Mijn beide hoektanden, dat is pas kunst,
niet de zonnebloemen van die malloot.
Hij kon veel , toch heeft hij het meeste verkloot;
als ik sterf, verleen ik hem zeker een gunst.
Zijn gelaat ademt wrok en oneffenheid.
Die bloem aan de rand heeft een slappe steel.
Ik zie het, omdat ik mij zo verveel.
Hij leefde in een nutteloze tijd.
Dat hij zich met zonnebloemen bekleedt
en zuivere kunst verafschuwt, niet waardeert,
zegt mij dat hij zijn vak niet meester was.
En maar lachen om het wereldse leed,
zelf de grootste ellende op het doek smeert.
Wat echt mooi is, logeert nu in een glas.
