Mistige morgen, grijze dag.
Ik, gekleed in zwart, parkeerde
bij de wintertuin van Ursulinen,
één minuut onder de neo-kerk.
Dochter, zoon en vrienden lazen
voor, foto's illustreerden.
Yoga, reizen, cultuur en kunst
terug gemetseld in dorp en kerk.
Zelfs fotograaf en cameraman
liepen weinig in de gaten.
Op het kerkhof maakten dochter
en partner foto's van een groen-gele
ui, met daarin een hart, verguld,
de urne die gezegend werd.
Buffet: soep, koude schotel,
dessert. Alweer foto's, toespraken:
de Kleine Prins, de roos, de vos,
bourgondisch verbonden - ik geen trek.
Gasten, zeker hondervijftig,
schepten vaak twee porties op.
Lofzang op haar leven; gevangen
zat zij in zorgen, schijn en warme blos.
Ik was een vriend, zij hield van mij.
Van haar dorp kwam zij niet los.