De Donderklif

Gebruikersnaam De Donderklif

Over De Donderklif

Hoi,

We zijn een duo: Alice en ik werken in onze vrije tijd aan verhalen. Omdat we het gewoon graag doen.
Alice tekent, zij verzorgt de illustratie en tovert daarmee mijn fantasiewereld om in beeld.

Ik hou van schrijven, niks meer en niks minder.

Intussen zijn we, voor de meer fantasievolle uitbarstingen, verkast naar Wattpadzodat jullie er geen last meer van hebben :) De plek voor 'schrijvers die niet goed genoeg schrijven, voor schrijvers die net dat tikje anders schrijven of voor schrijvers met verhalen waar de wereld nog niet klaar voor is, kortom een plek voor wie graag schrijft. Zelden comform 'de mode en de huidige trends' dus misschien is het mijn plek. Er is plek voor een 'kosmische gay-wattpad-Alpha-weerwolf-afgezant' en geloof me, die vinden niet overal onderdak :). Met andere woorden: ik barst van de fantasie en dat is een heerlijke staat om te zijn :)

Publicaties

publicaties zijn een groot woord, projectjes klinkt beter

* Oudpark (Roepnaam Elion I)

* Het Kleurloze Kasteel (Roepnaam Elion II) 

* De Dievenliga (Elion III en laatste)

*'Nix', inzending wedstrijd ONnee 2025. Ik haalde de top drie want we waren maar met drie, hahahaha. Als kreeg Nix een eervolle vermelding als Tip van de week! Hoera!

* De zeven Zegeningen van Draak Morophin (Mocht ook Tip worden!)

* Bowie

* Bowie versus Heated Rivalry (sorry, die schopt het tot niks maar was héél geestig schrijven)

Prijzen

* We wachten op een Oscar, na de verfilming van Elion uiteraard.

* Via Bowie kreeg stickers en ik was héél gelukkig!

Varia

Leesplezier en schrijfplezier worden onderschat, soms mag iets gewoon leuk zijn, zonder dat het een maatschappelijk pijnpunt aankaart of een standpunt inneemt over welk heikel onderwerp dan ook.

Soms is een avontuur meer dan genoeg.

Oudpark is een avontuur.

Het Kleurloze kasteel ook.

De Dievenliga brak mijn hart.

Nix was ver buiten mijn comfortzone, wat ook weer leuk was. Bowie ligt precies in mijn comfortzone en was heerlijk schrijven. En soms moet dat niet meer zijn.

Ieder schrijfsel is een oefening.

Of gewoon niks.

En dat is meerwaarde op zich :)

Teksten

Afscheid van AZERTY

Dit is waarschijnlijk mijn laatste tekst hier, toch voor een hele lange tijd. Het 'schrijverschap' is niks voor mij. Het is wachten. Hier op een lezertje. Voor mijn boek op een hebbanrecensie die nooit zal komen. Overal waar ik een tekst deel, voelt het steeds meer als bedelen om aandacht.  Wachten op iemand die tijd wil steken in jou.Wachten op iemand die beslist of jij al dan niet goed bent.Wachten op iemand die jouw tekst wil lezen, het boek wil kopen, het boek wil lezen...  Je bent compleet afhankelijk van de mening van anderen als je ergens wilt raken. Het is bedelen om dat kleine stukje aandacht.  We zijn met duizenden, diegene die niet langer weten wat ze nu eigenlijk willen. De gedreven schrijvers aan de rand van de boekenwereld, waar we met onze neuzen tegen de ramen gedrukt naar binnen mogen kijken maar niet binnen mogen. Hoogstens laten we een ademwolkje achter met onze naam, dat verdwijnt voordat wij zelf vertrokken zijn. Er is geen jaloezie, geen afgunst, alleen een heel groot besef dat ik daar simpelweg niet voor gemaakt ben.  Ik slenterde door de boekhandel met maar één gedachte: wat deed ik mis? Had ik verwacht dat het iets makkelijker zou gaan? Tuurlijk. Al waren de verwachtingen al heel laag.  Ik durf er intussen al niet meer over te beginnen, bang om de anderen te vervelen. Ik heb geen flauw idee waarmee ik de instagram nog moet vullen.  Het ligt me niet, dat bedelen. Het schuurt en wringt en nijpt. Het overschaduwt net datgene wat er zo leuk aan was: het schrijven. Ik schreef drie Elions en vond het heerlijk. Ongelezen, onbemind maar ik weet dat het degelijke verhalen zijn. Ik verzon de Zeven Zegeningen. Ik vond Lortar en Nord heerlijk gezelschap, ik was oprecht trots op mijn rol voor Morophin en de wereld rondom hen. En al bij al daar ging het toch om, om het schrijven. Schrijfplezier, ik moet het opnieuw waarderen. Zonder er waarde aan te hangen, zonder anderen. Al is erkenning, en ik weet zeker dat het voor iedereen geldt, gewoon leuk. Maar het wachten op die erkenning is nefast voor dat schrijfplezier.  Ook azerty is niet mijn stek, ik weet dat wel. Dus ik verdwijn geruisloos tot ik weer weet dat nul lezers prima is. Want het is geschreven... Nog veel schrijfplezier. Bye.  Kat.    

De Donderklif
16 2

bookstagrammer met gevoel gezocht

Bookstagrammer, het begrip rolt over mijn scherm telkens ik op instagram kijk. Mijn schrijfpoject heeft een instagram, omdat het tegenwoordig zo hoort.  En dan kijk ik naar bookstagrammers en vraag ik me af of die mensen lezen voor de kost. Misschien moet ik er eentje zoeken en aanspreken. Hallo beste bookstragrammer, ik zoek een lezer voor mijn grootste schrijfproject. Het is een boek maar ik noem het steevast een verhaaltje. Nee, ik ben geen schrijver, ik schrijf graag. Groot verschil. Ik zoek iemand die me niet de grond in zal boren, daar ben ik heel bang voor, ziet u. Niet dat u me belachelijk zou maken voor het hele internet, daar lig ik niet wakker van, maar dat uw mening mijn schrijfplezier teniet zal doen. Want als u het luidop zegt, daar op uw account, dat 'De zeven Zegeningen van draak Morophin' niet het lezen waard is, dan ben ik officieel slecht in schrijven, in dategene wat ik het liefste doe en ik zal dat altijd weten. Trek je niks aan van de mening van anderen, zeggen mensen maar dat zijn diezelfde mensen die zeggen: 'blijf altijd jezelf'. De mensen die niet moeten wennen aan de vreemde blikken. Ik zou het me aantrekken, heel hard zelfs, ik geef dat toe.  Ik wil goed zijn in schrijven, niet in het technisch kunnen. Maar in het verzinnen van verhalen. En ik zou er een film van willen maken, maar kijk, Homerus heeft ook vele jaren moeten wachten dus het kan nog.  Boeken schrijven en verhalen verzinnen zijn niet noodzakelijk hetzelfde.  Koks schrijven boeken, sportmensen schrijven boeken, zangers schrijven boeken, bekende mensen schrijven boeken.... niet hetzelfde, ik heb verhalen zitten. Over draken en grootse daden door gewone mensen. Over liefde en verliefd worden en hoe dat niet altijd gelijk is. Over magie en vloeken die soms zegeningen zijn.  Beste bookstagrammer, ik wil een sterretje of drie, meer zou natuurlijk liegen zijn. Met minder raak ik nergen want dan hebt u mijn project verpest... Kan ik u omkopen? Veel liefst,  Kat. 

