1.
Als je je ooit hebt afgevraagd hoe het is om in een winkel te wonen, dan zou je het aan de knuffels van meneer Wan moeten vragen. Of aan meneer Teddy, de winkelkat. Die blijft ook elke nacht slapen, samen met de knuffels.
Misschien heb je er wel ooit van gehoord. Tenminste, als je van knuffels houdt.
Het is de grootste knuffelwinkel ter wereld en hij ligt in de grote stad. Dat is tweemaal ‘groot’, maar wat knuffeldieren zo groot maakt, is dat ze grootse dingen kunnen doen.
2.
Misschien moeten we eerst meneer Wan voorstellen. Na het einde van de oorlog in een ver land, waar nog een echte jungle was, ging hij in de grote stad van een ander land wonen.
Daar wonen veel mensen en die had meneer Wan nodig na de oorlog. Wellicht is hij daarom een knuffelwinkel begonnen.
3.
De winkelbel is nog een echte bel.
Meneer Wan staat in het werkplaats waar hij de knuffels maakt, maar de winkelbel hoor je van ver.
Charlotte komt met haar oma de winkel binnen. Voor Charlotte is het de eerste keer dat ze er komt, voor oma niet.
Met elk van haar kinderen en kleinkinderen is ze met de trein naar de grote stad gereisd om een bezoekje te brengen aan de winkel van meneer Wan. Daar mogen ze een knuffel uitkiezen.
Dit heeft Charlotte nog nooit gezien. Zoveel knuffels.
4.
“Dag Marlene”, zegt meneer Wan. “Ben je terug?”
“Ja. Maar niet voor het laatst. Tenminste, dat denk ik toch niet”, lacht ze.
“Dit is Charlotte”, gaat oma verder. “Mijn vierde kleindochter. De volgende wordt een jongen.”
“Dat zei je vorige keer ook”, lacht meneer Wan. “Maar ik veronderstel dat Charlotte een knuffel mag uitkiezen?”
Charlotte knikt met haar hoofd. “Ja”, fluistert ze, maar het is bijna niet te verstaan. Zo stilletjes zegt ze het.
5.
“Dan zal ik je even een paar mooie exemplaren laten zien. Is het goed dat ik knuffels van dieren toon? Soms zijn ze veel slimmer dan mensen.”
Charlotte denkt dat meneer Wan iets over de oorlog gaat vertellen. Oma heeft haar al verteld dat meneer Wan de winkel is begonnen toen hij uit de oorlog kwam. Gelukkig was hij niet gewond, want dat gebeurt ooit in een oorlog, als je aangevallen wordt.
Als die dieren meneer Wan in de oorlog hebben geholpen, zullen ze Charlotte ook zeker beschermen. Oma heeft nog verteld dat meneer Wan een van de slimste mensen is die ze ooit heeft gezien.
6.
“Dit is bijvoorbeeld een kameleon”, zegt meneer Wan. “Weet je dat die van kleur kunnen veranderen? Wij deden dat ook. Dan verfden we bijvoorbeeld onze gezichten groen, zodat de vijand ons niet zag in het bos.”
“Het leuke is dat je dat ook thuis kan doen bij het spelen. Maar dat moet je wel eerst aan je oma of aan je mama vragen. En best geen gewone verf gebruiken, waarmee je de muren verft”, lacht hij.
7.
“En dit is een wilde hond. Wij huilden in het bos ooit zoals een wilde hond. Om de vijand af te schrikken. Zullen we het samen even proberen?”
“Whou whouuuu”, roepen ze samen. Ook oma doet mee.
“En een gewone hond?”, vraagt Charlotte, terwijl ze een knuffelhond vastneemt. “Kan die ook iets bijzonder?”
“Gewone honden zoals wij die kennen zitten niet in het oerwoud. Maar een hond is wel heel trouw. En dat heb je in de oorlog ook nodig. Vrienden op wie je kan vertrouwen. Een goede vriend is daar misschien wel het allerbelangrijkste.”
9.
“Van een slang weet je ongetwijfeld wat die kan”, zegt meneer Wan. “Die kan heel goed sluipen. Dat moet je in een oorlog ook goed kunnen. ‘Goed laag blijven’, zei de commandant altijd. Probeer zelf maar even te sluipen zoals een slang.”
Oma doet niet mee, maar Charlotte sluipt door de winkel als een echte slang. “Ja, jij kan dat ook”, zegt meneer Wan tegen Teddy de winkelkat, die ook door de winkel sluipt.
10.
Samen bekijken ze nog heel wat knuffeldieren. Telkens heeft meneer Wan een bijzonder verhaal over het dier.
“Weet je al wie je gaat kiezen?”, vraag oma.
Meneer Wan ziet dat Charlotte twijfelt.
“Neem je tijd maar”, zegt meneer Wan. “Want een echte knuffel is zoals een vriend. Die blijft je altijd trouw. Enkel jij ziet wat er bijzonder aan is. Mijn beste vriend heb ik ook leren kennen in de oorlog”, zegt meneer Wan. “We hebben samen veel meegemaakt. Dat zorgt voor een speciale band.”
“Maar het is nog beter als je geen oorlog meemaakt, want veel goeds is daar nog nooit uit voortgekomen. Al dat vechten, bah. Je kan beter knuffelen”, lacht hij.
11.
Charlotte kijkt naar alle knuffels in de winkel. Plots ziet ze een tijger. Die lijkt wel te bewegen. “Die tijger daar”, zegt ze.
“Ah ja”, zegt meneer Wan. “Onze tijger. Normaal valt die niet op, want daarvoor dienen zijn strepen. Hij kan zich goed verbergen. Het is wel heel bijzonder dat jij hem ziet.”
Teddy de winkelkat komt ook even kijken. Hij denkt dat het over hem gaat. Want katten zijn familie van tijgers. Meneer Wan neemt Teddy in zijn armen.
“Een tijger is best een gevaarlijk dier. Maar weet je wat er zo bijzonder aan is? Als hij niet aangevallen wordt, doet een tijger niets. Op dat gebied lijkt hij op een mens.”
13.
Terug in de trein denkt Charlotte nog een hele tijd aan de verhalen die meneer Wan vertelde. Over de oorlog, de dieren en zijn beste vriend.
Plots bedenkt Charlotte dat ze te vergeten te vragen is wat de naam van zijn beste vriend is en hoe het met hem gaat. Sommige vragen komen altijd te laat.
En dan, zomaar uit het niets, schiet haar nog iets te binnen. Zoals er iemand op de deur klopt, maar je weet niet meteen wie voor de deur staat. Maar even later wel. Charlotte beseft dat ze met oma nog iets moet doen, en een paar seconden later weet ze ook wat.
14.
“Oma, we moeten nog een naam bedenken voor tijger.”
“Goed idee Charlotte”, zegt oma.
Charlotte kijkt uit het raam naar het voorbijvliegende landschap en ze denkt na.
“Zou meneer Wan het erg vinden als we tijger naar hem vernoemen?”, zegt ze na een twintigtal minuten.
“Nee”, lacht oma, “dat vind hij zeker niet erg.”
Zo ging tijger voortaan door het leven als meneer Wan. Hij is trouwens niet de eerste knuffel met die naam, dat kan je wel denken.
Misschien heb je er wel ooit van gehoord.
(einde)
