we vluchtten door het hoge gras
in een zeldzame poging deze keer om aan zijn
dolgedraaide grasmaaier
te ontsnappen
rond de tijd dat alles in vlammen opging
drukten wij onze neuzen de een tegen tegen
de ander, schonken we elkaars blinkend oogwit
weg
in ruil voor vele hagelbollen
verduiveld ik bevries haast,
fluisterde het broertje halfverlegen
in zijn vuistje
en ik kende dat gevoel, ik wist wat het was
om het te dragen
stierf eigenlijk een beetje van binnen
stiefmoederlijk uit elkaar
misschien was ik de duivel zelf wel maar
wist ik het al die tijd nog niet
en moest het dus wel allemaal mijn
schuld zijn geweest, terwijl de rotte plek in
het wollen vloerkleed iedere nacht
aan het uitbreiden was
