Deejay

Gebruikersnaam Deejay

Over Deejay

Ik schrijf en publiceer materiaal op verschillende sites. Als het op dichtkunst aankomt, gaat het veelal over waar ik van houd en de angst voor vergankelijkheid. Ik vind het interessant om de verschillende stijlen die ik hier tegenkom te lezen en hoop dat mijn werk voor u herkenbaar is of u doet denken

Opleiding

VWO

Varia

Interesse voor geschiedenis

Teksten

The Dragon Spell

De as van zijn verbrande dorp zat nog aan Kaels kleren, maar zijn blik was strak op het Fluisterwoud gericht. Een reusachtige groene draak, Ignis, had zijn ouders meegenomen. Kael was pas veertien, ongewapend en doodsbang. Toch zette hij door. Een ritselend geluid tussen de struiken deed hem naar zijn zakmes grijpen. Er stapte geen monster tevoorschijn, maar een das met een felle, gemberkleurige baret op zijn kop. "Je loopt de verkeerde kant op, mensenkind", sprak het beest een schorre stem. Kael deinsde achteruit. "Je... je spreekt?" "Natuurlijk spreek ik," snuifde de das. "Ik ben Barnaby. En als jij Ignis wilt verslaan, heb je meer nodig dan een schilmesje. Je hebt de Dragon Spell nodig. De enige spreuk die in staat is om zijn schubben te doorboren."  Vanuit de boomgrens boven hen klonk het schrille gelach van Pip, een eekhoorn met een glanzende vacht. Zij liet zich langs een stam zakken. "En die spreuk ligt verborgen in de Ruïne van de Eerste Meester, Kael. De boze tovenaar die ooit het Gouden Astrolabium stal van de smid uit jouw dorp." Kael friste zijn geheugen op. "De smid vertelde altijd over die schat. De tovenaar wilde hem omsmelten tot het Almachtig Amulet" "Precies," knikte Barnaby ernstig. "Maar de magiër maakte een fout bij zijn duistere ritueel. Zijn eigen laboratorium ontplofte en hij verdween in het niets. De draak die hij als waakhond hield, nam de grot over. Nu bewaakt Ignis zowel de schat als jouw gevangen familie. Wij helpen je." De drie trokken urenlang samen op. Barnaby bleek een meester in het vinden van veilige paden, terwijl Pip van boomtop naar boomtop sprong om de omgeving te verkennen. Kael voelde voor het eerst sinds de ramp weer hoop. De dieren waren niet zomaar gidsen; ze deelden hun schaarse bessen met hem en hielden hem warm tijdens de koude nacht. Er ontstond een hechte band. Kael begon hen als zijn eerste echte vrienden te beschouwen. De volgende middag bereikten ze de magische doolhofmuren van de ruïne. Grote, levende klimplanten met scherpe dorens versperden de weg. "Mijn taak zit erop, Kael," zei Barnaby plotseling met een weemoedige blik. "Doolhoven zijn niks voor dassen. Maar ik leid de vleesetende planten af zodat jij erdoor kunt." Voordat Kael kon protesteren, groef Barnaby zich met razende snelheid onder de wortels door, waardoor de planten luidruchtig begonnen te trillen en te happen naar de grond. De weg was vrij, maar Barnaby was diep in de aarde verdwenen om niet meer terug te keren. Kael slikte de angst weg en rende samen met Pip de ruïne in. In de ijskoude centrale kamer vonden ze een stenen altaar met een blauw gloeiend perkament. "Lees het hardop," fluisterde Pip, terwijl hij alert op Kaels schouder sprong. "Zodra de woorden je lippen verlaten, nestelt de magie zich in je geest." Kael las de hoekige letters op het eeuwenoude document: "Ignis vincere, vincula abrumpere." Een warme schok golfde door zijn armen. De letters verdwenen, om zich vervolgens in zijn geheugen te branden. Net toen Kael Pip wilde bedanken, klonk er buiten een angstaanjagend geluid. De draak was in aantocht en landde pal voor de smalle uitgang van de ruïne. "Ik leid hem af. Zorg dat je zo snel mogelijk de kooi opent!", riep Pip vastberaden. "Nee, Pip, het is te gevaarlijk!" riep Kael, maar de eekhoorn schoot al als een bliksemschicht door de spleten van de muur, vlak langs de neus van de draak. Ignis sloeg een kreet en zette de achtervolging in, verder en verder van het labyrint. Pip lokte het monster weg, maar Kael wist dat de kleine eekhoorn niet meer terug zou kunnen komen. Hij was nu echt alleen. Met een zwaar hart maar vol vastberadenheid rende Kael naar het hol waar de gevangenis moest zijn. De temperatuur verstike hem. Achterin de grot zaten zijn ouders in een ijzeren kooi. Naast hen glinsterde de gestolen schat van de smid: het Gouden Astrolabium. Plotseling verduisterde de ingang. Ignis was teruggekeerd, met goudgele ogen die brandden van woede. Er was geen das meer om de weg te wijzen, en geen eekhoorn om de aandacht af te leiden. Kael stond er alleen voor. "Een kind," morde de draak, terwijl de grond trilde. "Dacht je echt dat je mijn buit kon stelen?" Ignis sperde zijn muil open en spuwde een huizenhoge muur van vuur. Kael sloot zijn ogen niet. Hij dacht aan zijn familie, en de geofferde zielen van Barnaby en Pip. Hij hief zijn handen en riep met alles wat hij in zich had: "Ignis vincere, vincula abrumpere!" Een ijsblauwe lichtstraal schoot uit zijn handpalmen. De straal spleet de vuurzee doormidden en trof de draak recht in zijn borst. De ondoordringbare groene schubben begonnen te barsten als glas. Met een laatste knal die alle oren verdoofde stortte het reusachtige beest ineen. De kooi van zijn ouders sprong open. Kael rende naar hen toe en viel in hun armen. Hij had zijn familie gered en de dorpsschat heroverd. Terwijl ze de grot verlieten, keek Kael nog één keer om zich heen in het Fluisterwoud, dankbaar voor de vrienden die hem tot aan de drempel van zijn overwinning hadden gedragen. 