De Donderklif
2 0

De zeven zegeningen van Draak Morophin (Deeltje 2)

Zeven treden onder de grond Nordaque volgde de slechtgezinde Danz het kantoor uit. De man rook een beetje muf, naar natte stenen en eeuwig vochtige kleren. Tot zijn verbazing verlieten ze De Unief. De hoofdstraat van het dorpje Konquelphous door, richting een vierkant gebouwtje net buiten het dorp. Nordaque had het bouwwerk nooit echt geregistreerd met het idee dat hij er nooit zou komen. Het grensde pal aan de kliffen. Onder hem beukte de zee met een onvermoeibare kracht tegen de rotsen. De wind gierde langs zijn oren. Ze kwam van over de golven, ijskoud en nat en kreeg vrij spel eenmaal ze de kliffen bereikte. Met een hoge snelheid en een onophoudelijk gejank denderde ze door Konquelphous. Nordaque plooide zich een beetje dubbel om overeind te blijven op het smalle pad.  Danz viste een gigantische sleutelbos uit zijn broekzak. Er hingen meer sleutels aan dan dat er deuren waren in heel Konquelphous. Hij nam zijn tijd, ongevoelig voor de wind en de druppels ijskoud zeewater. Danz koos een oud, metalen ding en ramde het in het slot. 'De volgende keer breng je beter een jas mee,' grapte hij. Nordaque keek hem vuil aan. 'Welkom.' Danz boog cynisch. 'Je bent niet de eerste, het is een geliefde straf voor arrogante kereltjes als jezelf. Kom mee.'  Danz trok de deur dicht en sloot daarmee de wereld buiten. De stilte viel abrupt. Nord schudde de druppels uit zijn haar. Het was een bijzonder sobere werkruimte, met één raam met zicht op zee, potdicht uiteraard. Verder stond er een tafel, overdekt met mappen en paperassen. En een klein vrij stukje waar een bord met koude etensresten stond. Hier nuttigde Danz zijn maaltijden en verwerkte hij 'de verslagen', dacht Nordaque moedeloos. Danz plukte een sleutel van een nagel naast een deur. 'Kom mee,' gromde hij. Nord volgde hem een trap af, slechts zeven treden maar hij stond in een andere wereld. Zonder daglicht. De trap mondde uit in een gang, van nauwelijks tien meter lang. Op het einde, tegen de muur brandde een vuurkorf. Links en rechts in de gang zat een deur. Nord begreep onmiddellijk waar Danz specifieke geur vandaan kwam. Hij sloeg zijn hand voor zijn neus en mond. 'Blijf hier wachten,' blafte Danz, tevreden met zijn rol van baas. Hij trok naar de kast onder de trap en keerde terug met een zwabber, een emmer en een paar dikke, lange handschoenen. Het poetsgerief dropte hij voor Nordaque, als heldere boodschap. De handschoenen trok hij met veel vertoon aan.  Nordaque slikte nerveus. 'Dat zijn cellen,' zei hij met hoorbare weerzin. Er kroop een onplezierig lachje rond Danz lippen en die bleef daar plakken toen hij op de linkerdeur trommelde. 'Lortarson, ga op je plek staan, je krijgt bezoek!' bulderde Danz. Hij telde luidop tot vijf. Nordaque ademde scherp in. De deur zwiepte open. Danz marcheerde de cel in, greep de enige bewoner nogal ruw bij de schouders en klikte met een geroutineerd gebaar twee metalen ringen rond zijn polsen, die hij vervolgens met een ketting verbond aan een metalen ring in de muur. 'Zitten,' blafte hij. De gevangene negeerde hem compleet en nam Nordaque nieuwsgierig op. 'Lortarson, ik vraag het geen twee keer, zitten!' brulde Danz, recht in het gezicht van de jongeman. 'Geen van beide keren was echt een vraag, Danz,' antwoordde hij vrolijk. 'Wie is dat?' 'Dit is...' 'Hunister, Nordaque Hunister, oud genoeg om zichzelf voor te stellen.' Nordaque oogstte daarmee een vaag lachje bij de gevangene. Hij kon onmogelijk ouder zijn dan Nordaque zelf. Hij sloeg hem met verstomming gade, waardoor de ander nog breder grijnsde.  'Jouw nieuwe gezelschapsdame, Lortarson. En geen grapjes deze keer. Meneer Hunister hier is een gewaardeerd lid van de gemeenschap.' Danz draaide zich op zijn hakken om naar Nordaque. 'Je poetst zijn kamer, twee maal per week. Daarna slaan jullie maar een babbeltje. En Hunister?' 'Ja, meneer.' 'Raak hem nooit of te nimmer aan, hij is....' '… een Wilderen,' zuchtte Nordaque ademloos. Hij kende het ras alleen uit de biologieles en de geschiedenisboeken en vroeg zich af waarom de school zo'n exemplaar vasthield.  'Geboren in het licht van de Everdraak, wilde ik zeggen,' bromde Danz misnoegd nu Nordaque zijn introductie verpestte. 'Huidcontact is gevaarlijk, ik hoop dat je de cursus kent, Hunister.' 'Oh, dat moeten we nog eens zien,' verzuchtte de Wilderen. 'Maar ik ben blij dat je me deze keer iemand bezorgde die wel oplette in de lessen. Hoi, ik heet Lortar Lortarson.' Hij knikte maar, handen schudden zat er niet in.  'Ik kom je over precies drie uur weer halen.' Danz stond al bij de deur.  'Drie uur? Hoe kan ik hier drie uur kuisen?' De kamer telde hoogstens zes vierkante meter. 'Dan slaan jullie maar een babbeltje, zoals ik net zei. Vriendschappen en dingen bijleren stimuleren de groei.' Lortar zond de bewaker een vernietigende blik toe. 'Veel plezier samen, jongens.' Danz verliet bijzonder goedgeluimd de cel. En sloot die af. Er stond één bed, een lage kast met twee deurtjes en twee lades en een werktafel. Daarop lagen dikke boeken, kaarten, schrijfgerief en schriften. De kamer had geen raam. De Wilderen zat in kleermakerszit op de koude grond, met zijn handen achter zijn rug en keek geamuseerd toe hoe Nordaque zijn kamer keurde. Nordaque stond ongemakkelijk op de zwabber te leunen. Hij probeerde vooral niet te staren.  'Jij bent een levend fossiel,' brabbelde hij. Eén wenkbrauw kroop omhoog. 'Wel, jij bent niet bijzonder tactvol,' kwam het vrolijk. 'Maar bedankt, denk ik. Of was dat geen compliment?' Dik blond haar, in lange pieken rond een bleek maar knap gezicht met die ogen als een soort sterren. Ze smeekten bijna om er in te verdwalen. De Wilderen was ongelofelijk mooi, daar stond zijn ras om gekend. Het was één van hun Zegeningen: schoonheid. Nord kende niks van mannelijk schoon maar zelfs hij kon inschatten dat deze jongeman 'iets' had.  'Je staart,' zei de Wilderen monter.  'Ik mag, jij hoort niet eens te bestaan. Wilderen zijn uitgemoord,' herpakte Nord zich betrapt.  'Wauw, dit wordt hier gezellig. Heb je iets tegen veronderstelde uitgestorven rassen, meneer Hunister?' 'Wat?' 'Niks, laat maar. Nog nooit van je leven iets gepoetst?' vroeg de Wilderen met een zachte, melodieuze stem zonder greintje spot. Al deed de grijns op zijn gezicht wat afbreuk aan de bezorgde toon. Nord vond het een bijzonder onaangename ervaring: vloeren dweilen behoorde inderdaad niet tot zijn talenten. Het feit dat de jongen zat toe te kijken en opmerkingen gaf, maakte het niet beter. 'Ik wil gerust ruilen,' stelde hij ten slotte voor, alsof Nordaque de grootste kuisramp ter wereld was. Hij rammelde met zijn boeien. Nord zwabberde nijdig verder, tot groot vermaak van de Wilderen.  'Maak je niet zo boos,' suste de jongeman tenslotte. 'Dit is mijn verzetje, zo twee keer in de week. Ga nu niet pruilen omdat jouw trots zegt dat 'poetsen' niet hoort voor een welopgevoede jongen als jezelf. Dat vond je voorganger ook, hij was saai. Ik geniet oprecht van het gezelschap en de afleiding.' Nord stond op hem neer te kijken. Er begon hem iets te dagen.  'Zit je hier altijd alleen?' vroeg hij. 'Ja, toch zo een beetje. De Dapperen houden hun Wilderen graag uit het zicht van de wereld. Er zou al eens een pientere geest vragen kunnen stellen over waarom een jongeman in de lokale cel van Konquelphous zit, alleen omdat hij tot een uitgestorven volk behoort. Wel, volgens uw mening dan.' Nord pikte de hint op en negeerde die vakkundig. De Wilderen kauwde op zijn lip. 'Begrepen, ik kon het maar proberen. Jullie zijn toch ook allemaal zo trouw aan de vlag van De Unief, is het niet. Wel, ja, ik zit hier alleen. Er is Danz maar die volstaat niet als gesprekspartner. Hij spreekt zelden in volzinnen. Daarom sturen ze studenten, al doen de meesten hun mond ook niet open. Kuis je de tafel ook?' Nord voelde er veel voor om de natte zwabber in zijn gezicht te draaien maar maakte een diepe buiging in plaats. 'Natuurlijk, mijn heer.' Hij kreeg een fijn lachje als beloning. Nord slaagde erin de klus te klaren zonder de kamer onder water te zetten, zijn eerste poetsbeurt overleefde Danz' keuring. Danz trok de handschoenen opnieuw aan voordat hij de Wilderen losmaakte. De jongeman wreef misnoegd over zijn polsen.  'Tot zaterdag,' mompelde Nordaque.  'Ja, tot zaterdag, Hunister, Nordaque Hunister. Ik vond het aangenaam.' De Wilderen stond tegen de muur geleund, met zijn handen in zijn zakken en keek Nordaque na.  'Je mag Nord zeggen,' zei hij in een opwelling en hij genoot van de verbijstering in de groene ogen voordat de deur dichtsloeg. Einde, voor hier.  (En daar gaan ze, op zoek naar draak Morophin. Nordaque Hunister en Lortar Lortarson... ik zie het helemaal zitten. Hopelijk beleeft iedereen hier echt evenveel plezier aan het schrijven en verzinnen van zijn/haar/hun teksten en verhalen)

