Margaretha Juta

Gebruikersnaam Margaretha Juta

Teksten

Uit: De jongen die windjes verzamelde

Een van de voordelen van enig kind zijn, is dat je ouders meer tijd voor je hebben. Met mijn vader ga ik graag honkballen op het speelveldje bij de rivier.  Als hij thuis is, roept hij: ‘zullen we straks een potje honkballen?’ Hij hoeft bij thuiskomt geen scheidsrechter te spelen omdat ik achter mijn broer aanzit en mama stoor die het avondeten klaarmaakt. Mama hoeft nooit over te koken van woede. Die ene keer  dat de pan spaghetti overkookte toen ze gebeld werd door het ziekenhuis en als aan de grond genageld met de telefoon in haar hand bleef staan, was papa heel boos op de pan, maar niet op mij. Ik kon er niks aan doen. Het was de schuld van de telefoon. Bij ons thuis wordt er niet gerend. Gillen doet alleen de waterkoker. De pannen gaan wel eens tekeer. Maar dat is een goed teken. Want dan smaakt het eten heel lekker. ‘Mams, is het goed als ik even ga honkballen met papa?’ ‘Ja. We eten over een half uurtje.’ Ik pak mijn nieuwe handschoen die ik voor mijn zesde verjaardag van papa en mama heb gekregen. Het leer glanst en ruikt naar nieuw. Maar zoals je nieuwe schoenen eerst moet inlopen voordat ze echt lekker lopen, moet ik eerst heel veel ballen vangen met mijn handschoen voordat hij goed zit. Toen ik hem kreeg voelde het leer stug aan. Net karton. Ik was ontgoocheld. Maar papa verzekerde me dat het leer soepeler en soepeler zou worden. Net zoals de soep smeuïger wordt als mama erin roert. ‘Als je er heel veel mee vangt wordt de handschoen soepel! Wanneer ik mijn handschoen niet gebruik, ligt hij geveterd op de bank.   Dat heeft papa me ook geleerd. Hoe ik mijn handschoen soepel krijg, ook als ik hem niet gebruik. Door hem te veteren. ‘Je neemt een veter en strikt je handschoen dicht. Net zoals je een lint om een cadeau knoopt. Hoe strakker hoe beter. Daar wordt het leer soepel van. Kijk, op deze manier.’ En papa veterde de handschoen. Hij legde er een dubbel knoop in zodat de handschoen niet open zou springen.  Elke keer als ik mijn handschoen open strik, voelt het alsof ik jarig ben. Dat is ook een voordeel van alleen zijn. Bijna elke dag ben ik jarig. Papa heeft altijd tijd om honkbal met me te spelen. ‘Ik kom er aan. Ik veter mijn handschoen los,’ roep ik naar papa die bij de deur wacht. ‘Oei, wat zit de knoop er strak in. Ik krijg hem niet los. Had ik maar zo’n scherpe nagels als mama.    

Margaretha Juta
1 0

Voetballen in het paradijs

Op een prachtige herfstdag, een halve eeuw na 'de overtreding', werd hij niet aangehouden toen hij het park binnenfietste. Tot zijn verbazing was het politiegebouw omgetoverd tot een grand café 'De Nachtegaal',  tevens de naam van het park.   Hij ging daar aan een tafeltje zitten met uitzicht op hun 'voetbalveldje'. Vervreemdend hoe een lachende ober een menukaart in zijn handen duwde en even later de rekening.   Hij kon de agent die hem woest van zijn fiets sleurde omdat hij het fietsverbod keer op keer aan zijn laars had gelapt, en hem, nog een kind,  totaal onverwacht een boete gaf, maar niet uit zijn hoofd zetten.   Zijn vader was razend geweest  toen hij thuis kwam. Als Adam met Eva, was hij op die bewuste dag uit het paradijs verbannen. Hij zou het nooit vergeten,   ‘Een koffietje graag!’  Hij voelde de warme zonnestralen op zijn, van ouderdom gerimpelde gezicht. Hij luisterde naar het geruis van de kloeke bomen. Het razen van de auto’s op de ring haalden hem uit zijn dagdroom. Ze reden naar de Nederlandse grens waar hij inmiddels vandaan kwam. De jonge fietsers op het  fietspad  dat nu als een groene ader door het park liep, genoten zonder dat ze het  wisten van hun 'nieuwe' vrijheid. Hij nam kleine slokjes van zijn koffie. Verliefd keek hij naar het bomen koppel, dat ooit als doel had gediend. Nu zat een verliefd stelletje in hun midden, op een tapijt van bladeren te zoenen.   Het liefst had hij de bal van onder zijn snelbinder gerold. Hij zou met zijn vrienden  weer een potje voetballen. Alsof de tijd had stilgestaan. Een dribbel, een pas, een schot. Een prachtig doelpunt als apotheose.   Maar de tijd staat niet stil. Noch laat de liefde zich verdrijven. En de dood zit op de hielen van oude mensen.   Toen kwam  een medewerker van het park met een bladblazer langs. De man zag met lede ogen toe hoe al zijn herinneringen op een hoop werden geblazen. Het maakte een vreselijk kabaal!   Hij stond op, haalde zijn huurfiets van het slot,  en liep met een onwerkelijk gevoel uit het park.                                          

