Op de oude Rijn vaart een toeristisch bootje voorbij de harp van koelte. In het bootje een gids die tevens het roer in handen heeft. Ze spreekt enkel als het nodig is. In luide korte zinnen legt ze uit wat het paar daar doet.
Vanuit de warmte zoekt het paar daar muzikaal water dat koel naar beneden valt. De keuze ligt bij hen; ze gaan onder de verfrissende stralen staan met een solsleutel op de arm. De vrouw houdt Sol op haar heup. Haar man staat erbij en kijkt ernaar. Zijn andere kind hijst zichzelf uit de rivier, vraagt niet eens om hulp. Hij kent het liedje dat zijn vader altijd zingt. Ik ben een dronkenman, een boerenzoon, een hulpeloze kloot. De jongen redt het. Hij bespeelt de harp van koelte, luchtig als de klanken van meesjes, kleine vogels die langs het wateroppervlak scheren, tegen buiken beuken.