De Donderklif
13 1
Tip

De zeven zegeningen van Draak Morophin

De Unief van de Stamboomgerelateerde Dapperen, Kantoor van de Allerhoogste Dappere (Eerst en vooral: Tip van de week zijn, maakt mijn week goed. Ik word daar altijd lichtjes euforisch van. Inclusief hupppeltje op weg naar het werk en zo van die dingen. HARTELIJK BEDANKT voor de ongelofelijk mooie woorden in verband met onderstaand stukje tekst. Het is altijd bijzonder leuk als een verhaaltje over wassmoosen, vuurtorens en Wilderen (of de inleiding ervan) waardering krijgt :) Dus bedankt om ons te laten zweven, daar drinken we een warme choco op!) 'Meneer Hunister, u bezorgt onze school een bijzonder slechte naam.' Nordaque Hunister hoorde al zijn hele leven dat hij intelligent was, briljant zelfs. Al zat daar nu enige verandering in aan te komen. Hij verheugde zich er toch wel een beetje op. Hij stond met keurig neergeslagen ogen voor de werktafel van de Allerhoogste Dappere.  'Ten eerste, jongeman, stop uw hemd in uw broek. U stormt hier binnen alsof u recht uit bed komt. Begrijpt u waar u staat?' 'Ja, meneer.' Nordaque Hunister (Nord voor de vrienden maar hier, in deze school, noemde niemand hem zo en hij miste het.) begon aan de onmogelijke klus om in enkele seconden tijd zijn voorkomen te fatsoeneren. Hij kwam niet uit zijn bed gerold maar uit dat van Hester. Er gleed een vaag glimlachje rond zijn lippen voordat zijn gezicht opnieuw het ondoorgrondelijke masker terugkreeg. Hij temde zijn haar, plooide zijn mouwen keurig over en stopte zijn hemd in zijn broek. Hij knoopte zijn das netjes en overwoog toch om het bovenste knoopje van zijn hemd open te laten, de kraag zat als een strop rond zijn hals.  'Tsss.' De Allerhoogste Dappere klakte bestraffend met zijn tong nog voor Nordaques vingers het knopje bereikten. 'Waag het niet', luidde de boodschap. Hij stond te kijk gezet, vlak voor de werktafel. 'Goed, daarmee zal ik het maar moeten doen. Meneer Hunister, weet u hoeveel er van dit gesprekje afhangt?' 'Ja, meneer.' 'En u vond het niet nodig om een vers hemd aan te trekken, uw schoenen op te blinken, uw haar te kammen en op tijd te komen? U neemt dit niet zo serieus als zou moeten.' Nordaque hield wijselijk zijn mond. Hij hoopte ergens, een heel klein deeltje van hem, om van school geschopt te worden. 'Dit is De Unief. van de Stamboomgerelateerde Dapperen, meneer Hunister. Uw ouders, grootouder en de rest van uw stamboom, liep hier school. Hier begon hun loopbaan en uw familie behoort al jaren tot de top van dit land. Zij bepalen mee en al keur ik de meningen en acties van uw familie niet altijd goed, ze zijn wel doorslaggevend.' De Allerhoogste Dappere vlocht zijn vingers in elkaar bovenop de tafel en toverde een min of meer begripvolle uitdrukking op zijn gezicht, waarmee hij wilde aantonen dat jongemannen in crisis de meest normale gang van zaken was. Nordaque zat niet crisis. Hij hield gewoon niet van school. 'Al eeuwenlang levert deze plek nieuwe koningen, generaals en andere hoogwaardigheidsbekleders af. Dit land draait op onze oudstudenten. Hier studeert het kruim van het kruim, de besten, diegene met een goed verstand. Jongens en meisjes als uzelf krijgen les van professoren van uit iedere hoek van de wereld, zodat ze klaar zijn om de toekomst te bouwen. Wie hier de aula verlaat, heeft een doel. Wat is het uwe, meneer Hunister? Wat wilt u later doen als u groot bent?' De vraag verraste hem. 'Nog niet over nagedacht, meneer.' Eigenlijk wilde hij veearts worden, met een specialisatiejaar in wassmoosen. Niet dat hij het ooit luidop zou zeggen. Zulke lessen zaten hier niet in het lessenrooster. 'Wilt u in de politiek? Schrijver worden? Lesgeven...' 'Ik weet het niet,' herhaalde Nordaque.  'Uw inschrijvingsgeld is groter dan het jaarloon van ons keukenpersoneel, meneer Hunister. Het is een eer om hier te mogen en te kunnen studeren. U slaagde met glans en met verbazende resultaten voor ons toelatingsexamen. Uw gebrek aan inzet en motivatie verbaast mij een beetje. Ik ken uw ouders. Ik weet waar uw wieg stond en waar u heen gaat, al weet u dat zelf nog niet. Maar met zulke cijfers haalt u het einde van het jaar niet, maak ik mezelf duidelijk? U brengt ons in schande met uw gedrag. We zagen al heel veel door de vingers, u bent een veelbelovende student en heel veel ogen zijn op u gericht...' Nordaque knikte gedwee, zoals altijd en luisterde maar met één oor naar de tien minuten durende preek. Daarin uitsluitend lof voor de school, de beroemde studenten en de professoren, natuurlijk. Ieder van hen had zijn wortels in De Stamboom, die wortelde diep in de aarde van één of ander ver afgelegen eiland, Brès genaamd. Zij stamden af van de oorspronkelijke Dapperen, een groep mannen die met gevaar voor eigen leven, een einde maakte aan de heerschappij van de Wilderen. Door dat volk zo goed als helemaal uit te roeien tijdens een bloederige maar korte inval op het eiland Brès. Schedels spleten, botten braken, vrouwen werden kortstondig weduwe alvorens ze weggevoerd werden, de galgen draaien overuren en er volgde een intense jarenlange klopjacht op al wie erin geslaagd was de aanval te ontkomen. Nord had zo zijn twijfels over de dapperheid van die groep maar commentaar op de Stamboombende en hun daden viel niet in goede aarde. Wilderen vormden een gevaar voor de mensheid, het kleinste kind wist dat.  Zijn blik dwaalde rusteloos af. De kamer had meer dan genoeg afleiding te bieden. Met als pronkstuk een grote glazen bak op een massieve, donkere steen. De steen op zich was al een meesterwerk.  Loodzwaar. Met sierlijke taferelen vol draken en veldslagen. De tombe van de Eerste Allerhoogste Dappere. De tombe was er eerst, de eerste steen van de toekomstige school voor beloftevolle jongeren, zo stond er in de brochure van de school. De Unief. vormde zich op bijna organische manier rond het meubelstuk na het tragische overlijden van de Eerste Dappere. De man, pas veertig geworden maar al een rijzende ster in de academische wereld, was niet opgevreten door een draak, zoals Nordaque altijd had gedacht. Hij ruilde het tijdelijke met het eeuwige ook niet in tijdens één van de bloederige veldslagen op het eiland Brès. Nee, hij was van de klif getuimeld na een dronken nachtje stappen in het dorpje Konquelphous. Zo de woeste zee in. Kliffen zijn dodelijk, dat stond op het bordje bij de rand, daar geplaatst door de oplettende burgers van Konquelphous. Waarna zijn volgelingen zijn lijk nog naar boven mochten sleuren. Eerder op die avond had de Eerste Allerhoogste Dappere luid verkondigd dat hij verzot was op de kliffen van Konquelphous en zijn maten interpreteerden die woorden als: 'Daar wil ik ooit begraven worden'. En zo geschiedde.  Dus trokken ze de school maar ter plekke op, zo uit donkere stenen rechtstreeks uit de klif gehakt. Het duurde jaren om het bouwwerk klaar te krijgen. Menig arbeider tuimelde in navolging van hun leider, de dieperik in tijdens de werken. Die kregen geen eervolle tombe en weinigen werden ook maar gezocht maar hun namen stonden keurig in de inkomhal gegrift, als eerbetoon. Maar de school kwam er eindelijk: rotsvast, letterlijk en al eeuwen een baken voor licht en wijsheid en etc... De tombe diende nu als voetstuk voor een glazen bak waarin De Allerhoogste Dappere belachelijk kleine, veelkleurige draakjes hield. Vreemde keuze van huisdier. Nordaque liet de man voor hem rustig de loftrompet afsteken voor zijn naam, faam en bereikte doelen. Hij observeerde de draakjes. Op de werktafel stond een identieke draakje, onder een stolp. Steendood en vastgepind met naaldjes op een bloemetje, om zijn pracht te tonen. Het beest was verwaarloosbaar klein, nauwelijks groot als Nordaques hand, met dank aan de vleugels. De aanblik van de donkere poederogen op de knalrode vleugels bezorgden Nordaque een rilling. Hij voelde zich een beetje bekeken. Door een dood draakje. 'Het zijn Mobeese Jachtdraakjes.' De Allerhoogste Dappere legde zijn gerimpelde, met levervlekken overdekte hand liefkozend over de stolp. 'Zeldzaam. En meedogenloos in hun speurtocht naar Wilderen. Meneer Hunister, een jongeman met uw capaciteiten mag zijn leven niet zomaar vergooien. Dat is bijzonder slecht voor uw toekomst en onze reputatie. U kunt wachten in de gang, u wordt zo dadelijk opgehaald.' Nordaque vluchtte het kantoor uit en plofte op de stoel in de gang, naast de deur. Hij maakte zijn das los, het bovenste knopje van zijn hemd volgde.  'Zo dadelijk' vertaalde zich in anderhalf uur. Op het einde van de gang dook een magere kerel op. Met een ontevreden uitstraling die hem wonderwel paste. Hij marcheerde bijna de gang door, doelbewust richting kantoor en klopte aan zonder Nordaque ook maar aan te kijken, al zat die daar naast de deur. De deur ging open en weer dicht. Nordaque kauwde een tikje bezorgd op zijn onderlip, hij herkende de man van in het dorp grenzend aan De Unief. en zijn aanwezigheid hier beloofde niks goeds. 'Meneer Hunister, komt u maar binnen. Dit is de heer Danz,' stelde de Allerhoogste Dappere hem voor. 'Hij staat in voor uw werkstraf. Vier weken lang zal u iedere dinsdagmiddag en iedere zaterdagmorgen meneer Danz helpen met het uitvoeren van zijn job. Krijg ik een goed verslag op mijn bureau, dan begint u met een schone lei en verwacht ik goede resultaten zoals hoort bij iemand met uw talenten. Ik hoop dat dit even leerrijk voor u zal zijn als de lesblokken.'   (Inleiding van wat hopelijk een goed onderbouwd, logisch magisch getint verhaal zal worden, hahaha)

De Donderklif
96 1

Als personages eindelijk doen waarvoor ze geschreven zijn... (En hij deed er lang over)

