De stad

jépé
9 sep 2014 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

1.

Hij wandelde en zag de tuinen – de druppels water

vielen op zijn hoofd – er waren nergens mensen in

de straten, de lucht was donker en hij was alleen.

 

Toen hij een kind was zag hij achter alle vensters

het bewegen van gordijn en altijd was hij bang dat

uit zo’n raam een vuist zou opgestoken worden.

 

Maar nu hij groot was zag hij dat uit al die lege vensters

niet gekeken werd en wilde hij niets liever dan dat

men uit zo’n raam zou roepen, schelden, iets.

 

Dat ze hem zagen.

 

Er was niemand in de lege straten. Hij wist niet meer

wat hij hier deed. Zijn voeten liepen naar de plaatsen

waar hij nooit eerder was geweest. Vooral als kind.

 

Vooral als kind.

 

Het duister was als een beschermend laken, maar kil –

de nachten die hij doorbracht zonder deken (hij voelde

nog de kou) tegen een boom geleund omdat hij

 

niet meer durfde: dat ene huis tussen de vele binnengaan

uit angst dat het zijn huis niet was (en dat was vroeger).

Nu wist hij zeker dat het zijn huis niet was.

 

Dus als een droom liep hij nu door de blinde straten

al bleef de regen vallen.

 

2.

Hij wist dat hij zijn gras moest maaien in de voortuin

en ooit het onkruid moest verdelgen dat al voor

de ramen groeide. Misschien was het te laat.

 

Want aan de voorkant van het huis viel toch geen licht

naar binnen en niemand keek ooit naar zijn tuin dus

niemand zou het zien als hij er planten –

 

Hij was alleen.

 

Soms dacht hij nog dat hij de wereld haatte met al

zijn schimmen en zijn smalle straten. Maar dan

besefte hij dat hij zelfs dat niet kon. Niet meer.

 

Een bos, hoe zag een bos eruit?

 

De ochtend zou als licht zijn, en niet het opentrekken

van gordijnen, de zon zou in zijn moeë ogen priemen

hij zou niet zelf de ochtend moeten maken.

 

Teleurstelling van mist achter het raam.

 

3.

Misschien moest hij zijn bed niet meer verlaten

de blinden laten waar ze altijd waren het duister

van de nacht en van de dag was toch gelijk voor hem.

 

Hij zou de dagen niet meer tellen.

 

Als hij na jaren buiten kwam, zou iemand hem

dan kennen? Wie haalde hem nog ooit uit deze tuin

vol onkruid waarin je niet meer kon verdwalen

 

waarin geen rozen bloeiden om doorheen te hakken.

Zou iemand ooit zijn stoep –

 

Wie keek er nog naar hem vanuit de warmgedampte

ruiten van de andere huizen?

 

Wie nam hem mee?

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

jépé
9 sep 2014 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket