Ingrid Strobbe

Gebruikersnaam Ingrid Strobbe

Teksten

Waterkameel

Een lange strandwandeling, eindeloos veel schelpen, meeuwen, en dan dit. We zijn onmiddellijk in de ban van het object. Is het een zwarte sjaal? We buigen het hoofd om dichterbij te komen. Kwam het uit zee? We gaan door de knieën en kunnen het voorwerp aanraken als we dat willen. Is het werkelijk een grote sjaal die iemand achterliet? We denken allebei aan hetzelfde, dat blijkt uit onze blik van verstandhouding. Hij is erg begaan met dieren in het algemeen, daar horen zeedieren ook bij. Ik vind het gedrag van de consumerende mens niet altijd even respectvol. Het is niet omdat we de onderwaterwereld niet kennen dat ze niet waardevol is. We moeten zorgdragen voor al wat water is. Terwijl we daar staan bij het voorwerp dat we niet kunnen identificeren, vliegen meeuwen af en aan, ze landen in een plas zeewater op het strand. De kilometers van de Haan naar Bredene vreten we minstens zes keer per jaar. Het is een afspraak: het vreten doen we puur voor de gezondheid. Stilstaan bij de feiten en stilstaan bij mysteries doen we sowieso, onder welke omstandigheden ook. Dit zwarte doek heeft alles in zich om ons lang bezig te houden. Het doek heeft franjes van hetzelfde zwart, er hangen twee plastic dingen aan vast die ik met handschoenen van rubber zou kunnen losmaken indien ik ze bij me had. Het openvouwen van het object zou klaarheid kunnen brengen. We kunnen stellen dat het doek door een golfslag op het strand werd gegooid of dat het doek werd achtergelaten door een strandslaper en achteraf overspoeld door de zee. Ik volg het voorbeeld van mijn echtgenoot en sta weer recht. Ik strek mijn benen, wandel rond het voorwerp terwijl ik mijn blik er niet van afwend. Ik zie een platgetreden kameel, een aangespoeld waterkameel. Ik zie de kop, de buik, de poten. Hoe dan ook; we kunnen het ding niet achteloos laten liggen. Zodra we onze kilometerlange wandeling verderzetten, zal het door de Noordzee worden opgeslokt. Wij weten dan niet waar het plastic zal terechtkomen. Wij weten evenmin welk waterdier verblind zal worden door een zwart doek dat onverwacht tegen z’n kop en ogen kleeft. Ik neem een foto van het mysterie alsof het iets zal loslaten over z’n aard, z’n afkomst, z’n bestemming. Ik ga ervoor liggen op het vochtige strand; plat op de buik in mijn nieuwe jurk. Achteraf zie ik de foto die hij nam toen ik op mijn buik lag om een beeld te schieten. Het beeld zal bewaard blijven; een doek van katoen dat iets kwam doen op het strand, dat ons iets kwam zeggen. Het kwam tot daar om mensen zoals wij in een nieuwsgierige greep te houden tussen twee kuststeden in. De zee bleef even zwijgzaam als altijd. Het zand bleef stil in elke korrel terwijl het mysterie een column schreef.

Ingrid Strobbe
10 1

De spieren van de radioloog.

Mevrouw + familienaam: zo spreekt hij me aan. Ik zit al op de ontsmette bank wanneer hij binnenkomt. Onmiddellijk heeft hij de muis in zijn rechterhand, kijkt naar mijn rechterschouder, haalt het bh-bandje naar beneden terwijl hij naar het scherm blijft kijken en met de muis over mijn schouderblad rolt. Wat ziet u? Ik wil zo spoedig mogelijk weten waar hij naar kijkt. Zit het kwaad daar? Niet in mijn hart, gedachten of gedrag, maar daar, onder de vette muis? Schuilt het kwaad in de kom van mijn schouder, leeft het ondergdoken onder spieren, achter een muur van weefsel? Hij neemt mijn bovenarm vast alsof hij me gerust wil stellen, merkt luidop op dat ze...ja hij zegt het zonder woorden. Ik begrijp dat mijn bovenarmen rond zijn, breed zijn, mollig. Atrofie? Ik doe alsof ik vergeten ben wat dat woord betekent, dwing hem zijn gedachten uit te spreken. Nu is het duidelijk; hij denkt dat mijn armspieren aan het afsterven zijn! Waaaat? Sporten, mevrouw! Pak dit aan, ga sporten! Hemel bij god nog aan toe, denk ik. Het is voor dat gezwel op mijn schouder dat ik hier op uw vuil ontsmette bank zit! En waar is uw masker? Ik vraag u waar uw masker is, mijnheer de radioloog. Het gezwel is niet kwaadaardig. Dat nieuws is goed en lucht me op, ik vergeet onmiddellijk dat zijn insinuaties niet echt flatterend waren. Doe aan sport, vervolgt hij, in groep, een aantal dames, pilates, ja PILATES! Ik kijk hem aan, benadruk dat ik zwem en jog en fiets en veel wandel. U bent een verstandige vrouw, repliceert hij. Eet gezond. Ik eet gezond, beste mijnheer. Nog even en ik verander in een banaan, pif poef paf en de man gaat af. Bijna elke avond ligt Pascale op mijn bord nadat ze in de oven opwarmde. Er zit al maanden een heerlijke LEO in mijn handtas om zo nu en dan naar te kijken. Ik heb de paarse lekkernij niet uitgekleed noch op mijn tong laten smelten. Als extraatje zet hij de muis op mijn buikvet, glijdt daar rondjes op gel alsof het een ijspiste is. Hij nodigt me uit te kijken. Niet naar mijn buik, naar het scherm. Dat zijn spieren (twee cm) en dat is buikvet (vier cm) zegt hij. Hij stelt me gerust; het vet is uitwendig vet. Ik kan er niet ziek van worden. Voor een ijdeltuit als ik is dat geen grote geruststelling. Maar ik besef dat gezondheid het allergrootste goed is. Hij veegt mijn schouder schoon met een papieren doek dus loopt het onderzoek op z'n einde. Ik wil naar de kleedkamer maar hij houdt me staande met de woorden 'wacht eens even'. Staat u scheef? Ik zucht. Ik ook, bekent hij. Dat komt door mijn job, ik sta niet recht. Terwijl ik naar huis wandel vraag ik me af wat de man bezielde. Hoe is het gesteld met zijn spieren? Volgt hij PILATES of dwingt hij zijn vrouw naar de lessen? En natuurlijk ben ik heel erg blij dat het maar een vetbult is, wat niet wil zeggen dat ik net als een kameel dat vet kan verbranden om mezelf te voorzien van energie.

Ingrid Strobbe
30 2

Pinguin P

Pinguïn P wil geen nieuwe wending aan zijn leven geven. Hij piekert al maanden over een dreigende wending maar hij kan en wil de vredige alledaagsheid niet doorbreken. En toch lijkt zijn omgeving daar anders over te zullen beslissen.            Hij besluit op een dag naar Wim te gaan voor een gesprek. Wim ziet zichzelf het liefst als een pingofiel. De tocht naar deze levensgids is lang en niet zonder risico, beseft P hoewel de oude pinguin op zijn respectabele leeftijd nog altijd de fysiek van een zevenjarige heeft. Bij het krieken van de dag maakt hij zich klaar, neemt van iedereen afscheid, drukt hen op het hart dat hij zal terugkeren.            De zon doet warme pogingen om alle pinguïns richting flesjes zonnebrandolie te bewegen. Tegen het middaguur brandt ze op de vetlaag van hun witte buiken. Het wordt al snel te heet.In de tussentijd doen de pinguïns wat ze altijd doen: leven in zee, hun verenkleed wassen, hun kuikens voeden, korte vluchtjes door het water maken. En zweten.            Pinguïn P is vertrokken met een dubbele honger; een naar inktvisjes en een naar een rustgevend perspectief. Na drie uur heuplopen is P toch een beetje moe en rust hij wat uit op een blok ijs. Hij staart minutenlang voor zich uit. Veel meer doet hij niet. Zijn gedachten dwalen af naar een nieuwe en gevreesde transfiguratie. Hij heeft er lang over nagedacht, het zich ingebeeld, maar hij kan zich onmogelijk identificeren met een andere soort. Hoe kan hij zeeleeuw, zeehond of schorpioenvis worden? Hij wil pinguin blijven. Hij krijgt dwanggedachten waar hij vanaf wil. Ze verontrusten hem. Hij schaamt zich nu die dwingende en schrikwekkende wereld voor zijn geestesoog verschijnt. In een opeenvolging van beelden ziet hij: 1/een geheime voorbereiding, 2/een gecoördineerde actie, en dan 3/het resultaat van een massale pinguïnsuïcide. Overal liggen stukken van volwassen pinguïns. Zelfs de kuikens liggen er als bloedproppen bij. Ook de kleinsten hebben blijkbaar geholpen bij het hanteren van messen, het richten van mespunten, het precieze steken. Wat een gruwelijk tafereel! P krijgt krampen in de maag vanwege die angstaanjagende beelden. Ze wisselen mekaar snel af en doen zijn hoofd tollen als het hoofd van een dronken matroos. Vreemd genoeg draaien de beelden ook rond in een reuzenrad, ze bevinden zich in een pretpark voor zeevogels. Daar eten de vogels rode appels met suiker, en wafels met slagroom. Ze waggelen van het schietkraam naar de vrije-val-toren en lachen luid in hun onderbuik. Pinguïn P duizelt bij deze verwarrende toekomstbeelden. Aan zelfdoding doen in groep? Plezier maken in een pretpark?Hij vraagt zich af of hij misschien veel meer dan een mentale gids nodig heeft. Hij voelt dat zijn honger nog niet is gestild en waggelt naar de koude zee. Voorzichtig neemt hij een duik.             Na een korte lunchpauze zet pinguïn P zijn tocht verder. Hij heeft zijn nare ideeën in het ijswater achtergelaten. Na een tijdje heupwiegen lijkt een moeilijk pad zich voor hem te openbaren. Een erg smalle strook ijs, daar moet hij over zien te geraken. Hij berekent hoeveel stappen dat van hem vergt. Vijftig. Hij haalt diep adem en zet voetje na voetje tot hij aan de overkant die adem weer loslaat. Hij nadert Wim, dat weet hij wel zeker.            Toen de aarde nog niet opwarmde zoals de aarde nu opwarmt, was pinguïn P niet bang voor de toekomst. Hij kon als pinguïn leven en als pinguïn sterven. Sinds hij zijn zweet niet meer herkent als vluchtig maakt hij zich zorgen over wat nog moet komen. Hij vreest dat alle pinguïns moeten transformeren naar een andere soort; een soort dat in de diepte van de zee het leven kan verderzetten of een vliegend soort dat hoog boven de oceanen verder leeft. P weet wel zeker: hij is niet klaar voor die ommekeer. De geur van zijn zweet herkent hij niet sinds hij met die gedachte speelt. Hij wil vooral pinguïn blijven. Misschien kan Wim hem helpen?            P nadert het hol waar de pingofiel schuilt voor de vrieskou. Als hij bij de voordeur van het ijsgat staat hoort hij Wim al roepen: even geduld, ik kom zo! Als de zon ondergaat zitten ze beiden nog aan tafel bij een fles wijn en een stapel vis. P schudt heftig met z’n witte kop wanneer Wim zegt dat angst geen zin heeft.  Angst voor wat zal komen heeft geen zin. Zelfvernietiging? Wim schrikt van dat idee. Een voorbereidde zelfdoding? De veranderingen op Antarctica kunnen alleen nog maar aanvaard worden. Het is te laat voor de alarmbel. Te laat voor een betekenisvolle omslag. Daar is Wim van overtuigd.P begrijpt die boodschap niet. Hij wordt opstandig van het onomkeerbare. Er moet een oplossing zijn voor de opwarming van de aarde, het wegsmelten van zijn land, het verdwijnen van zijn voedsel. De pinguïnkuikens hebben recht op een toekomst en op hun aard, schreeuwt hij. Wim wordt triest van zoveel onmacht die nergens toe leidt. Hij is een absolute liefhebber van pinguïns maar kan P niet helpen. P wil zich bij voorbaat opsluiten in zijn identiteit. Wim is ervan overtuigd dat identiteit tijdelijk en inwisselbaar is.Ik ben hier en nu, zegt hij. Ik ben nu Wim maar morgen ben ik misschien een berg of een rivier. Ik leef met de stroom mee. Misschien word ik een vijand van mezelf, klaagt P, misschien word ik een zeeluipaard of zeemeeuw? Of erger nog: een mens? De gedachte een mens te moeten worden bezorgt P koudwatervrees, nee, het is sterker dan dat, het is de meest gruwelijke gedachte denkbaar. Hij weet hoe mensen omgaan met de aarde. Hoe konden zij hun moeder ooit opgeven?                     