(Stukje uit verhaaltje getiteld 'Nix', moment van grote opluchting voor mij want mijn 'held' had zich tot hier toe nogal afzijdig gehouden. Je zou toch denken dat wie het verhaal verzint, het voor het zeggen heeft :) Bij deze.) Cas lag, volledig aangekleed op zijn eigen brits met zijn bijl binnen handbereik. Hij verkeerde in een vreemde toestand van opperste alertheid en een roes tegelijk. Alles kwam hem scherp over. Hij spitste zijn oren.Herkende de voetstappen die zijn tent met grote passen naderende. Tabs. Cas veerde overeind. Hij had al post gevat naast William nog voor Tabs zijn aanwezigheid kon aankondigen. De tent zipte open, Eerste Hoger Officier in 't Veld Mauro Tabs liet de flap los. Het tentje trilde in de loeiharde wind. William ging met een lap tegen zijn lege oogkas gedrukt, overeind zitten. Er sloop een lepe grijns over Tabs gezicht toen hij Cas opmerkte. 'William staat onder mijn bescherming, meneer,' begon Cas op vriendelijke toon. 'Ter plaatse rust, soldaat, geen zorgen. Professor Liv zegt dat alles goed komt.' Beide soldaten ontspanden tegelijk. Cas voelde er weinig voor om het aan te stok te krijgen met Tabs, hij had hem min of meer trouw gezworen en Tabs droeg gehoorzaamheid hoog in het vaandel. 'Je krijgt de hoer terug.' De Officier zette een stap opzij. Nix stond, met zijn kleren in zijn handen geklemd, achter Tabs. Half in en half uit de tent. Cas opende zijn mond om de voor de hand liggende vraag te stellen. Nix hield zijn blik neergeslagen, van zijn gewoonlijke bravoure viel niets te bespeuren. Hij hield het bundeltje kleren beschermend voor zijn kruis. Cas verlegde zijn blik van Nix naar Tabs. De officier haalde zijn schouders op. Nix' lichaam vertoonde genoeg sporen van een bijzonder ruwe avond.  Ooit zou hij een keuze moeten maken, besefte Cas. Of tussenbeide komen of beslissen dat hij zich er niets van aantrok. Zo nadien eens polsen naar Nix' toestand proefde bitter en hypocriet. 'We vertrekken over vijf uur. Zorg dat jullie nog wat slaap krijgen, ik kan alle goede mannen gebruiken. En ik hoef zo'n afkeer niet meer te zien, soldaat.' Tabs keurde Cas, van de toppen van zijn schoenen tot hun ogen elkaar kruisten en wat Tabs zag, stond hem helemaal niet aan. De officier rechtte zijn schouders. 'Hij is een hoer, verdomme, niet één of andere hooggeboren snotaap. Ik doe met hem wat ik wil, wanneer ik het wil.' Tabs gaf Nix een klap op zijn achterwerk en met een wolfachtige grijns op zijn gezicht verdween hij. 'Hoe is William?' Nix schraapte zijn keel.  'Het komt wel goed.' William trok één wenkbrauw op, waar hij onmiddellijk spijt van had. Met een kreun van ellende ging hij opnieuw liggen. 'Echt, helemaal in orde,' wuifde hij verdere vragen weg.  'William heeft gelijk,' sprong Cas hem bij. 'Liv heeft er alle vertrouwen in. Weliswaar met één oog maar dat is overbrugbaar. We vinden wel een ooglapje dat hem beeldig staat. En jij?'  'Ken je dat gevoel dat iemand de grond onder je voeten wegslaat, keer op keer tot je eigenlijk niet meer weet of er nog wel zoiets bestaat als grond?' Nix woelde onrustig door zijn haren. Cas' mond viel open. 'Euh, nee, niet echt.' 'Juist, sorry. Het gaat prima, zoals gewoonlijk. Ik wil wel blijven kletsen maar ik moet een slaapplek zoeken. Ik ben moe en geen kans dat ze me met rust laten deze nacht. De officieren zijn nogal opgefokt.' Hij glimlachte zonder dat de lach zijn ogen bereikte.  'Je mag hier wel op de grond slapen, als je dat ziet zitten. Hoef je niet opnieuw naar buiten.' Cas knikte naar Nix' bed, waar William mottig lag te wezen. 'Sorry, ik hou William liever in de buurt, ik vertrouw Tabs helemaal niet.' Nix knikte gelaten, nam dankbaar een stel droge kleren aan van Cas en nestelde zich met een extra deken op de grond. Hij rolde zich op tot een bolletje. Hij huilde, besefte Cas tot zijn grote afgrijzen. Met grote ogen en een stijgend schuldgevoel lag hij te luisteren naar de gesmoorde snikken. 'Zeg iets!' gilde zijn innerlijk stem hem boos toe. 'Verzin iets zinvols, hij huilt! Wees een man en ga hem troosten!' Het koude zweet brak hem uit. 'Nix?' 'Laat me verdomme met rust, ik wil slapen,' snufte de jongen. 'Huil je?' 'Nee.' 'O, ik dacht...' 'Je dacht verkeerd. Hou je mond, Cas.' 'Juist.' Cas voelde er veel voor om gehoor te geven aan dat verzoek. Hij bekeek enkele minuten lang aandachtig het zeil boven zijn hoofd en hoopte dat de juiste, magische woorden er zouden verschijnen, liefst in neonletters zodat hij ze maar af te lezen had. Het zeil bleef donker. 'Ze hebben zich dus weer eens boertig gedragen,' stak Cas vol medeleven van wal in de hoop zijn geweten te sussen.' Wil je erover praten?' God, wat bezielde hem om DAT te zeggen, hij wilde er niets over weten! 