De kerselaar zong
de kinderen lieten vliegers op
de zon brandde mijn huid
en toen zag ik hun schoenen in het zand
en wat er nog aan hing
ineens was ik alleen
ik telde dagen zonder uren
nachten zonder einde
en hield iedereen bij mij
ik volgde de weg door een bos, een zee,
talen die ik niet begreep,
in een lichaam dat ik niet erkende
ik ruik vers brood dat er niet is
in een kamer zonder doel
wachtend op de zon die mij ooit kende
voor ik mijzelf verloor
de spiegel zonder gezicht
ik zeg mijn naam hardop
ik ken de letters maar weet niet wat ze betekenen
ik hoor stemmen en begrijp de woorden
maar ze raken mij niet meer
ze glijden langs mij heen als water langs steen
alsof ik achter mijn eigen ogen ben blijven staan
en iemand anders mijn dagen verder draagt
Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.
Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.