Margaretha Juta
0 0

Bonbon

Normaal trek ik nooit naar een outlet, een burcht van karton aan de rand van de stad waar verkopers hun pijlen hebben gericht op het kuierende, koopkrachtige volk.   Nee, ik hou niet van shoppen.Ik koop, dus ik besta,is niet aan mij besteed.   Ik draag geen dure merkkleding. Ik drink geen exclusieve wijnen. Ik kook niet uit Zwitserse pannen. Ik draag geen zijden lingerie. De Japanse tijd tikt niet aan mijn pols. Mijn oksels ruiken naar mij.   Maar nu is alles anders, Er is een uitbraak van het Corona-virus De regering heeft de noodtoestand uitgeroepen. Ik ga dood, dus ik besta, is het nieuwe voelen, proeven, passen.   Er is geen levende ziel te bekennen. De deuren van de winkels staan wijd open, Het lijkt well of de pianomuziek die uit de luidsprekers galmt  achter de feiten aanholt.   Kan je angst afkopen? Welke winkel zal ik eens binnengaan?  Ik ben hier toch. Een dolende geest. Waar shop je als het lijkt alsof de wereld is vergaan en je bent bij toeval de laatste shopper? Wat heb je dan nodig? Een nieuwe jas?  Sportschoenen met dikke zolen? Sexy lingerie? Lindt, de chocolatier op de hoek is open. Bonbons? De paashaas lacht me toe. Iets beters kan ik ter plekke niet bedenken.    Ik schrik van de prijzen.  Maar ze hebben daar iets op bedacht. Hoe meer bonbons je koopt, hoe groter je korting is. Als je 31 bonbons koopt, ben je het goedkoopste uit. Maar zoveel bonbons heb ik toch niet nodig? Ook niet als ik ze met mijn man en dochter deel. Het is crisis in mijn hoofd. Ik ben zo slecht in rekenen met bonbons.   Met zes bonbons in een doorzichtig zakje, loop ik naar huis. Het leven smaakt vandaag naar chocola met champagne vulling.                          

Margaretha Juta
9 0

Stinkend jaloers

Anne bladert in het fotoalbum. Ze ziet zichzelf terug als baby. Ze lacht. Een foto trekt haar aandacht. Op de foto is een toiletpot te zien. De klep staat open. Het lijkt wel alsof de pot geeuwt van verveling. Anne schuift haar bril naar boven. Op de bodem ziet ze iets liggen. Een enorme... Anne doet alsof ze moet overgeven. 'Wat ligt daar?' vraagt ze aan mama die over haar schouder meekijkt. 'Een drol. Dat zie je toch!' 'Dat bedoel ik niet. Ik zie ook wel dat daar een drol ligt. Ik heb het over de vorm.' 'Oh. Dat!' zegt mama. In de pot ligt een perfecte Y. Niet een van chocola, maar een van poep. Het lijkt wel alsof Sinterklaas hoogstnodig moest poepen en toen maar een letter in de toiletpot heeft achtergelaten. 'Wie heeft die Y gepoept? Toch niet Yasmin?' vraagt Anne ongelovig. Yasmin is haar jongere zus. Ze zijn altijd elkaars rivalen geweest.Anne voelt een steek van jaloezie. Tot overmaat van ramp zegt mama lacherig: 'Hoe raad je het!' Mama wijst naar de driedimensionale letter in de pot en zegt: 'Nog voor Yasmin kon schrijven, poepte ze de eerste letter van haar naam. Knap, he! Daarom heb ik deze foto genomen. Een drol kan je niet bewaren, zoals een tekening, een tand of een trofee. Mama heeft een koffer vol herinneringen. Anne kijkt met afschuw naar de drol. Gelukkig is de foto gemaakt in het stenen tijdperk. Toen Instagram nog niet bestond. Ze moet er niet aan denken hoeveel likes deze foto zou hebben gekregen als hij vijftien jaar later gemaakt was. Er bestaan in de wereld vast niet veel mensen die het presteren om de eerste letter van hun naam uit te poepen alsof het een koud kunstje is.            