Deejay
0 0

Barcode

In het café hangt de geur van oud bier en een citroenachtig schoonmaakmiddel, waardoor de muren nog geler lijken dan ze daadwerkelijk zijn. Mijn vrouw is weg met haar vriendinnen vandaag. Een uitgelezen kans om een dag aan de bar door te brengen. Ondanks dat ik het thuis heerlijk vind, nog steeds na al die jaren, blijf ik behoefte hebben aan de gezelligheid die daarbuiten op een mens ligt te wachten. De supporters zijn in steeds luider wordende gesprekken en kreten over de wedstrijd verzonken. Twee clubs die ik zelf nog nooit heb zien spelen, zijn hier schijnbaar mateloos populair. Terwijl alle plekken worden bezet door druk met elkaar sprekende groepen, zit aan een kleiner tafeltje iemand eenzaam achter een computerscherm. Ik zie vanaf de zijkant hoe hij druk in zijn telefoon zoekt. Zijn grijze pak is eigenlijk net te groot voor zijn postuur. De beltoon piep zijn weg uit de telefoon. Niemand lijkt erdoor afgeleid te raken, maar bij mij komt het duidelijker binnen. De man opent een gesprek: “Ik zou u willen vragen of u volgende week kunt langskomen,” begint de man, met een vlakke, zakelijke toon. “We hebben bij MegaMarketResearch wat informatie over uw bedrijf nodig voor ons onderzoek. Ja, kunt u op dinsdag? Hartstikke mooi. Bedankt en tot dan!” Hij legt de telefoon heel even op de tafel voor hem neer, om hem na exact drie seconden weer in de hand te nemen. Met lichte nieuwsgierigheid observeer ik hoe de man een nieuw nummer lijkt in te toetsen. Terwijl hij opnieuw een verhaaltje afsteekt, zit ik plotseling vol verbazing op de kruk. De woorden die hij spreekt zijn bijna identiek. Alleen de “dinsdag” is veranderd in een “woensdag”. Een snelle blik opzij. Ik pak het ongebruikte bierviltje dat naast mij op de toog ligt. Er zit een kring van eerder op de dag op het karton, die een achtergelaten spoor van een van de zovele bargasten kort had vastgelegd. In mijn binnenzak bevindt zich nog een blauwe pen die op het witte vierkantje kan schrijven. Het eerste turfje. Vluchtig lijkt de mysterieuze beller iets in zijn computer in te vullen. Hetzelfde patroon herhaalt zich wederom: “Wij zouden het waarderen als u volgende week op bezoek kunt komen. We hebben als MMR graag wat informatie over uw bedrijf voor ons onderzoek. Ja, wilt u op donderdag? Hartstikke goed. Hartelijk dank en tot ziens!” Streepje twee. Nieuwe ronde. “MMR heeft graag wat informatie over uw bedrijf voor onderzoek.” De ruimte begint te veranderen. Het stemgeluid wordt monotoner. De woorden die hij spreekt, lijken steeds meer iedere andere gedachte te verdringen. “U bent op vrijdag beschikbaar?” Een tevreden geluid na de bevestiging. Zonder enig meetwerk voel ik de temperatuur stijgen. Weer hetzelfde script. “MMR….” Ik merk dat mijn hoofd strak blijft staan, met grote ogen. In mijn nek ervaar ik een lichte tinteling. De wereld voelt minder solide dan ik haar ken. De witte kleur rondom het reclamelogo verdwijnt steeds verder onder de druppels inkt. Steeds meer verticale streepjes. Vijf, zes, zeven. Waar gaat deze man nog meer naartoe bellen? De signalen komen niet meer goed bij me binnen. De herrie van de voetballiefhebbers verdwijnt langzaam maar zeker, tot er slechts een onderwatergeborrel overblijft. Ik ruik de citroen scherper dan eerst. Een haast chemische lucht doet mijn gezicht vertrekken. Ik