‘Waar is ze nu?’
De vraag komt binnen als een mokerslag.
Ik kijk naar de foto op de muur.
Ze staat tussen de golven.
Sprankelend. Ze lacht. Ze is het leven.
We waren op vakantie in Griekenland.
Ze is en blijft mijn muze, mijn godin.
De lucht was helder, blauw.
Het strand warm, wit.
De zee diep, helder.
‘Waar is ze nu?’
vraagt de bezoeker,
als ik niet antwoord.
Ik kijk naar het plafond.
Ik aarzel.
‘Ik geloof niet in het hiernamaals!’
‘Oh, nee?’
‘Nee. Maar ik praat wel tegen haar.
‘Oh, ja?’
‘Ja, elke dag. Als ik de hond uitlaat.’
‘Waar praten jullie over?’
‘Over koetjes en kalfjes.
De dagelijkse dingen. Het weer,
de pijntjes, de vreugdes.’
‘Dus, ze is er nog.’
‘Ja. Ze is er nog.’
De volgende ochtend
maak ik met de hond
een strandwandeling.
Ze trekt aan haar leiband.
Ik maak haar los.
Ze springt en ravot in het zand.
Ze blaft en beukt tegen de golven.
Ze baadt in de zee.
Ze verdwijnt uit het zicht.
Ik roep haar.
Ze springt uit het water.
Rent naar me toe.
Blaft.
Bespringt me.
Likt mijn gezicht.
‘Je bent er nog, hè!’
zeg ik.