Margaretha Juta
2 0

De prins zonder naam

‘Pssst,’ klinkt een stem uit de boekenkast. Van schrik laat Anne het boek dat ze aan het inbladeren was, vallen. Met een harde klap valt het op de grond. De bladzijden doen de split, lijkt het wel. Anne bukt zich en pakt het boek op. Ze klapt het weer dicht. Boeken horen niet te dansen. Als ze het terug in de kast wil zetten hoort ze weer dat brutale stemmetje.  ‘Pssst! Hier!’ Anne hoort het goed. Iemand zit in de kast verstopt.  ‘Psst. Ben je blind of zo!’ Ze kijkt op. Op de boekenkast ligt een jongen. Plat op zijn buik. Hij kijkt haar grijnzend aan.  ‘Wat doe je daar?’ vraagt Anne. Ze klinkt als een juf die een stout kind betrapt achter de deur. ‘Liggen,’ antwoordt de jongen.  ‘He, he! Dat zie ik ook wel. Waarom lig je op de boekenkast?’ ‘Waarom niet?’ ‘Je bent toch geen boek?’ ‘Nee. Maar je moet toch geen boek zijn om op de boekenkast te liggen.’ ’Maar we zijn in de bibliotheek!’ ’Nou en! Staat er soms ergens geschreven dat je niet op de boekenkast mag liggen?’ Anne haalt haar schouders op. Ze heeft nog nooit zo’n bord gezien. Maar er hangt in de trein toch ook geen bord dat je niet in het bagagerek mag liggen? Ze heeft een keer dronken studenten in de trein gezien die in het bagagerek waren gaan liggen. Toen de conducteur kwam, waren ze de klos. Zou de jongen dronken zijn? Ze kijkt hoofdschuddend naar de jongen. Hij heeft blonde lokken die tot op zijn schouders vallen. Grote blauwe ogen. Een spitse neus. Hij heeft iets engelachtig. Een ondeugende engel. ‘Hoe heet je?’ ‘Wat stel je toch domme vragen.’ ‘Mag ik ook niet weten hoe je heet?’ ’Iedereen die boeken leest, weet hoe ik heet.’ ‘Weet jij dan hoe ik heet?’ vraagt Anne. De jongen schudt zijn hoofd. ‘Nou dan?’ ‘Ik lees geen boeken.’ Ik heb je, denkt Anne.  ’Wat doe je hier dan?’ Maar ineens gaat er iets dagen. Die broek. Dat jasje. Die droevige blik. Anne kijkt naar de omslag van haar boek. Van de omslag naar de jongen. Het is hem. Geen twijfel mogelijk. In het echt, zonder sporen van gebruik, ziet hij er jonger uit.  De kleine prins.  Een vraag brandt op haar tong.  ‘Waarom heet je eigenlijk Kleine Prins? Heb je geen naam?’  Plots begint het gebouw te trillen. Een boek valt uit de kast. Gevolgd door nog een. En nog een. En nog een. Het regent boeken. De hele bibliotheek loopt onder. De kleine prins omklemt de randen van de kast als een bobsleeer de hendels van zijn slee. De kast zwiept heen en weer. Dan valt hij om. Anne kan nog net op tijd wegspringen. Overal schreeuwen mensen. Ze banen zich een weg naar buiten door de zee van boeken. Het alarm gaat af. ‘Een aanslag!’ roept een man. 'Een aanslag op de bibliotheek!' Iedereen gilt. ‘Er ligt een jongen onder de boekenkast,’ schreeuwt Anne. Haar stem verdrinkt in het rumoer.  ‘Rennen voor je leven!’ Een hand grijpt Anne. Ze wordt meegesleurd naar de nooduitgang. Buiten, op veilige afstand, ziet ze dat ze haar boek is kwijtgeraakt. Het volgende moment stort het gebouw als een kaartenhuis in elkaar. Nu komt ze nooit te weten hoe de kleine prins in het echt heette, denkt ze droevig.            

