gisteren nog had ik de taal in mijn zak
nu rammelen de woorden als een sleutelbos
aan de broekriem van een makelaar:
niet één opent zijn eigen huis
gisteren nog pasten mijn woorden als deksels
op een voorraadpot, nu is het maatverschil te groot
om wat ik zeg of schrijf of fantaseer naar behoren
af te dichten met een draai of slotakkoord
mijn taal drijft rond in open zee, er is geen
land in zicht, alleen een vormeloos gedicht,
ongefilterd in een glas smaakt het naar toen ik
zeeziek was en terug naar huis verlangde
geen punt of komma te bekennen, alleen maar
openstaande sluizen en het ongehinderd stromen
van in zilt gegoten woorden die bij toeval in mij
komen om mijn woningnood te stillen
ik waan me graag een golf voor één moment, tot ik
stuksla op een kust en aanspoel, misschien ergens,
en dan teruggeworpen word in zee en weer over
potjes begin en sleutelbossen en heimwee