ervaar niets meer buiten mijzelf, de beller en die angstaanjagende stem. Mijn vingers zijn blauw van alle inkt. Meer piepjes. Hij begint opnieuw. Met het voorbijkomen van de klanken van zijn steeds vreemder klinkende stemgeluid zet ik een nieuwe streep. Alles is vol. Geen pennenstreek past meer op het voorwerp. Maar de man blijft, terwijl ik de duizelingen voel, praten. Ik hoor niet eens meer wat hij zegt. Mijn hoofd probeert over mijn schouder te kijken. Niets lukt meer. Ik lijk van het zitvlak af te vallen. Het mobieltje in mijn binnenzak trilt. De vibratie doet me ontwaken uit mijn bubbel, terwijl ik een gevoel krijg alsof ik een zware kater te pakken heb. Ik had de ringtone onder het lawaai waarschijnlijk niet eens kunnen horen. Een onbekend nummer belt mij. Zodra ik opneem, is eerste dat ik hoor: “Goedemiddag. U spreekt met Tom Verhaegen van MMR. Ik zou u willen uitnodigen….” Zijn hoofd draait mijn richting uit. Voor het eerst hebben we direct contact. De zweetdruppels moeten duidelijk zichtbaar van mijn voorhoofd naar beneden zijn gerold. De verbazing en paniek lijken iets te zijn waar hij hongerig naar is, zonder dat hij er direct op reageert. Ik kijk in zijn wazige gezicht en indringende ogen. Het ziet er getekend uit. Maar terwijl ik hem aanstaar, lijken al zijn trekken vloeibaar te worden. Alle rimpels die zijn gezicht rijk is, verdwijnen als rimpelingen op het water. Alleen een massa met een vreemde vleeskleur is nog zichtbaar. Mijn gehoorgang vult zich met een overweldigend gesuis. Ik stik bijna in de doordringende lucht die om mij heen hang.  De lampen in de kroeg lijken door te branden. Nadat al het gele licht is uitgevallen, maakt het plaats voor de witte gloed van tl-buizen aan het plafond. Mijn blik richt zich op mijn hand, waarmee ik nog steeds driftig streepjes probeer te zetten op het kleine viltje. Het viltje is er helemaal niet. Het papier onder mijn pen is een getypte tekst, die door mijn gekras inmiddels onleesbaar is geworden.  Er klinkt nog steeds een stem in mijn oor, maar het geluid verandert van richting. De stem van Tom Verhaegen wordt vervangen door een lagere stem, die recht van voren in plaats van via de zijkant binnenkomt. De beller van MMR is veranderd in een man met een strak uniform. Een gestalte zonder telefoon, die naar voren leunt over de tafel waaraan wij beiden zitten. Zonder kraak spreekt hij me toe: “Meneer Verhaegen? Stop eens met het onderkliederen van de formulieren. Alles is al bekend. Uw bedrijf heeft illegale pillen doorgesluisd naar allerlei slachtoffers. Ieder detail van uw praktijken is door ons ontrafeld. Dit is geen café. Dat weet u na drie uur verhoor best." Ik bekijk het blad peinzend. Met al het blauw heb ik de tekst van mijn eigen bekentenis weg proberen te vegen. Elke poging is echter kansloos. Ik zit hier, omdat ze het al weten. Mijn vrouw weet het ook al. Het gezellige stadje waar ze met Marian en Petra heen zou gaan, bestaat helemaal niet. Ze is vertrokken naar haar zus. Toen de politie voor de deur stond, vluchtte ze, zoals ik dat nu tevergeefs ook geprobeerd heb. De dag aan de bar is slechts de laatste vluchtroute die mijn geest heeft verzonnen om de ondergang van mijn medische praktijk te vermijden. De zware deur valt in het slot. Ik zit alleen, precies zoals toen ik het idee van mijn kliniek bedacht. 

Deejay
14 1