Ingrid Strobbe
12 1

Pure rust.

Soms was het tijd voor het nageslacht, soms tijd voor een gevecht, nu slechts het tikken -tik tik tik- op het raam. Ik sta op, bevrijd mijn oren van de slaperige doppen, hoor nu beter. Een kleine tuinvogel ziet me naderen en drijft het tikken op. Het klinkt als agressie. Het klinkt te groot voor een vogeltje van die omvang. Haastig bevestig ik het krantenpapier tegen het raam om het rode borstje tot rust te brengen. Die handeling helpt. Is het het mannetje, het vrouwtje dat me dankbaar aankijkt? Doorheen het glas dat niet is afgeplakt zie ik nergens de tweede helft van het koppeltje. Ze wonen al een tijdje samen in de tuin. Ik was getuige van de bouw van hun optrekje. Een liftje ontbrak maar hé ja dat zat al in hun vleugels vervat. Het tikkende vogeltje wil me blijkbaar iets vertellen, iets vragen. Het wil iets kwijt, iets vinden. Onlangs ging ons gesprek over bekende tuinvogels (waar iedereen de naam van kent) en ik hoorde voor het eerst over de gekte van mensen om naambekendheid belangrijk te vinden. Daar hebben wij geen last van, bekte hij. Of zij. Ben ik een koolmeesje, een blauwborstje, roodborstje, duif? Dat is toch van geen belang, als je vliegen kan.  Ooit kwamen ze als koppel bij me aankloppen na een banale ruzie. Ze wisten niet dat dat de mensen ook overkwam. En ik werd gevraagd uit te leggen waarom de geest van mensen lijkt weg te vliegen van elk lichaamseigen genot, niet gebaseerd op drank of drugs die als een helicopter boven het hoofd hangt, maar genot op basis van de eigen pure rust. Het vogeltje achter de krant leek iets te kunnen ontcijferen, misschien het antwoord waarvan ik was vervreemd, ik probeerde iets te lezen in zijn vlucht.

Ingrid Strobbe
3 0

Waar ben ik aan gehecht?

Mijn woonkamer is gelegen op de derde verdieping. Geen lift dus neem ik de trap. Die is van steen. Geen tapijt want een tapijt zou wijzen op welstand en dat standje ken ik niet. Als ik de voordeur van mijn appartement bereik zie ik meteen dat er iets niet klopt. Wat klopt hier niet? Er is iets mis met het slot. Ik zie dat er iets mis is met het goedkope slot. Op het matje ligt een donker ding. Ik buk me, raap het op, kijk nog eens naar het slot. Wat in mijn hand ligt is er een onderdeel van! Heel veel denkvermogen heb ik niet nodig om te beseffen dat het slot geforceerd werd. Is het zo? Het is inderdaad zo! Het luidruchtig kloppen van mijn hart maakt me zenuwachtig. Ik probeer het te kalmeren. Met de ene hand open ik de deur, met mijn andere maak ik een denkbeeldige vuist. Er zijn slechts twee stappen nodig; een, twee. Ik zet ze. Stoere stappen richting woonkamer. En dan zie ik hem. Hij ziet mij. Hij schrikt, ik ook. 'Wat doe jij hier?' De nadruk ligt op JIJ! De JIJ van een vijand. De JIJ van een belager, een indringer, een schoft! Hij zegt niets, ik loop naar buiten, weg uit mijn eigen woning. De treden lijken me te helpen bij het wegrennen; ze geven de bal van mijn rechtervoet een duwtje, de hiel volgt, de andere bal een duwtje, de andere hiel volgt. Meteen sta ik terug op het trottoir. Ren de rijweg over, oef, er reden geen auto's in volle snelheid voorbij. Ik duik de bloemenzaak binnen.  'Een telefoon! Nu! Geef me een telefoon!' Op de agenten hoef ik niet lang te wachten. Ze brengen mijn gedachten terug naar de inbreker, staat hij nog steeds in mijn woonkamer, zoekend in mijn kasten naar waardevolle spullen? Naar geld? Zal hij iets stelen waar ik gehecht aan ben? Waar ben ik aan gehecht?    

