Ik loop, ik fiets, ik rijd voorbij,
de berm is elke dag dichtbij.
Er staat een plukje, wit met groen,
veranderend met elk seizoen.
Zij sieren de vertrouwde grond,
waar ooit mijn vaste basis stond.
In de lente breekt het open,
vol met dromen, ik ga hopen.
Een pril en kwetsbaar, jong margrietje,
zingend met mijn mooie melodietje.
Mijn leven danst nu ongewis,
terwijl de toekomst mistig is.
De zomer geeft een felle bloei,
de warme, wilde, sterke groei.
Het beeld lijkt vast, het voelt zo goed,
zoals die ene mens dat doet.
Maar in de bloei denk ik ook bang:
blijft het zo, voor nog heel lang?
De herfst windt er geen doekjes om,
de bladeren buigen langzaam krom.
De tijd verstrijkt, hun vorm vergaat,
terwijl ik zie hoe alles staat.
De angst voor wat ik niet kan weten:
wordt het schoonste ooit vergeten?
De winter zit vol kou en rust,
het groen door strenge vorst gekust.
De berm is kaal, het zicht is guur,
onwetendheid regeert het uur.
Wie zijn wij straks, wat brengt ons jaar?
De toekomstroot gevaar.
Ik fiets en rijd hier toch voorbij,
de cyclus, deel van jou en mij.