Margaretha Juta
0 0

Engelse les, acht hoog

Write p-o-t, pot.’ Het meisje schrijft p o t ‘Very good!’ zegt de lerares. ‘Write d-o-t, dot.’ Het meisje schrijft d o t ‘Wonderful!’ ‘Write t-o-p, top.’ Het meisje schrijft t o p ‘Great!’ ‘Write o-k-t-o-p-u-s, octopus.’ Het meisje schrijft o k t o p u s Haar letters kronkelen als tentakels over het papier. Ze is moe. ‘Fantastic!’ ‘Write b-oo-k.’ Het meisje schrijft b, stopt een ‘u’ als een boekenlegger  tussen de b en de k. B u k. De lerares denkt: logisch. ‘Very good!’ ‘Last word for today: box!’ De lerares probeert  opgewekt te klinken. Maar het liefst kruipt ze  nu in een verhuisdoos met afzendadres: Home. Holland.  Het meisje zucht. Dan glijdt haar pen als de schaatser Yuzuru Hanyu op een been over het volgekraste papier. Ze maakt sierlijke rondjes en eindigt met een x. Haar ogen lichten op. Plots begint de kamer te beven Het gebouw zwiept als een enorme bordenwissers  van links naar rechts in de hemel. De zon verdwijnt. Wolken vluchten. ‘Earthquake’ zegt de lerares. ‘Jishin,’ zegt het meisje.  De lerares steekt haar duim op. ’Eartu-ku-weku’ herhaalt het meisje. De lerares tovert een flauwe glimlach  op haar vermoeide gezicht. Na tien tellen stopt de  aarde met beven. De lerares gaat verder met dicteren.  ‘Write b-e-d’ Het meisje schrijft b e d. ‘Amazing!You did it!’ Het duizelt in het hoofd van de lerares. De letters van het meisje zijn op een paar na, ongedeerd gebleven. De lerares klapt in haar handen. ’I’m proud of you!’   Sendai, Japan  24 augustus 2019  

Margaretha Juta
3 0

Trauma

Ze loopt de stad in op zoek naar sporen van Trami. Vanochtend op het nieuws zei de nieuwslezer: ‘Typhoon nr 24 woedde in de nacht van 1 oktober over Noord Japan en heeft daar  geen menselijke slachtoffers gemaakt.’ Nr 24? Zou dat uit respect zijn voor de slachtoffers? In het zuiden zijn slachtoffers gevallen. Net zoals misdadigers een balkje voor hun ogen krijgen? Jammer voor de man of vrouw die betaald heeft voor de naam Trami. Hoeveel, vraagt ze zich af? Wat kost een typhoon als Trami? Trami ging vannacht flink tekeer. Klokslag drie uur stond Trami voor haar deur. Trami klopte aan alsof ze van een knokploeg was.  ‘Trami hier. Doe de deur open. Iedereen in huis, meekomen jullie. We maken jullie af.’ Ze beefde van schrik en kroop onder haar dekbed, dunner dan haar angst. Trami ramde op de deur.  Haar laatste minuten op aarde waren geteld.  Toen werd het stil.  Sloop Trami naar het volgende huis? Ze hoopte vurig van wel. Mensen zijn egoïsten. Ze is geen haar beter dan de rest. Haar hoop vervloog toen Trami als een gek aan haar luiken trok. Die sloerie was op haar balkon gekropen! Ze had het op haar gemunt. Niet op haar buren. Trami was razend. Ze maakte de hele nacht een hels kabaal. Toen de zon opkwam, gaf Trami het op. Voordat ze zich uit de voeten maakte, rukte ze nog wat planten uit de grond,  duwde een fiets omver. Maakte uit frustratie de bel kapot. Zo is Trami! Kleinzielig in haar wraakzucht. Nu zoekt ze naar sporen van Trami. Als een soort van trauma verwerking. Voor wat ze heeft meegemaakt. Een boetedoening voor haar egoïstische gedrag van vannacht. Ze struint door de stad. Wat denkt ze eigenlijk te vinden? Een ontwortelde boom? Die als een liggend buddha’s langs de weg ligt. Zal ze bidden? Weggevlogen dakpannen? Ze retourneert ze wel per post, ‘adres onbekend’. Omvergevallen vuilnisbakken? Ze duwt hun ingewanden terug naar binnen. Als een dokter. Maar het is alsof de stad haar niet wil vergeven. Trami heeft geen spoor achtergelaten. Als ze terug naar huis loopt, komt ze de buurvrouw tegen. Ze herkent haar grappige hoedje van op afstand. Een klein detail springt in het oog.  De blauwe hoed is vastgeklipt aan de boord van haar hemd. Die hoeden clip heeft ze niet eerder gezien. Vast voor Trami. Dat is het teken. Trami heeft gesproken. De buurvrouw draait zich om.  ‘Wat een nacht, he!’ ’Inderdaad. Ik ben blij dat u nog leeft.’ ’Ha,ha,ha!’ De buurvrouw lacht. Ze heeft haar buurvrouw aan het lachen gebracht. Dat lucht op!      