'Ik praat niet over het werk,' kwam het betrapt en tot Cas' torenhoge opluchting. 'Ik ben het gewoon.' 'Daarom is het nog niet oké, Nix,' antwoordde Cas gemoedelijk, iets minder nerveus nu het gesprek niet dreigde uit te lopen op een pijnlijk verslag van wat Tabs met de jongen uitvrat.  'Wij hebben geen vakbond. Trek het je niet aan, het kan erger. Ik heb koud, dat is alles.' 'Euh, je mag wel bij mij slapen, als je wil.' Nix' ogen vlogen open, één en al wantrouwen. 'Ik wil niet,' zei hij kortaf. 'Ik lig hier prima.' Cas ritste zijn dikke slaapzak open en schoof wat op: 'Ik wil morgen niet aan Tabs uitleggen dat zijn favoriete hobby doodgevroren is op de vloer van mijn tent. Kom hier, Nix.' In het andere bed roerde William, het goede oog traande aan de lopende band maar het was zonneklaar dat hij, onder al die tranen, dreigend naar Cas loerde. Tot hun stomme verbazing bond Nix behoorlijk snel in, hij rammelde inderdaad van de kou.  'Schuif eens op, soldaat.' Cas herkende de eerste tekenen van Nix' onverschilligheid en ontspande, de jongen stond niet op het punt om hysterisch te worden. Het had wat voeten in de aarde maar na wat ongemakkelijk gefriemel en geschuif, lag Cas best comfortabel. Hij dimde het licht. 'Dat was toch geen verzoek voor seks, hé? Ten eerste heb ik er absoluut geen zin in en ten tweede, Tabs maakt je af als hij het ontdekt.' Nix lag tram op zijn rug, met zijn handen als een dode over zijn borst gevouwen. De achterdocht droop van zijn stem. 'Tabs maakt me niet af, hij vraagt hoogstens een bijdrage,' verzuchtte Cas. Tussen Nix' ogen kroop een diepe, bezorgde rimpel. 'Dat is geen antwoord op mijn vraag,' stelde hij droogjes vast. 'Ontspan, Nix. Ik blijf echt met mijn tengels van jouw schriele lijf. Je kwetst me, weet je dat?' probeerde Cas luchtig. 'Niet alle mannen zijn gevoelloze klootzakken.' 'Het spijt me van je tere gevoelens,' bromde Nix maar hij schikte zich toch iets makkelijker in bed. Ze lagen in stilte naast elkaar. Cas durfde nauwelijks ademhalen. De hoer kronkelde zich na een poosje slaperig uit het shirt. Hij nestelde zich tegen Cas aan, lepeltje lepeltje. De jongeman sjorde Cas' arm over zijn borst als een dekentje. 'Je houdt ze bij me weg deze nacht, ja toch?' ritselde Nix slaapdronken, nog niet bereid om Cas helemaal te vertrouwen. 'Tabs en de rest van de roedel, ik heb zo geen zin in een herhaling van deze avond. Zeker weten dat dit niet in mijn huurcontract staat.' 'Beloofd. En ja, je mag nog steeds mijn hand breken wanneer je denkt dat ik te handtastelijk word,' voegde hij er subtiel aan toe. 'Daar hou ik je aan.' Nix ontspande met een diepe zucht. 'Bedankt, ik voel me best veilig.' Hij gniffelde zachtjes en het bed trilde mee. Er viel een gemoedelijke stilte waarin Nix het waken ten slotte opgaf en in slaap sukkelde. 'Beschaam zijn vertrouwen niet, soldaat, of het mijne,' bromde William in de schemer. Cas herkende het onuitgesproken dreigement. 'Nooit, William, dat weet je. Ga ook maar slapen, ik waak wel over jullie allebei.' 'Mijn oog doet pijn, ik kan niet slapen.' 'Jouw oog kan geen pijn doen, het is weg.' Cas grinnikte, het was sterker dan hemzelf. Williams goede oog vlamde op, voordat hij glimlachte. 'Mijn oogkas dan. En Cas?' 'Hmmm?' 'Ik wil een lapje met sterren en planeten op. Glow in de dark, dat zou cool zijn.' 'Kan geregeld worden, denk ik. Ga slapen, maatje. Morgen wordt een lastige dag.' 'Ik red het wel.' 'Ik bedoel...' Cas wisselde over Nix' schouder een blik met zijn broeder. 'We moeten de officieren spreken, over Nix. Heb je gezien wat hij met die slinger deed?' 'Nee, Cas, ik had andere dingen aan mijn hoofd.' 'Hij weet zo'n ding goed te hanteren.' Cas overliep de beelden in zijn hoofd.  'Dus je geeft hem aan,' stelde William vast, overduidelijk teleurgesteld. 'Cas, hij vertrouwt je.' 'Ja, dat stoort me ook een beetje,' mompelde Cas.  Maar het was hem nu kraakhelder dat Nix precies wist wie er achter die aanvallen zat en waarom.  De jongeman roerde in zijn slaap, draaide zich om en kroop zo mogelijk nog dichter tegen Cas aan. Cas probeerde het vreemde gevoel dat zich roerde in zijn borst te negeren. Hij was soldaat, mensen beschermen kwam met de job. Het was een vanzelfsprekendheid, wist hij. De kleine lettertjes in zijn contract. Hij lag roerloos op de brits, bang dat de pootjes het zouden begeven onder het gewicht van de twee mannen als hij ook maar een scheet liet. Hij luisterde naar de fel opkomende wind, spitste zijn oren, alert voor de voetstappen van Tabs. Achter hem rommelden de stemmen van de soldaten op wacht. Cas overliep in gedachten zijn loopbaan. In zijn tweeëndertig levensjaren had niemand hem dat ooit gezegd.  Veiligheid was een groot compliment, dat doet iets met een man, vond hij.

