gelaten maanlicht
beelden in de lucht die
weigeren te fonkelen
het bestiale paargedrag
van tuinkabouters
veel te veel
vallende sterren
boven het midden-oosten
bloed en stof
woestijnen vol
een leeuw die
zichzelf verslindt
lamme vleermuizen
die niet meer kunnen fladderen
gruzelementen
brokken die neervallen
demente maagden
naast gebroken vissen
wie doet mij deze dromen aan
welke webcams blijven dit
registeren welke vliezen
spartelen tussen de tenen
van een halfdode kikker
over de ogen van de wanhoop
stroomt thans paars verdriet
duistere krachten sluwe
vossen op drie poten
mankende tijd
ik zie je strompelen Hercules
door de straat van Hormoes
en bij het ochtendgloren
grijp ik me vast
het mos laat echter los en
de kleuren zijn intussen
allemaal verkeerd
groen werd rood
wit werd mauve
iemand wisselde
geel met zwart
zwijgen willen de hoop
verdwijnen de roze bloesem
doem niet meer op
dat is alles wat ik vraag
aan die wereldbeelden
die monsters met hun
mensenogen en bedrieg
mij nooit meer
kindertijd
je was te vals
je liet me geloven dat er ook
sprookjes zijn
die geschreven werden
door minder grimmige gedachten
die geen horror verschuilen
onder paddestoelen
in een bos waar alles nu verdwaalt
de jager elke keer
zijn blaffer bovenhaalt
wanneer een mot verschijnt
straks dan houdt het op
belooft de regen
aan kameleons
wanneer de regenboog
zich scheuren laat
het lot zijn frisse kant laat zien
neen
sorry nimf en nieuwgeboren
waterjuffers
ik geloof het niet
de nachtvorst hij wil
blijven heersen
over mijn gemoed
zo lang hij kan
zo diep zijn ijs wil snijden
door de druppels
onschuld moet eraan geloven
telkens weer en overal
wat rest is weinig
amper teder maanlicht
fonkelingen die zich
lang zullen verbergen deze keer
want het einde nadert
zware planeten
wegen door op het heelal
kromme knieën
zullen moeten hopen
op bomen die rechter kunnen
lopen door de grijze plassen
op het grauwe pad
strompelt nog een tak
die wandelen verleren wil
die schimmel straks
omarmen zal
daarna gewoon uiteen
wil vallen
uit de reeks 'Waanhoop'