Ingrid Strobbe
24 0

Vorige levens

Nee daar ben ik niet van overtuigd, zei ik. Ze had me gevraagd naar mijn geloof in vorige levens. Ik was niet voor dat deel verleden naar haar gereden op een vrije dag, ik had een afspraak gemaakt om mijn familie op te stellen in de ruimte.  in de tijd. Vanuit mijn ervaringen, kennis, gedachten, en bijgevolg met alle beperkingen vandien. Maar het zou niet gaan over beperkingen, het zou gaan over mogelijkheden. Het bleek mogelijk om een deel van mijn bloedverwanten in haar kamer op te stellen. Toch was er ook plaats voor mijn levensgezel en voor een thema.  Zelfs twee.   Thema: veiligheid. Familie: vader.   Op een cirkelcormige mat van Ikea had ik mijn vader klaar gelegd.  Precies achter mij. Ik keek naar de grote Buddha, en zolang ik naar de houten figuur keek, kon ik mijn vader niet zien. Hij kon niet in mijn ogen kijken. Wij kenden geen verbondenheid.   De vrouw trad binnen in een vorig leven, leunde stoer tegen een muur, keek lichtjes arrogant op me neer. Zij werd man toen ze daar stond en wist zich geen identiteit te geven. Ik twijfelde amper aan zijn geloofwaardigheid. Hij had geleefd. Hij had een rol gespeeld in het leven van mijn vader, had op een gluiperige manier misbruik gemaakt van zijn kinderlijk vertrouwen. Mijn vaders openheid naar de wereld en zijn sluimerende seksualiteit werden bekeken met misprijzen. Mijn vader liet zijn hoofd hangen, de hals in een diepe plooi naar voren. Hij zocht gulzig en dorstig de schouder van zijn moeder, vond geen schoot waar hij geborgen en veilig mocht zijn. Boos werd hij. Boos! Maar hij strekte zijn hals en keek als een gluiperd rond, de belofte makend dat wraak ooit zoet zou smaken.   Ik keek in de ogen van de vrouw die in vorige levens geloofde, zag mijn vader en zijn spijt. Herinnerde mij hoe hij vaak onder mijn rokje keek. Ik zocht de Buddha, vond minder hout.  

Ingrid Strobbe
7 0

Stel je voor dat...

het dier tot hier was gelopen, langs het licht van straatlantaarns en geparkeerde auto’s, langs fietsen tegen de voorgevels van ingedommelde huizen, het onkruid tussen de kasseien van trottoirs besnuffelend.   Eerst lag het in een doos waarin het handje van onze peuter graaide. Naamloos en geslachtsloos liet het zich optillen en knuffelen tot het terug werd gelegd. Het had genoten van het witte neonlicht van de winkel en van de bevrijding uit de enge ruimte van karton en duisternis.   Wat was dat voor een wezen? Dat had het zich afgevraagd toen de mond van onze kleinste zich opende en er geluiden uit ontsnapten. Omdat nieuwsgierigheid aanzet tot actie, had het dier zich laten vallen uit een opverende kinderschoot en zich gerept naar de uitgang en was zo onzichtbaar mogelijk voorbij de kassa geslopen.   Het lijkt erop dat dit soort toeval niet bestaat. De zeug was ons huis binnen gedrongen voor drank en spijs want ook pluche kent dorst en honger. Op een onbewaakt ogenblik had het zich in de gang verschanst en gewacht tot de deur van de woonkamer open stond. Het is een raadsel hoe het omhoog wist te klauteren op de houten tafel, en waarom het bij de huistelefoon post ging vatten. Spreken kon het niet dus konden wij geen beroep doen op het dier als assistent waneer er een oproep binnenkwam.   Ik belde naar mezelf om te kunnen vaststellen wat het dier zou ondernemen. Zou het überhaupt iets doen? Ring, ring, ring… Het varken richtte zich op, het puntje van de staart recht omhoog, het buikje wiebelend van links naar rechts en uit de oren kwam roze stoom. Ik dacht dat ik de geur van een boeket rozen gewaar werd en kon het amper geloven dat ik deze woorden hoorde: hallo, met ik en anderen! Hallo, met ik en anderen. Hallo, met ik en anderen. De welkomstzin werd eindeloos herhaald dus moest ik ingrijpen. Ik nam de telefoon uit de houder en zei gehaast: Dag! Ik hier. Je hoorde zonet een ander. Euh, een andere ik. Een varken van Ikea. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts…   en toen kwam mijn man om het brave huisdier uit te schakelen. Hij legde zijn vinger op mijn lippen, drukte op een knopje ter hoogte van mijn staartbeen.

Ingrid Strobbe
0 0

Stukken van mensen; hier is visser Fred.