De Donderklif
26 1

Soldaten en Prostituees II

(Zo is het hoofdstukje netjes afgerond. Deeltje 1 uit een klein Epos, als dat kan, getiteld 'NIX') De mensheid timmerde al een kleine eeuwigheid aan een weg doorheen het Barre land. Dat stukje wereld pronkte op geen enkele kaart. De zware tochten eisten doorheen de jaren een hoge tol: men mocht al van een geslaagde expeditie spreken als er iemand levend terugkeerde om te melden dat de anderen het niet gehaald hadden. Het Barre Land herbergde vele geheimen en liet zelden getuigen achter. Iedere expeditie bracht waaghalzen, avonturiers en professoren wat dieper de asvelden in, waar soldaten op een nieuwe plek een basiskamp uit de grond stampten.  Vandaag was de dag, glimlachte Cas tevreden bij zichzelf. Vandaag begon de eindsprint naar de voet van De Berg. Een tocht van enkele weken. Van kamp naar kamp, zeulend met al het materiaal en op het tempo van de trage professoren. Maar op het einde van de tocht zette iemand, de koploper van de expedities, voor het eerst voet op de helling. In gras. Groen gras. Dik, groen gras. Hij kon het zelf met moeite geloven. Glooiende hellingen vol groen gras, zo beloofde de folder. Niet dat hij deel zou uitmaken van die laatste groep, Cas' job was om de professoren te begeleiden naar het laatste basiskamp en geen stap verder.  Maar toch... hij zou het kunnen zien, dat gras. Misschien zelfs ruiken. Hij sloot zijn ogen en ademde heel diep in. De geur van gemaaid gras was hem onbekend maar zijn grootmoeder kon er lyrisch over doen. Cas' eigen moeder had hem ooit wel verteld dat de wereld overheersend groen was geweest, in een vaag en ver verleden. Cas kon zich daar niet eens een beeld bij vormden: hij was opgegroeid tussen as en stof. Niemand die nog wist hoe het kon gebeuren, wat er gebeurd was. De wereld verging. En toch niet helemaal. Cas verlangde wel naar iets groens en misschien wat betere lucht want hier op de Rand van de Wereld ademde hij vooral stof in. Alles smaakte een beetje zout. Hij maakte zijn rugzak, hij was intussen een ervaren pakker en tien minuten later verscheen hij op het appèl. Tot zijn stomme verbazing was hij niet de eerste. De jonge prostituee stond er ook, met een versleten rugzak over zijn schouder en een muts over zijn hoofd. Hij droeg een bril met licht getinte glazen en glimlachte verontschuldigend. Cas keek overdreven rond en kreeg een onaangenaam voorgevoel. De jongeman raadde zijn gedachten. Hij haalde gelaten zijn schouders op. 'Sorry, soldaat. Ik moet mee.' 'Mee?' Cas nam hem ongelovig op. De jongeman droeg een paar oude all-stars, een vuile broek en dito shirt dat hem weliswaar goddelijk stond maar verre van geschikt was voor de trip. 'Het vriest daar 's nachts en overdag regent het zure assen. Heb je niks meer geschikt?' 'Ik heb niets warm. De mannen willen me zonder kleren zien, soldaat, niet ingeduffeld.' Hij schonk Cas een blik waarop Cas kon opmaken dat hij dit ook wel moest weten. De hoer bezorgde hem een ongemakkelijk gevoel. 'Dit is het en dit zal moeten volstaan.' De jongeman kauwde op zijn onderlip zonder oog te hebben voor Cas' afdwalende gedachten. 'De heren officieren willen zo tussendoor hun pleziertje en huren mijn lijf voor de komende weken tegen een verzacht prijsje voor het aangedane leed deze ochtend, dus ik ga mee en vries waarschijnlijk dood. Niet dat het iemand iets kan schelen.' Hij zei het zo nonchalant dat Cas bijna lachte. Maar de jongeman maakte geen grapje. Hij vervolledigde de gastenlijst, samen met de oude, kranige veger. 'Sloms, meneer,' salueerde de veger met een sardonische blik. 'Ik ben gehuurd om het de officieren comfortabel te maken.' De dikke, felblauwe, nieuwe jas stond hem belachelijk. Zijn dunne schouders konden het gewicht van de parka nauwelijks dragen maar de grijsaard was duidelijk in zijn nopjes. Hij loerde verlekkerd naar de hoer.  'Vergeet het maar, Sloms. De eerste keer dat je een vinger naar me uitstak, kostte die ondoordachte handeling jou een oog, weet je nog? Jij kunt me niet permitteren, man, en voor geen geld ter wereld ga ik met jou naar bed dus kijk niet zo, ik krijg er rillingen van,' gooide de jongeman achteloos op. Sloms blafte een soort lachje. De hoer slaakte een hemeltergend diepe zucht. 'Alleen in jouw dromen, ouwe man,' mompelde hij. 'Alleen in jouw dromen.' 'Als ik mijn werk goed doe,' de veger stond op de toppen van zijn tenen en bracht zijn tandloze mond tot bij Cas' gevoelig oor. 'Dan is hij mijn beloning.' Hij maakte een bijzonder suggestief gebaar. Cas mompelde iets en maakte zich uit de voeten. De anderen druppelden uit het hotel, de ene al meer geladen dan de ander. Ze namen de nieuwkomer ongelovig op. 'Hij gaat mee,' blafte De Officier met het blauwe oog en smoorde met een woeste blik, dat teniet werd gedaan door dat blauwe oog, alle verdere opmerkingen in de kiem. 'Ik zoek een degelijke outfit voor hem,' wierp Cas op. 'Hij kan zo echt niet mee.' 'Jij blijft hier, soldaat, die hufter is mijn zorg, niet die van jou,' beet De Officier hem toe. Cas klemde zijn kaken op elkaar. De hoer gluurde vanuit zijn ooghoeken naar Cas en knikte, dankbaar voorde poging. 'Iedereen klaar?' De expeditie werd uitgezwaaid door het voltallige hotelpersoneel en een hoop smachtende jongemannen die stuk voor stuk met tranen in de ogen hun gezel uitzwaaiden. De jongeman liep de vierde in de rij, vlak achter De Officier. Hij beschikte over een verrassend goede conditie, zag Cas tevreden. Hij hield moeiteloos het tempo bij, met een energieke tred en rechte rug. Als een kind op dagtocht. Cas zelf sloot de rij, zijn vaste plek. In zijn hand rustte een stevige bijl, het enige nuttige wapen op zo'n tocht en handig voor allerlei andere klusjes. Hij kon over de koppen kijken, tot helemaal vooraan. De rij telde 23 leden: tien geoefende soldaten met een goede staat van dienst in het Barre Land, vijf hogere officieren op zoek naar eer en glorie, één jongeman op all-stars om de bedden warm te houden, één veger zonder duidelijke taak en zes professoren op de missie van hun leven: op zoek naar die ene plant die vrouwen terug in staat stelt om dochters te krijgen voordat de mensheid alsnog uitstierf...   