Margaretha Juta
0 0

Eerste schooldag

Iedereen is druk in de weer in huis bij familie Luis. Vandaag gaat de tweeling voor het eerst naar school. Er moet nog zoveel gebeuren. Mama kleedt Anne-Marie aan.  Haar nieuwe jurk staat haar goed. Nu nog twee vlechtjes. Afgewerkt met zijden strikken. Restanten van de stof voor de jurk. Zo is het haar ook netjes aangekleed.   In de badkamer poetst papa de tanden van Peter. Nu nog zijn haarscheiding. Met een klodder gel blijft  zijn haar mooi gescheiden en raakt het niet in de war  van al die moeilijke sommen.   Beneden in de woonkamer huilt de baby. De poes steekt zijn poten door de spijlen van de box. Hij wil de vogel pakken, maar schrikt als die begint te loeien.   Wanneer de kom met Brinta leeg is, springt iedereen op de fiets. De zon straalt als een nieuwe euro. De wind geeft duwtjes in de rug. Het belooft een mooie dag te worden.   Bij het schoolhek is het al druk. Het ziet zwart van de kinderen. Je kan zien wie nieuw is. Meisjes hebben rode wangen. Jongens maken selfies met hun schoen. Allemaal houden ze de hand van hun papa of mama vast alsof ze superlijm zweten.   Dan gaat de bel.  Iedereen loopt naar binnen. De juf wacht bij de deur van de klas. ‘Welkom!’ Ze aait de kinderen een voor een over de bol alsof ze raadt uit welk land ze komen. Zwarte krullen: Afghanistan. Blonde pony: Nederland. Kaal: Marokko.  Ze is dol op reizen naar exotische landen. Aan de ouders geeft ze een hand.   Maar wat gebeurt daar nu? Als Anne-Marie en Peter aan de beurt zijn trekt de juf een raar gezicht. Alsof ze iets vies ruikt. Alsof Peter de prullenbak over zijn hoofd heeft gegooid.  En Anne-Marie in de poep is gestapt. De juf gilt zo hard dat de hele school trilt. ‘Luizen! Niet een, maar twee!’ Ze houdt haar hand in de lucht. Als een politieagent met een kogelvrij vest wringt ze haar dikke kont tussen de deur. En snert tegen Anne-Marie en Peter. ‘Jullie komen er niet in!’   Ouders in de gang hebben alles gehoord. Ze brommen: ‘Het is een schande. Hoe halen ze het in hun hoofd om hun kinderen naar deze school te brengen?’ Ze kijken naar papa en mama Luis alsof het kindermoordenaars zijn. ‘De arme kinderen. Je zal maar zo’n ouders hebben!’ ’Dit is een luisvrije school,’ fluistert een mama. Papa en mama zakken in de grond van schaamte. Hun hart bonst tegen hun slapen. Wat doet het pijn als mensen zulke vreselijke dingen zeggen.  Het meest schamen ze zich dat de  tweeling alles hoort.   Dan pakt mama de hand van Anne-Marie. En papa pakt de hand van Peter. ‘Dit is geen geschikte school,’ zegt mama. Ze houden hier niet van onze soort,’ zucht papa. ‘Jullie krijgen thuisonderwijs,’ zegt mama alof ze net haar juffendiploma heeft gehaald. ‘Dan worden jullie nooit meer gepest.’ Deze school is de laatste druppel.   Maar Peter en Anne-Marie willen niet weg. Hete tranen rollen over hun wangen. Ze hadden zich zo verheugd op deze dag. Ze wilden zo graag nieuwe vrienden maken. Ze kunnen het bloed van de juf nu wel drinken.                                    

