Het doet me iets, op een vreemde manier, wanneer ik met een lichte huivering toekijk hoe de werkmannen het loodzware deksel van de lang vergeten waterput optillen.
We hellen met zijn viertjes naar voor, drie mannen op hun knieën en ik, van op veilige afstand. Ik hou niet van donker, stilstaand water.
Een zwart en ondoordringbaar vierkant in de vloer. De waterput is, zo werd mij verteld, nauwelijks anderhalve meter diep maar het lijkt onpeilbaar. Er kunnen monsters wonen, daar in die duisternis.
De wanden van de put druipen van het water. Een zacht en enerverend tikken in de verder complete stilte. Ik ben niet de enige die hoge verwachtingen koesterde omtrent monsters, de sfeer rondom het zwarte vierkant is die van teleurstelling.
En dan zien we ze, trillend in de voormalige voegen.
Spinnen.
Duisternisspinnen.
Voor het eerst baadt hun wereld in iets van daglicht.
Het stemt me triestig.