Hier is visser Fred. Een man met nieuw vismateriaal en een raam om door te kijken. Hij ziet het water. Hij wordt lid van de visclub zodra het raam uit pvc aangekocht is.   De andere leden kijken op wanneer hij gedecideerd naar de visput komt gelopen. Ze zijn verbaasd; een handige helper monteert het raam in het gras, zet er een versleten visbak achter. De jongen controleert nog even, keurt het goed en Fred neemt plaats.  Hij houdt ervan naar buiten te kijken. Naar het water, de andere gezichten, de drijvende wolken in de verte. Hij zuigt zich vol met lucht. Zijn kastanjebruine haar tot op schouderlengte, het pokdalige gelaat ongeschoren.    Op de tweede zondag aan de visput heeft hij zijn helper weer mee. Die draagt een deur onder de arm. Opnieuw monteert hij dat ding in het gras. Vissers kijken vol ongeloof naar wat gebeurt.  Eerst een raam bij de vijver, dan een deur uit pvc. Wordt daar schaamteloos een opslagplaats opgetrokken? De andere leden begrijpen dat ze hem moeten stoppen. Wat zullen de vissen daarvan denken? Waterwezens worden niet graag begluurd door ramen en deuren, door de ogen van een visser met ondoorzichtige plannen? Belangrijk is om goed te weten wat de vissen willen eten.   De snoeken wilden geurende dode zeevis. Ze snakten naar een kikker om door te slikken. Daar droeg elk lid van de visclub een verpletterende verantwoordelijkheid. Met een plug in hun kieuwen zweefden de snoeken in een boog van onderwater door de lucht. Tijdens die vlucht kietelde hun buik tot ze bij de vissers aankwamen. Een ruwe hand nam hen beet en wierp hen weer de vijver in. En nog een hand, en nog één... Behalve de hand van Fred. Hij liet de vangst op het droge gras liggen of smeet ze zonder veel zorg in de visbak. Liet daar geen streepje licht meer binnen.   De derde zondag. Zonnig, 24 graden celsius en een gematigde wind. Ze verzamelden in het vergaderlokaal. Iedereen was het erover eens: hij kon niet blijven. Hij had het profiel van iemand die zich wilde isoleren en respecteerde de wet op terugzetting van snoeken niet. Hij moest eruit!  'Kende hij de wetgeving?' Jack bleef goedgelovig tot het tegendeel bewezen was.   Op de vierde zondag werd de nieuweling verrast. Hij zat weer bij het water en staarde door het raam naar zijn vislijn. Naast hem op de grond werd de hoeveelheid lege flesjes bier steeds groter. Omstreeks vier uur viel hij in een korte maar diepe slaap, de lijn slap in de hand. Van zijn gesnurk werden de vogels bang. Grassprieten maakten dat ze weg kwamen door hun eindjes aan mekaar te knopen en weg te duiken in de aarde. Daar was het heerlijk stil.  De snoeken werden zenuwachtig. Van stress wipten ze naar het oppervlak van het water. Steeds maar wippend naar het oppervlak en dan weer met de neuzen naar beneden. Dat duurde een heel kwartier, veel te lang voor vissen met een grote honger. Ze versterkten al doende wel hun spieren. Na een onuitstaanbaar half uur maakten ze gebruik van die fysieke kracht en sprongen vijandig naar het ergerlijke gesnor, met hun scherpste tanden richting het slapende lichaam. Ze zogen zich vast op zijn huid. Ze beten gretig stukken vlees uit hem tot ze er moe van werden.   Dan vormden ze een kring rond de bloedende man. Met ogen als helden in hun kassen. Met korte stootjes stem uit de keel gaven ze blijk van een geslaagde missie.   Jack stond nog bij het raam in het gras. Hij opende het en liet een lage, donkere wolksliert binnen.            

Ingrid Strobbe
0 0

stel dat...

het dier tot hier was gelopen, langs het licht van straatlantaarns en geparkeerde auto’s, langs fietsen tegen de voorgevels van ingedommelde huizen, het onkruid tussen de kasseien van trottoirs besnuffelend.   Eerst lag het in een doos waarin het handje van onze peuter graaide. Naamloos en geslachtsloos liet het zich optillen en knuffelen tot het terug werd gelegd. Het had genoten van het witte neonlicht van de winkel en van de bevrijding uit de enge ruimte van karton en duisternis.   Wat was dat voor een wezen? Dat had het zich afgevraagd toen de mond van onze kleinste zich opende en er geluiden uit ontsnapten. Omdat nieuwsgierigheid aanzet tot actie, had het dier zich laten vallen uit een opverende kinderschoot en zich gerept naar de uitgang en was zo onzichtbaar mogelijk voorbij de kassa geslopen.   Het lijkt erop dat dit soort toeval niet bestaat. De zeug was ons huis binnen gedrongen voor drank en spijs want ook pluche kent dorst en honger. Op een onbewaakt ogenblik had het zich in de gang verschanst en gewacht tot de deur van de woonkamer open stond. Het is een raadsel hoe het omhoog wist te klauteren op de houten tafel, en waarom het bij de huistelefoon post ging vatten. Spreken kon het niet dus konden wij geen beroep doen op het dier als assistent waneer er een oproep binnenkwam.   Ik belde naar mezelf om te kunnen vaststellen wat het dier zou ondernemen. Zou het überhaupt iets doen? Ring, ring, ring… Het varken richtte zich op, het puntje van de staart recht omhoog, het buikje wiebelend van links naar rechts en uit de oren kwam roze stoom. Ik dacht dat ik de geur van een boeket rozen gewaar werd en kon het amper geloven dat ik deze woorden hoorde: hallo, met ik en anderen! Hallo, met ik en anderen. Hallo, met ik en anderen. De welkomstzin werd eindeloos herhaald dus moest ik ingrijpen. Ik nam de telefoon uit de houder en zei gehaast: Dag! Ik hier. Je hoorde zonet een ander. Euh, een andere ik. Een varken van Ikea. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts één zinnetje. Het kent slechts…   en toen kwam mijn man om het brave huisdier uit te schakelen. Hij legde zijn vinger op mijn lippen, drukte op een knopje ter hoogte van mijn staartbeen.