De Donderklif
43 1
Tip

Soldaten en prostituees

(Update: hier ´tip van de week´ worden, is mijn grootste schrijfprestatie ooit. De mooie woorden deden deugd, waardering is altijd fijn. Hartelijk bedankt dus voor deze eer!) Half vijf in de ochtend. Cas duwde met zijn schouder de houten deur van het barak open, zette zijn kop koffie op de trede van de veranda en rekte zich uitgebreid uit tot de spieren in zijn lichaam de herinnering aan het veldbed kwijtspeelden. De wolken hingen laag. Donkere, bewegingloze massa's, gevuld met stof en as. Het goedje, verrijkt met vocht, dwarrelde als sombere sneeuw naar beneden en vormde een grijs, kleverige laagje op de daken en paden tussen de verschillende barakken. De gebouwen stonden opgesteld in een U-vorm, aan de rand van de Gekende Wereld. Cas zocht zijn laarzen, op de plek waar hij ze gisterenavond had achtergelaten en draaide ze om. Drie kleine schorpioenen en één nijdige spin sprintten verrast weg, op zoek naar een veiliger schuilplek tussen de kieren van de trap. Hij trok zijn laarzen aan, nam de kop dampende koffie en ging op de trap zitten om te genieten van de zeldzame rust. Zijn blik gleed loom over de grijze wereld, tot zijn ogen bleven rusten op de enige andere wakkere ziel op het hele domein. Een man, kromgetrokken door de leeftijd en het barre klimaat, stond, dik ingeduffeld tegen de kou, als een bezetene te vegen. Propere trappen voor de heren in het hotel, dat was zijn 'raison d' être'. Alsof hij Cas' blik voelde, hield de grijsaard op en stak bij wijze van groet de borstel in de lucht. 'Ik betaal hiervoor, hoer!' Cas zette behoedzaam zijn kop koffie neer. Hij en de veger keken als afgesproken naar de witte tent, opgezet naast het hotel. De ruzie liep hoog op, al kon Cas niet begrijpen waarover het ging: wie het ook was, was te dronken om goed te articuleren. 'Laat me verdomme los!' Cas slaakte een diepe zucht. Ruzie in het bordeel eindigde meestal in drama. En tranen. Een hoop tranen. Hij mocht de hoeren niet zo, teveel show en gedoe. De veger veegde niet langer. Hij omklemde de steel van zijn borstel als een wapen. Zijn ogen schoten heen en weer tussen de tent en Cas. Het werd moeilijk om deze onuitgesproken vraag te negeren, besefte hij. Hij hees zich met tegenzin overeind, nam afscheid van zijn heerlijke koffie en slenterde op zijn gemak naar de tent. Als de man in kwestie eerlijk betaald had, dan verdiende hij nog wat tijd maar dat rechtvaardige natuurlijk niet om de hoer de tanden uit te slaan. Cas voelde er niet veel voor om te storen. De hoeren hoorden bij het hotel, al was dat een grote naam voor het bouwvallige houten bouwwerk aan de rand van de wereld. Cas was een lange, slanke gespierde man en met zijn 32 lentes al één van de meer ervaren rotten in het vak. Dit was zijn zeventiende trip naar de Rand van de Wereld en bijgevolg de zeventiende keer dat hij hier gestationeerd was en ruzies oploste tussen dronken heren met sterren op hun schouders en de hoeren. Zelden zag hij twee jaar na elkaar hetzelfde gezicht terug in de witte tenten. Hij maakte zich geen zorgen om hen, ze vormden een gewaardeerd deel van de accommodatie van het hotel maar telden niet mee. Cas kon niet toestaan dat één van zijn bazen eigendom van het hotel vernielde. Daar kwam papierwerk van. En nog meer drama.  Cas passeerde de veger, die met kleine, scherpe oogjes naar hem opkeek. De man wees, met het uiteinde van zijn borstel naar de tent. Zijn oogjes schitterden van opwinding bij de volgende schreeuw. De tent daverde op zijn stokken.  Hij grijnsde wellustig. 'Geen spek voor jouw bek, man,' zei Cas vriendelijk. 'Als hun baas merkt dat je naar hen staat te gluren, word je op staande voet ontslagen.' En hier, in de deze uithoek van de wereld, stond dat gelijk aan langzaam wegteren. De grijns verbleekte.  Ze schrokken allebei van een soort grom, gevolgd door een vreemde snik waar Cas een beetje onpasselijk van werd. Daarna keerde  de stilte terug. Cas haastte zich richting tent en tingelde zachtjes met het belletje. 'Meneer, is alles goed daarbinnen?' 'Cas, moei je niet,' sprak een zware stem, donker van opwinding en drank. Cas propte zijn handen in zijn broekzakken en ging staan wachten. Hij stond beleefd met zijn rug naar de tent gedraaid, wat op afstand en luisterde naar het gehijg en gekreun. Kort daarop waaierden de flappen open. Er dook een man naar buiten, met zijn uniformjasje over zijn schouder gedrapeerd. Hij keek tevreden uit zijn ogen en spotte Cas. De Officier gooide de flap dicht.  Cas sprong in houding. Zijn baas trok zijn vestje aan en knoopte zijn broek dicht. Zijn oog kleurde voorzichtig paars. 'Die kan jij je niet veroorloven, man.' Hij floot tussen zijn tanden. 'Het is een wild schepsel en wat een lijf.'  'Ik hoorde geruzie,' antwoordde Cas rustig. Het gezicht van de man betrok. Hij loerde met waterige oogjes naar de tent en slaakte een bodemloze diepe zucht.  'Zorg dat die hoer toonbaar is voor het ontbijt. En geen woord hierover, soldaat.' 'Ja, meneer.' Cas keek hem na en dook de tent binnen. Hij liet de flap openstaan en zijn ogen wenden langzaam aan de schemer.  'Licht?' 'In de hoek,' kwam het gesmoord vanuit de duisternis. Cas rommelde onhandig met de lamp, het was een antiek geval op zonnebatterijen en kwam maar moeizaam tot leven. Hij stond onbeholpen in de hoek met het ongemakkelijk gevoel dat hij de hele ruimte vulde. 