder controle hoeft te zijn om veilig te blijven.

