in dit bos wandel je liefst op kousenvoeten,
onder dit doorzondak van vederlicht bladgoud
loop je de scherpe kantjes van je stemming af
en dompel je je onder in wisselbaden van
sprookjeswater, geurend naar paddenstoelen
en zongerijpte hei, je scrubt je huid met
stuifzand en verse dennennaalden en droogt je af
aan het gefilterd hemellicht, dan vlij je loom
geworden neer in de ronding van een omgevallen boom
je doezelt tot je vaag kabouterstemmen hoort
en alles wat niet meer bestond tot leven komt
en alles wat bestaat tot stilleven verstomt, omdat
jij je naam en tijd vergeten bent, je zwaartekracht
hebt afgelegd, en het hakketakken van je apenbrein
op sterk water hebt gezet, voor als je eraan terugdenkt