'Is alles goed met u?' vroeg hij toen maar. In het spaarzame licht van de lamp stond een man, hoogstens twintig jaar oud, slank en fijn gespierd. Zijn huid had de kleur van warme aarde. Cas' mond viel open: hij kende alleen maar grauwe, bleke mensen. De jongeman negeerde Cas compleet en woelde met zijn beide handen door een wild, jongensachtig kapsel. Hij bestudeerde aandachtig de toppen van zijn vingers. In het gele licht kleurden zijn haren groen, vol parels en samengeklitte lokken. Cas hervond zijn stem toen een paar bruine ogen hem vragend aankeken. 'Kan ik u helpen?' Zijn accent kwam Cas niet bekend voor. 'Als u ook wil,' de stem haperde even. 'Dan moet u een afspraak maken met mijn baas,' vervolgde hij koeltjes. 'Niet echt,' glimlachte Cas. De jongeman knikte en raapte een hoop kleren van de grond. Er zat bloed aan zijn vingers. 'Bent u beschadigd, moet ik iets rapporteren?' Cas nam zich voor om de officieren eens streng toe te spreken in verband met hun omgang met de lokale hoeren. Dit exotisch exemplaar kostte waarschijnlijk een fortuin. De jongen snoof zachtjes, wilde iets zeggen maar slikte de woorden weer in. 'Nee, ik ben in orde. U mag gaan, soldaat, maar bedankt voor...' Alle bloed trok vervolgens uit zijn gezicht. Hij wankelde, greep naar het kastje bij het bed om houvast te zoeken, vond het niet en ging met een zucht onderuit. Cas vloekte binnensmonds. 'Flauwvallen en drama, altijd hetzelfde.' De donkere haren kleefden samen van het bloed. Cas keek naar buiten, waar zijn officier was verdwenen. Grote kans dat hij die jongen met zijn hoofd tegen de bedrand heeft geknald om hem iets meegaander te maken, bedacht hij somber. De jongeman zag er eerder het pittige type uit. Cas hurkte neer en kneep zijn ogen tot kiertjes. De prostituee had op zijn ribben een kleine tatoeage van een bloem. Het was fijn werk, merkte Cas respectvol op. Hij viste het shirt die de jongeman had opgeraapt van tussen de slappe vingers en maakte die nat met water van het glas op het kastje. De wimpers trilden toen hij de natte stof tegen de buil drukte. De jongeman greep Cas' arm om niet te kantelen en ging op de rand van het bed zitten, met zijn natte shirt tegen zijn hoofd gedrukt. Hij liet het shirt in zijn schoot vallen en keek verbaasd naar het bloed. Zijn ogen werden groot van ongeloof. Cas hurkte voor hem neer, hij voelde oprecht met de jongen mee. 'Je was bewusteloos, ik denk dat hij alles met je heeft gedaan wat hij wilde, vriend.' Hij klopte de jongeman op zijn knie. 'Red je het verder?' De ochtenddienst riep, over een kleine drie uur vertrok de expeditie richting de Rand van de Wereld. Cas werd geacht mee te gaan om de dure professoren te beschermen. Hij liet de beduusde jongeman achter. De veger stond nu al drie treden hogerop en veegde alsof zijn leven ervan afhing. Nog zes treden te gaan. Stof schoof van links naar rechts en terug. Hij keek op, zijn ogen flitsten naar de tent. 'En?' vroeg hij verwachtingsvol. Cas draaide zich om. De hoer stond in de tentopening, intussen gekleed in een vuile broek. Hij beende, met een emmer in zijn hand en met nijdige lange passen, doorheen het neerdwarrelende stof richting waterbekken. 'Zie dat eens,' kwijlde de veger. 'Hij komt van daar.' De borstel wees richting Rand van de Wereld. 'Ik betwijfel het,' antwoordde Cas vriendelijk. Zijn ogen bleven iets langer dan nodig rusten op de elegante verschijning. 'Zeker weten van wel,' piepte de veger gekwetst. 'Ik was er bij. Hij komt van daar, van de berg.' 'Hij lijkt me niet te genieten van zijn job. Als hij van daar komt, zoals jij beweert, dan kan hij terugkeren. Toch?' De oude man zond hem een duistere blik toe. 'Beschuldig je mij van liegen? Hij komt van daar, waarom hij niet terugkeert, is zijn zaak en die van zijn baas. Maar ik zeg je, hij is onbetrouwbaar.' 'En dat geloof ik dan weer onmiddellijk. Bedankt voor de tip.' Cas glimlachte naar de veger. Hij liet de man achter op de veranda, in het gezelschap van zijn borstel en stapte het gebouw binnen. De meeste officieren zaten al aan het ontbijt. Ze groetten hem kort en Cas schoof aan bij zijn eigen mannen, met een goed gevuld bord en een tweede kop koffie. 'Problemen gehad?' Zijn tafelgenoten zaten breed te grijnzen. Eén van hen knikte naar de officierstafel, waar een man met een blauw oog zat. 'Hmm, hij sloeg een hoertje bewusteloos om zijn gang te kunnen gaan,' mompelde Cas. 'De smeerlap,' bevestigde Cas' beste maat. 'Officier Gilles staat gekend voor zijn grove manieren. Wauw, kijk daar eens. Hé, schoonheid, tijd voor mij?' Ze draaiden allemaal hun hoofd richting raam. De jongeman stond nonchalant tegen een waterreservoir geleund, met zijn handen in zijn zakken. In gesprek met een collega. Het contrast tussen beide kon niet groter zijn. De ene bleek, met de blauwe, ongezonde tint van iemand die het niet zolang meer zou rekken. De haren hingen futloos over het scherpe gezicht. Daarbij leek Cas' nieuwe kennisje zo uit vakantie te komen. Hij lachte vrolijk, ging flirtend met zijn hand door zijn haar en sloeg zijn ogen op, richting de soldaten. Hij stak prompt zijn middelvinger op naar de toeschouwers, nam de emmer en beende gezwind terug naar zijn stekje. Zijn bleke collega volgde hem op de voet. 'Heren.' Het gelach en gejoel viel stil. 'Heren, even jullie aandacht. Vandaag is de dag...' Cas luisterde maar met een half oor. Hij kende de speech intussen uit het hoofd.  Maar vandaag was de dag...  

De Donderklif
140 4