Ingrid Strobbe
0 0

FREEK

Als je in een vliegtuigje zit (deed je dat al eens?) en je zou laag over ons land zweven, lijkt ons dorp op een zakdoek. Een zakdoek groot, geen dorp om in te verdwalen dus. Die zakdoek bestaat uit grondwater, grond, gras, enkele rijdieren, veel huizen, gebouwen waar mensen werken en twee scholen. Eén van die twee scholen is gelegen in de Rode Loop. Het heeft het huisnummer 16. Een schoolpoort met een koperen hangslot gaat ’s morgens om 6 u open. Het is Marthe die daar voor zorgt. Marthe is goed bevriend met Juf Katrien, en het is die juf die door de kinderen graag wordt gezien.   In de klas van de juf is plaats voor 24 kinderen, die allen een stoel en schrijftafel hebben. De tafels staan zo opgesteld dat iedereen iedereen kan zien. Zo zijn goede gesprekjes mogelijk, en wordt er ook samengewerkt omdat in een kring het gevoel geborgen te zijn het grootst is. Freek is er dit jaar nieuw bijgekomen. Hij is een bijzondere jongen, om twee redenen. Op een dag werd dat een beetje duidelijk voor Jelle. Jelle schrok zich wel een aap, en wist niet meteen wat te doen. Het gebeurde op de speelplaats, op het stukje gras waar het groepje vrienden een koek aten en grapten over hun huisdieren. Freek werd plots stil, zijn aangezicht werd bleker. Er verschenen uit het niets schokjes rondom zijn ogen en trekjes rond zijn mond. Hij keek daarbij wazig, en friemelde zonder op te houden aan zijn mouw. Jelle staarde er naar, en wilde een toezichter roepen. Opnieuw werd Freek weer Freek, zonder meer. Het had niet lang geduurd, maar lang genoeg om een volwassene op de hoogte te brengen.   Juf Katrien luisterde naar het verhaal van Jelle. Ze besloot niet onmiddellijk met Freek te gaan praten over het voorval. Na de lesuren, nam ze contact met de oma van Freek. De oma greep haar gsm en zei: ‘Met Steentje, ik luister’. Juf Katrien stelde zichzelf voor, en praatte, praatte aan een stuk door. De oma van Freek had goed geluisterd en meteen een voorstel geformuleerd. Juf Katrien had haar akkoord gegeven.   Op een woensdag kondigde de juf aan dat de oma van Freek kwam spreken. ‘Zoals een spreekbeurt geven?, had Hanne gevraagd. De oma stond stipt om 9u in de klas. Haar zilveren haar had ze in een dot opgestoken, haar nagels groen gelakt, de rode laarsjes die ze droeg waren gloednieuw. Ze schonk de juf en alle kinderen een brede glimlach. ‘Fijn dat ik hier mag zijn’, zei ze. Uit een grote draagtas haalde ze enorme rollen papier. Iedereen werd erg nieuwsgierig. Wat had dat te betekenen? ‘Ik ben Steentje’, zei ze, ‘en ik wil dit graag met de hele klas delen. Ze ontvouwde de rollen tot enorme prenten. Op de eerste prent herkenden we Freek (een deel was foto, de andere helft tekening) en delen van het menselijk lichaam. De tweede prent leek wel een afbeelding van het heelal: de zon, de maan, de sterren… De oma begon haar uitleg. Ze verklaarde eerst wat Jelle had gezien bij Freek en zo bevreemdend was geweest. ‘Als Freeks lichaam plots en zonder aanleiding schokjes en trekjes vertoont, zoeken de spieren op dat moment een andere plaats in het gezicht’. ‘Is hij dan ziek?’, wil Jelle weten. ‘De ziekte heet epilepsie, maar zal het na jaren opgeven. Er zijn helaas andere kinderen met een ziekte van dezelfde soort, die veel ernstiger is. Zij krijgen ook pijnlijke krampen aan romp en hoofd. Ze strekken of buigen hun hoofd omdat hun hersenen beschadigd zijn’. Alle kinderen luisterden aandachtig, ogen en oren wijd open. Juf Katrien vroeg of ze kon helpen door de prenten tegen een muur te bevestigen. Dat vond Steentje een goed idee.   De rok met vele plooien bewoog plezierig toen de oudere vrouw plaats nam bij de prent met fonkelende sterren. Ze keek alle kinderen één voor één aan, daar nam ze ruim de tijd voor. ‘Bij ons in de familie zijn we gewend geraakt aan de idee dat ieder op zich een sterretje aan de hemel is. De hemel is geen omgeving, ergens hoog en onbereikbaar voor de mens. Nee, ze is opgetrokken uit bakstenen, opgebouwd uit een hart en bloedvaten, uit de wens er voor mekaar te zijn. Dat is onze hemel. Als een jongen of meisje zich eenzaam voelt omwille van een ziekte of erger, en hij of zij kan niet rekenen op begrip en zorg van de anderen, wordt die ster dof en kijkt ze boos. Alle kwaadheid in de aders van die ster in de hemel, daalt naar de aarde en brengt de mensen in hun huizen veel verdriet.   ‘Is het daarom dat ik soms verdrietig ben en niet weet waarom?, vraagt Jelle.      

Ingrid Strobbe
0 1

Man in beweging

Hij viel me meteen op. Hij zat aan een tafeltje met een krant. Het bierglas op het tafeltje halfvol. Hij had even op geveerd , de stoel gegrepen en die in het zonlicht gezet. Dan nam hij zijn zonnebril af en legde die in zijn schoot, bewoog zijn hoofd traag naar achteren en sloot de ogen. Het was duidelijk iemand die kon genieten en zich niet liet hinderen door een conflict dat was ontstaan tussen een andere klant en de ober. Toen de ontevreden klant riep dat hij kon oprotten, opende hij de ogen. Op dat moment boog de vrouw met rode rok zich naar hem toe. Hij knikte en gebaarde vriendelijk dat ze kon plaats nemen. Zij had blijkbaar opgemerkt wat ik ook al had gezien. Misschien had ze om die reden aan zijn tafel willen plaats nemen. Het gesprek werd door haar ingeleid, ze raakte de kern van zijn aanwezigheid na al die kluizenaarsjaren als een patiënt die elk contact met anderen diende te mijden omwille van besmettingsgevaar. Hij schrok zichtbaar van haar kennis over zijn ziekte en genezing. Maar hij zakte weg toen ze om zijn handtekening vroeg, zo gedurfd en ongeduldig. Hij vouwde de krant toe, goot het laatste blonde vocht smakeloos in zijn keel, en liet een briefje van vijf euro achter. Hij hoorde haar nog opstaan, hem achterna lopend op de hakken van haar lef, bewerend dat ze het niet zo had bedoeld. Haar rok wapperde als een vlag om haar slanke benen. Hij draaide zich om, schoot moordende blikken als kogels uit het zintuiglijke wapen dat hij bij zich droeg. Ik zat daar, achter mijn bril met zonneglazen, nipte van een kirr. Nooit zag in een man in die beweging.