Margaretha Juta
0 0

Sucadelapjes in de hemel

Elke keer verrast het me hoe helder kinderen kunnen denken. Op de grote vraagstukken van het leven geven ze met flair antwoord. Zoals een slager zijn plakje vlees vanonder de toonbank pakt, het op de weegschaal legt en als hij het zwaar genoeg vindt, zegt: ‘Een heerlijk stukje mals vlees. Maar een paar minuutjes bakken in de pan, hoor. Met een klontje boter. Dat is het lekkerst.’ Zoals dat stukje vlees ligt het antwoord klaar op de tong van een kind.   Op een dag bracht ik mijn kleindochter naar school. Ze reed voor me uit op haar fiets met zijwieltjes. Ik was met de benenwagen. Mijn wandelstok die mij behoedt voor het vallen, was thuis gebleven, als een jaloerse vriendin. Als ik op stap was met mijn ‘grote’ vriendin zoals ik mijn kleindochter noemde, voelde ik me tien jaar jonger. Dan liep mijn stokoude vriendin ons alleen maar voor de voeten.     Bij het kruispunt zei ik streng: Oppassen voor de auto’s! Mijn kleindochter volgde mijn aanwijzingen op als een soldaat de bevelen van zijn kolonel. Ze bleef stokstijf staan voor het rode licht. ‘Ja, oppassen voor de auto’s, anders ben ik dood,’ zei ze gelaten. ‘Aska weg, mama weg, papa weg, oom Michel weg, tante Veerle weg, opa weg, oma weg.’ Het was alsof ze allemaal langs marcheerden. De doden.     Toen sprong het licht op groen. We staken over en bereikten veilig de andere kant van de weg. Alsof we succesvol de styx waren overgevaren. Op school leverde ik haar keurig af in de klas. Als een pakketje. Zonder het kleinste deukje. De juf bedankte drie keer. Ik glom van trots.   In diep gepeins liep ik naar huis. Ik dacht na over wat mijn kleindochter had gezegd. Over hoe ze dood zou gaan. Wat bedoelde ze precies als ze zei dat iedereen weg was als ze dood was? Alsof ze kon toveren. Toen het rood op licht sprong, schoot ik wakker uit mijn gepeins. Ik wachtte geduldig tot het rode mannetje zou worden afgelost door het groene mannetje. Zijn dienst zat er bijna op. De hele dag wisselden de mannetjes elkaar af. Altijd op hetzelfde moment. Zonder klagen. Dankzij hun was de wereld een stukje veiliger.    Net als de op het eerste gezicht knullige mannetjes, begreep mijn dochter dat het leven geen spel was. Net zo min als de dood. Ze lieten niet met zich sollen. Voor haar leeftijd was mijn kleindochter heel volwassen. Het groene mannetje sprong op groen. Ineens begreep ik wat ze bedoelde.   Als je niet oplet in het verkeer en je gaat dood,  dan gaan de mensen die belangrijk voor je zijn ook dood. Want als je dood bent, kan je ze niet meer zien. Dus zijn ze ook dood. Eigenlijk was het heel simpel. Zelf had ik het niet bedacht.   Ik had niet meer lang te leven. Ook al paste ik heel goed op in het verkeer. ‘Opa is stokoud,’ zei mijn kleindochter zonder blikken of blozen. Alsof ik een stokbrood was die je na een dag in de oven doet. Zodat hij weer knapperig wordt. Straks, als ik in de oven ga, neem ik wel lekker iedereen met me mee, grinnikte ik tegen mezelf. Om in de woorden van mijn kleindochter te praten. Doodgaan leek me ineens een stuk gezelliger. Ik zag ons allemaal samen zitten, niet bij, maar in het haardvuur. Zelfs mijn grootste vijanden zouden met mij branden.   Ik naderde het winkelcentrum. De geur van de bakker kwam me tegemoet. Alsof de vrouw van de bakker me persoonlijk een warme hand gaf. ‘Oh ja, ik moet nog langs de slager,’ bedacht ik me ineens. Ik was het bijna vergeten! ‘Oma vroeg of ik twee sucadelapjes voor vanavond wilde halen,’ mompelde ik. Mijn geheugen werkte steeds slechter. Opa was niet alleen een stokbrood. Opa had ook de hersenen van een gatenkaas. Straks dronken ze opa’s wijn nog! Du pain, du vin, Boursin!   Ik liep snel naar de slager voordat ik het weer was vergeten. In de hele wereld bestond er niets lekkerder dan de sucadelapjes van oma. Hoe kon ik ze vergeten? Met aardappeltjes en rozemarijn in de oven. Ik watertandde. ‘Zouden ze in de hemel ook sucadelapjes in de oven hebben?’ Vast wel.                           

