Twee rijen docenten lopen over het schoolplein naar de poort.
Ik loop ertussenin, achter de rector aan. 'Hoe gaat het, Robert, nu?'
Nog voor de poort word ik - ik ben zo klein -
in de kraag gevat en naast de rijen gedirigeerd.
Zij rennen zonder mij het hek uit.
Ik loop over een stoffige bultrug
en voorbij het hek zwem ik alleen in open zee.
Divergeren is het woord.
Vele vrienden zijn de rijen uitgestapt.
Zij vinden redding zonder poort.
Haar kinderen zetten een muurtje op.
Hun moeder is nu dood.
Haar spekjesvogel bij het hek:
'Je bent op tijd. Tot de volgende keer.'
Gek dat zij nog donkerder dan de oplossing is.
'Op trieste kleinen rust voor ons een groot taboe.'