Ingrid Strobbe
1 0

Donderdagen

De donderdagen. Ze komen elke keer trouw tevoorschijn vanachter het gordijn van de week. Als alles goed gaat, rijd ik na de middag naar haar. Ik reken er steeds op dat ze me verwacht. Dat ze niet te erg in de war is en me herkent. Mij met plezier binnen laat in de oude villa, met rimpels op de buitenmuren en op het dak een grijs geworden hoed met rand.  Ze opent de deur alsof ik een dochter ben, een brede lach begeleidt me naar de woonkamer. Naar de keuken, waar de hete koffie het kopje vult. Het klontje laat ik liggen. De parkieten, die moet ik bekijken. Een hele namiddag wippen ze van stok naar stok. Het is geen lange-afstand-vlucht; misschien daarom de trieste vormen van de reservoirs. Ongezoet water, droog zaad. Omdat deze vrouw uit 1932 ooit geschreven heeft voor een tijdschrift en haar echtgenoot boeken schreef die bewerkt werden tot toneelstukken, leest ze luidop wat ze tot nog toe noteerde. De groengele parkiet is de hevigste van allemaal, hij lijkt de leider van de vogelbende. Hij pikt gulzig zaadjes uit het bakje weg, maar schijnbaar niet van harte. De grijze parkiet is kleiner en jonger. Een mannetje zoals de anderen. Onrustig wiebelt deze vogel op steeds hetzelfde stokje, alsof deze de zijne is en geen ander gevleugeld dier er recht op heeft. De twee witte vogeltjes zijn veel kleiner en van een ondersoort. Er is er één met een donkerbruine slab om zijn nek. Ze maken kabaal voor honderd. Het lijkt wel alsof ze deelnemen aan een wedstrijd: wie het hardst piept, kaapt het eeuwige leven weg. Ik luister terwijl ik afgeleid word door de krappe ruimte waar deze vogels het mee moeten stellen. Geen van hen kan weg. Ze zijn tot op deze plek gebracht om te animeren, gezelschap te houden, geen hinder te hebben van de voltijds rustige hond. Viviane kijkt me aan en zucht. Ze werpt een tevreden blik naar de kooi, en legt uit dat de stukjes sla tussen de houten wasknijpers nu al niet meer vers zijn. Na twee dagen.   We hangen het één en ander te drogen, aan een droogrek, dat we eerst in de garage dicht vouwden om dan op het terras open te klappen. Het paarse tafelkleed dekt het rek af, als een wit doek over het hoofd van een spook.  Tijd voor een sinaasappel. Eenmaal binnen, merk ik dat de groengele parkiet in de keuken rond vliegt, zenuwachtig en alle hoeken van de kamer benaderend, om opnieuw een richting te kiezen, en dan...stoot de vogel zijn kop tegen het plafond! We schrikken van dit ongelukkig schouwspel. Hoe is hij in hemelsnaam? Er is geen deurtje dat open gewrikt werd, geen holte uit het tralierijke dak gebeten. Viviane rept zich naar de versleten schuifdeur, trekt aan de hendel met een haast van een ontsnapte gevangene, en ziet dan hoe de vogel uit haar notities haar te snel af is, en WEG is hij. Ik kijk hem nog na, eventjes, alsof ik staar naar de zon die de kim verlaat. Viviane rent naar buiten, tussen de bomen staat ze stil. Ik sta met open mond en een stug gevoel van helaasheid naar boven te kijken. Zoekend. Niet vindend. Zoekend, de hele namiddag.