Margaretha Juta
0 0

De geesten van de tsunami

‘Ok, baas. Ik haal hem nu op.’ Tanaka san klonk als een windstille zee. Maar iedereen die hem zag, zou schrikken. Zijn gezicht was lijkbleek. Zijn gevoelens gingen op en neer. Als hoge golven. Waarin hij elk moment kon verdrinken. Zo ontzettend gestresst was hij. Vanavond ging hij Hanna ten huwelijk vragen. In zijn hoofd zei ze ‘ja’. Maar een ander stemmetje zei: ‘nee’. Ja, nee, ja, nee, wisselden elkaar in razendsnel tempo af. Tot ze een woord waren. Het liefst wilde hij zijn hoofd uitzetten als een kapotte lamp. Hij trilde. Zijn vingers voelden klam aan. Ze gleden voortdurend van het stuur. Hij zocht naar zijn witte handschoenen in het laatje. Ze lagen er niet. ‘Oh, ja,’ bedacht hij ineens. ‘Ze hangen aan de waslijn!’ Hij zag zijn handschoenen al naar de voorbijgangers zwaaien. Hij kon zichzelf wel voor de kop slaan. Als het maar niet ging regenen. Verdwaasd keek hij naar de hemel. Zeemeeuwen vlogen onder donkere wolken. Als lenige surfers op de golven van de wind. Het zou nu vast gaan regenen. Shit. Een vliegtuig met een rode vogel op zijn staart vloog over. Op dat moment klonk door de intercom van het vliegtuig: ‘We gaan over een paar minuten landen. Wilt u uw tafeltje voor u inklappen en blijven zitten. Tot we geland zijn. Vergeet niet uw veiligheidsgordels aan te doen voor uw eigen veiligheid.’ De pictogrammen op het scherm lichtten op. De passagiers volgden de instructies op. Tanaka san drukte de hendel in van zijn richtingaanwijzer. De rode pijl gaf links aan. Hij vloog met zijn taxi naar de vlieghaven. Hij had haast. De klant was al uitgecheckt en wachtte bij terminal 1. Het zou zijn laatste klant zijn voor vandaag. Daarna was hij vrij. Normaal reed Tanaka san altijd met zijn navigatiesysteem aan. Maar in de buurt van de vlieghaven zette hij hem angstvallig uit. Het was nog maar zes maanden geleden dat het gebied compleet verwoest was door de tsunami. Tanaka san reed door een leeg landschap. Hier en daar was een weg opgeknapt. Het ergste puin was opgeruimd. Maar op zijn navigatiesysteem stond alles er nog: de rijstvelden, de scholen, de woonhuizen. De bruggen, de wegen. Ook de nog intacte dijk waarover hij reed. Alsof er nooit een tsunami was geweest. Hij reed door een schijnwereld. In die wereld kon elk moment iemand uit zijn huis stappen en een taxi aanhouden. Net zoals zijn handschoenen naar voorbijgangers zwaaiden. Tanaka san was als de dood dat hij een geest zou oppikken. Het hele gebied krioelde van de geesten, zei men. Geesten van vermisten die nooit begraven waren. Maar die als elke andere dode naar de hemel wilden.  

Margaretha Juta
0 0

Naaktmodel

Toen ik student was, verkeerde ik eeuwig in geldnood. Ik was altijd op zoek  naar een manier  om snel geld te verdienen.   Op een dag viel mijn oog op een bijzondere advertentie op het prikbord van de universiteit.   Tussen de ijskasten, de stoelen,  de tafels, de boeken, de computers die als aangespoelde spullen  wachtten om meegenomen te worden door strandjuttende studenten, op een vervuild strand van zachtboard, leek de advertentie op een kwal die kon bijten en gevaarlijk was.   Men zocht naar naaktmodellen leeftijd, kleur, lichaamsvorm  deden er niet toe. Als enige vereiste gold: naakt.   Ik slikte. Ik was niet het type dat het naaktstrand bezoekt om zich lekker in zijn vel te voelen. Ik was meer het type dat los komt in een verscholen hoekje van een donker café, helemaal achterin, uit het zicht van iedereen. Om me uit mijn kleren  te krijgen moest je me stomdronken voeren.   Ik stelde me Eva voor die naakt is. Zonder Adam, vijgenblad en slang. Het was winter.  Ik had nog nooit afbeeldingen gezien van het paradijs in de sneeuw. In het paradijs zoals ik die kende, scheen altijd de zon en was  alles groen.   Het was winter.  Buiten, op de takken van de bomen  lag een dun laagje sneeuw.  Alsof een kleuter met witte stift bezig was geweest.  Hij was niet binnen de lijntjes gebleven.   Eva in de winter. Ik stelde me koude tenen voor. Hete lucht blazen in de schelp van  mijn handen als enige verwarming.  Een handdoek om mijn schouders, in de pauze.  Een kop koffie met melk, suiker en geile blikken. Wilde ik wel zo’n Eva zijn?     Toen ik zag hoeveel Eva’s  vandaag de dag verdienen, 50 gulden voor drie uur poseren, belde ik snel het tien cijferig nummer van het paradijs op aarde.   Ik was te slotte geen moderne Odysseus die zich aan een bibliotheek stoel  laat vastbinden of zijn oren dicht  laat stoppen met kneedbare oordopjes. Voor het royale bedrag van 50 gulden, in bier heel veel glazen en meters schuim, kon ik de lokroep van een groepje amateurkunstenaars niet weerstaan.   (wordt vervolgd)                                        

