Jullie liggen ergens onder gras dat niet weet
van kogelgaten en handgranaten, terwijl wij hier
de kranten openslaan, op onze telefoons kijken,
elke dag een nieuwe oorlog in een andere taal.
Jullie hebben de kunst verstaan van slapen zonder
te vragen waarom de wereld blijft draaien.
Er staat een lege stoel in het café om de hoek,
een plek voor wie nooit terugkwam.
Wij drinken op herinneringen die zwaarder zijn
dan de jassen die zij achterlieten.
Jullie foto’s vergelen in onze portefeuilles,
wij proberen te vergeten hoe zwaar het licht
een leven weegt als het op papier staat.
Wij zitten vast in het ritme van klokken
die tikken alsof ze iets willen goedmaken.
Het lukt niet.
Het regent. Altijd regent het.
En de plassen weerspiegelen een hemel
die jullie allang hebben ingeruild voor stilte.
Soms, als de nacht de muren van de stad verzacht,
horen wij jullie lachen in de wind die speelt
met lege blikjes en vergeten brieven.
Jullie zijn wat overblijft wanneer de kaars
zichzelf heeft opgegeten: de rook
die eindelijk weet waar hij thuishoort.
En als de laatste bus vertrekt, denken wij,
jullie hebben gelijk, de dood is een trein
die alleen stopt waar het donker genoeg is.
Wij stappen nog niet uit.
Nog niet.
Er is altijd wel iemand die zegt
dat het mooier wordt.
Wij wachten.
Intussen drinken we bier, eten wij bitterballen
en proberen we niet te kijken
naar de lege stoel,
naar de klok
naar het lege glas.
Naar alles
wat jullie niet meer hoeven te zijn.
