Er sluipt een dief in de nacht
behoedzaam gaan zijn handen om mijn letters,
mijn woorden, mijn tekeningen, vluchtig
graaiend naar alles
wat geen tijd genoeg had zich
te verstoppen
niet
de autosleutels of de
portefeuille, niet de
sierraden van achttien karaat
ook niet
de familiejuwelen beroeren
zijn vingertoppen
niet mijn platencollectie of
de geluidsinstallatie,
niet mijn computer, ook niet mijn geesem
lustigen zijn dorst
laat staan de dossiers met
al mijn bankgegevens, mijn diploma’s of de geboorteakte
van mijn eerstgeboren zoon
Er sluipt een dief in de nacht
behoedzaam, op de tast
door mijn donker
zijn gretigheid welt op aan
een bron die zou uitdrogen
zou hij door politie in de boeien
van de taal tot dief worden veroordeeld
veroordeeld tot het stelen met
zijn handen, veroordeeld
tot nog meer stelen
om te voorkomen
dat ook zijn blik, ook zijn zien
en zijn kijken
zouden boeien
en toch bewoog in hem iets rond
het roerde zijn zielselen
als een dikke zoemend vlieg
die weerbarstig het spreken onderbreekt
met slagen en verontschuldigingen
hij deed steeds het licht uit, ookal
maakte dit voor niets of niemand een verschil
afgezien dan van hij die de stilte geniet
en het oneindige plezier betrapt te kunnen worden
aandachtig luister ik dan in bed
of ik iets hoor
of op zoek naar bevestiging dat ik zonet
iets hoorde
en
of ik dan echt iets hoor
en bedenk allerlei redenen
waarom het niet kan zijn dat
wat ik hoor, wat ik vrees te horen,
ik dit kan horen
enkel slaap kan mij dan nog redden
wat hij dan loopt zoeken in mijn huis
het gat, de leemte, het hiaat, de bres, de kloof
dwars doorheen elke redenering of gekunstelde logica,
daar waar het hapert, stuntelt, struikelt, soms in brokken vaneen valt
tegen een vervrozen ondergrond, daar waar hij hapert
een dief die geen dief wenst te zijn, maar wel betrapt
daar is het om
te doen
er in zou betekenen
er in blijven en ten onder gaan
in plaats van voortgestuwt te worden
Het drijft hem, als een raket op pantoffels
waarvan de voorraad tank maar niet lijkt
te lossen
genot stuwt hem voort voorbij het genieten
Er waart een dief door mijn huis
in de schaduw van mijn geleeften
in de stilte van de schuld
die wil ik niet zijn
hij bewoont mijn vlees tot aan mijn botten
roert mijn dampende ingewanden en spookt
tussen mijn woorden, mijn gedachten
zijn handen doen mijn rug rillen
priemende ogen
veren
al mijn haren
recht
Er waart een dief in mijn huis
hij sluipt in de nacht
als de dood in het bloed dat
door mijn aderen spuit