Margaretha Juta
15 0

Boodschap

Meneer de Bruin meldt zich. Ik kijk op de wekker.  Het is nog vroeg. Ik schuif het gordijn wat opzij.  Buiten is het donker. De zon ligt nog met haar hoofd onder haar dekbed van dons. De kapotte straatlantaarn  knippert met zijn ogen. Hij slaapt ook nog. Ik doe het gordijn weer dicht. En sla het dekbed van me af.   Beneden vind ik mijn pantoffels. Ze slaapwandelen in de gang. De poes is aan het ontbijten. Onder de kapstok en de jassen. Ze breekt met haar tanden de brokjes zalm tot gruis.   De geur maakt me misselijk. Als ze klaar is, neemt ze nog een paar slokken Van het water van gisteren. Alsof de ochtendmis begint. Dan verdwijnt ze in de kattenbak met haar staart op ‘bezet’.   Ik stap in mijn eigen poepbak. ‘Hoi bleke jongen met de bril die steeds van je neus schuift.’ Mijn ochtendhumeur krijgt  geen respons.  Ik ga zitten. ‘Wat zal het vandaag zijn?’ ‘Twee ons worst.’ Ik kom op dreef. ‘Ik heb zelfgemaakte bloedworst.’ ‘Doe maar gewone worst.’  ‘Komt voor elkaar.’ Ik legt een grote worst  op een dun velletje papier. De bril leest het gewicht af. Tweehonderd dertig gram.  ‘Mag het ook iets meer zijn?’ Meer?  Ik vreet toch geen papier? Ik trek door. Mijn worst wordt ingepakt.   Ik doe de deur open. Poes komt aan me ruiken. ‘Je stinkt uit je bek.’ Ze laat zich niet wegjagen. ’Je eet teveel brokjes.’ Ik pak haar staart. Ze rent bang weg.   Mijn maag knort. Ik heb honger. Ik wil wat eten voor ik weer naar bed ga. Ik slof naar de keuken. Ik trek de deur van de koelkast open. Het lampje springt aan. Ik stel me voor dat de zon ook zo aanspringt als ik  de voordeur opendoe. Dat zou koel zijn.   Ik pak een plak kaas. Ik rol hem op. Als een sigaret. Ik steek hem in mijn mond. Op tafel ligt een leeg, verfrommeld pakje. Roken is dodelijk. Ik draai het pakje de nek om. Pakjes horen niet te praten.   Ik zucht. Ik sluit de deur. De ijskast bromt als een kind dat niet wil slapen. Ik ga weer naar boven. Ik parkeer mijn sloffen in de sloffengarage onder bed. Ik ga op bed liggen. Poes gaat op mij liggen. Ik zet haar staart op ‘vrij’ en sluit mijn ogen.                      

Margaretha Juta
1 0

Toen roken nog heel normaal was

‘Ga je dat eten?’ vraagt het meisje.  ’Nee, hoor. Ik rol een sjekkie.’  De oude man is bijna klaar. Hij likt met zijn tong het vloeitje dicht. ‘Doe je dat in je koffie?’ ‘Het is geen suiker!’  De oude man steekt zijn sigaret op. Hij neemt een trek.  Hij zuigt zijn wangen naar binnen.  Alsof er een stofzuiger in zijn mond zit.  Net als bij de knuffels van het meisje wordt zijn gezicht vacuüm gezogen. ‘Jij hebt de kleinste koffie.’ Het meisje wijst naar zijn kopje en schoteltje.  ‘En hij heeft de grootste koffie.’  Nu wijst ze naar de medewerker van de snackbar. Hij drinkt zijn koffie uit een mok. ‘Hij heeft een grote mond!’ klaagt de oude man.  ‘En hij draagt een rok!’ grinnikt het meisje. De medewerker draagt een schort met het logo van de snackbar. De oude man lacht. ‘Hoe heet je?’  ’Jaap. En jij?’ ‘Yoshino.’ ‘Jordijn?’ ‘Nee, Yoshi-no.’  ‘Joshi-mo?’ ‘Nee. Yoshi-no.  NO.’  De oude man shudt met zijn hoofd. Wat een moeilijke naam. Hij heeft geen Engels geleerd op school. ‘Meisje, eet eerst je mond leeg.’ Het meisje neemt een lik van haar ijsje. Ze morst op haar nieuwe T-shirt. De moeder veegt de plek weg met een servet. ‘Hoe oud ben je meisje?’ ‘Ik ben drie. Ik word vier. Dan ga ik naar de basisschool, he mam?’ De moeder knikt. ‘En wat wil je later worden?’ ‘Niks.’ ‘Dat is het beste!’ zegt de oude man. ‘Eet nou maar snel je ijsje op voordat je helemaal onder zit!’ zucht de moeder. Het meisje likt alsof haar leven er van af hangt. De oude man neemt nog een trek van zijn sigaret.  ‘Straks heeft hij geen lucht meer in zijn longen,’ denkt de moeder bezorgd. 

Margaretha Juta
0 0