M’n cultuur is ni moeilijk,
iedereen doe fatsoenlijk.
Kleine kindjes, die vangen
eendjes vant kraam,
en de grotere kindjes
die verkloten hun lichaam.
De meisjes, die huppelen
rond met tutu’s,
glitterende vleugels en
roze toverstokken,
met hun voeten in
prinsessensokken.
Ze dansen en draaien,
kijk naar mij, Mama,
kijk wa ik doe,
ik ben aant vliegen,
en waarom ben jij zo moe?
De jongens, die lopen
rond met plastiek
in de vorm van een schild,
een zwaard of zoiets.
Schieten elkaar af met
een beetje fantasie.
Ze lopen rondjes
achter mekaar aan,
jagen op de ander
en roepen “Papa, zie!”
kijk naar mij, Papa,
kijk wa ik kan.
Ik ben de winnaar,
geef mij nu mijn applaus dan?
Het kerkplein loopt vol,
het is weer zo ver,
der is weer een reden
we doen allemaal schol.
Laat os dit vieren
met alcohol.
En dan weer naar huis,
de kofferbak vol
met de kids en de buggy,
de inkopen en de puppy.
T’is een goei leven,
denken ze dan.
M’n vrienden noges gezien,
de kinderen zijn moe
want die kunnen spelen
tot oogjes toe.
Shit, ik moet nog ne cadeau
want volgende week is Cindy jarig
op den bureau.
En zo gaat het voort,
en zo blijft het gaan.
Half aanwezige ouders
en kids die groeien en
dan op eigen benen gaan staan.
T’is haast een wonder,
we gaan net niet ten onder,
en een paar gelukkige zielen
ontsnappen het dealen,
gaan op hun weg en vinden
grotere dingen.
Maar wie ben ik,
om kritiek te geven?
Ik ben hier ook,
kben niet beter dan hen.
Ik stook graag een vuur,
een borrel is tof,
maar kweet ook wel beter
dan de gemiddelde prof.
Is da arrogant? Zeg ma ja of nee.
Alst een ja is dan ben ik
helemaal mee
in mijn cultuur,
in mijn wereld, want die
hou ik klein
zodat ik de grootste kan zijn.