Ingrid Strobbe
4 0

In de huurauto dragen wij pruiken

    Ik herkende je haast niet. Toen je uit de wagen klauterde, zag ik eerst je lange haar Clear Green A80. Je sloeg het naar achteren om nog iets uit het handschoenenkastje te nemen. Een kastje voor droge documenten en vochtige doekjes, behalve schoenen van allerlei soort.. De gps hadden we er nog als een prop bijgestoken.   Ik schaterde om de pruik die jou niet misstond. Maar waarom je die had gehuurd was me een raadsel. Ik kon me niet voorstellen dat men die als gratis extraatje op jouw hoofd had geplaatst. Het eerste wat je uitriep toen je het raampje open draaide, was dit: ‘De auto past me. Shady Green A80.’   Nu konden we de kofferruimte volstouwen met twee moderne valiezen; hard en op wieltjes. In de valiezen het belangrijkste: de kledij voor onze vrije tijd, de toiletzak (vreemd, dat ‘toilet’ maken van je gelaat en gebit) en het zwemgoed. De boeken, de wekker (we willen altijd en overal gewekt worden) de zakdoeken en de enige trui voor een kille avond op een terras. ‘Heb je gedacht aan een fietsband, schat?’ Je kijkt op als ik dat roep, en roept terug: goed idee! Een fiets, een huurfiets, een fietsband in reserve! Wat een stel hersens heeft die vrouw!   ‘Dit is belachelijk’, zei je met klem. Ik keek op. Ik zag dat de gele schuivertjes die het nephaar bij mekaar hielden, los gekomen waren. De krullen bedekten al één oog. Je vocht het uit met Clear Green A80 en ik vond het verstandig om niet tussenbeide te komen.   Ik was er bijna van overtuigd dat de buren als Shady Grey A70 achter de gordijnen toekeken toen wij de huurauto startten. De kanjer van een motor maakte geen agressief lawaai, maar hij maakte toch auditieve indruk met het herhaalde VROE VROE VROEMVROEM VROEOEMMM!! Ze hadden allen hun haar gewassen om ons uit te wuiven, dat kon ik zo al raden. Maar geen mens trok het glasgordijn opzij.   Ik reed zolang ik veilig rijden kon, zo’n slordige vier uren. Dan nam jij van me over, het stuur speelde daar de hoofdrol. Ik profiteerde van de situatie en werd DJ van de rit. Eerst een gevoelig lied, dan nog een gevoelig lied (maar ouder) en dan nam ik een grote sprong naar Nina Hagen. Punk! Jaren die versleten in de container van mijn levensweg werden gesmeten, maar nu terug opgediept. Ik ging absoluut niet meer akkoord met de overtuigingen van Nina. Ze moest dus wijken voor Ozark Henry, de man die zijn artiestennaam had gevonden in de bergen. Die naam teruggaf aan de wereld van miljoenen fans. Vervolgens deed ik het land van bestemming alle eer aan, hoewel de muzikant een Belg was. Ik liet Brel zingen, omwille van de taal. Het Franse brood in de oven dachten we er bij.   En de rit op de snelweg verliep sneller dan verwacht, trager dan gehoopt. Ik keek naar buiten en zag de borden, de afstanden, de snellere mensen in hun zetels van leder die een zuurzoete blik wierpen naar onze wagen in Clear Green A80. Ik was misschien de enige getuige van een konijn dat uit het wild recht in zijn ongeluk liep. De banden pletten het arme dier. Dark Brown A77. Een andere waarneming was deze: de zon die met behulp van haar sterke stralen op de achterbank van de huurauto plaats nam. Onverwacht en zeer welkom. Ze straalde van achteren naar voren, op onze wangen waar ze een blos zette, en in onze handen waar ze zweetdruppels achter liet. Mijn pruik haalde het van andere humor. Andere bestuurders keken me aan en schokten dan van het lachen omwille van mijn Bobje in Clear Orange A80. Vanzelfsprekend droeg ik een topje van dezelfde kleur. In het zonlicht werd jij vrolijk van me. Zo zei je dat.   ‘Deze vakantie is de mooiste ooit’, beweerde ik. Je fronste de wenkbrauwen. ‘Echt? Waarom zeg je dat?’   Omdat de pruik, omdat jouw hoofd, omdat jouw gedachten als het ware binnen dringen in mijn zwijgend bestaan, mijn stille wereld vol zon en schaduw en zure beertjes van de snelweg. De konijntjes van het vertrek. Ze laten hun tranen drogen op het asfalt.   Je keek me nog eens vragend aan. Schudde het hoofd, gaf me een kus in Clear Red, ongenummerd.      

Ingrid Strobbe
3 0

Het plan

Ze stak de straat over, keek al naar het terras in de verte, misschien zou ze hem herkennen. Met een greep geheugen in haar hand twijfelde ze aan het beeld: een grijze broek en zwarte pull met rolkraag. Dat had hij toen gedragen, het ondergoed onzichtbaar maar waarschijnlijk wit en van goede kwaliteit. In het glas de rode wijn van het huis. Hij maakte zijn plan bekend, wachtte haar reactie af. Slechts een glimlach gaf ze hem. Ze kon onmogelijk vragen naar het bedrag, dat zou misstaan. Er stond dus een vergoeding tegenover. 'Schrijf je veel?' 'Toch niet', zei ze. 'Gedichten?' Dat had hij onthouden, en nu wilde hij zich herinneren hoeveel jaar er voorbij was. Zij gokte. Een jaar of drie. Vier.  'Minstens vijf', beweerde hij. Maar overtuigd leek hij niet.   Zwarte pull...welke man droeg...er zat een koppel aan een tafeltje en aan drie andere zaten drie mannen. Drie types, verschillende leeftijden. Aan de oudste kon ze voorbij; hij was het zeker niet. Aan de aantrekkelijkste man, vroeg ze, aarzelend: 'Ben jij Jan?' Dat voelde alsof ze een speurhond was, klaar om van bijdschap te kwispelen. De man aan de uiterst linkse stak zijn hand voorzichtig de hoogte in. Hij had gezien dat zij op zoek was. Tussen hen is bevond zich iets génant toen ze naar een ander terras wandelden. Zij keek naar het maatpak en zijn das. 'Je bent veranderd!' 'Dat type kledij droeg ik toen niet', beaamde hij. Een lichtgroene das kreeg geen kans het grijze pak op te vrolijken. Het eerste denkbeeldig kruisje er over; ze mocht tenslotte kritisch zijn. Er moest besteld worden. De ober had de bestelling willen opnemen. De drankenkaart hadden ze niet eens aangeraakt. Het dringende van een weerzien hadden ze alle voorrang verleend, de ander in zich opnemend, wroetend in het falend geheugen. Het zonlicht brak nog niet door in deze tweede ontmoeting. Hij was gehuwd, ook daar was zij van op de hoogte. Verder werd er weinig onthuld van ieders privé, behalve dat er nood was aan affectie en aan reizen. Dat laatste konden ze met de eigen partner waarmaken. 'Hoe heet ze?' Die overbodige vraag had ze niet gesteld. Het bespreken van het plan; daar hadden ze de bus en de trein voor genomen. Hij de trein, hij de reiziger, hij de rijpere, hij de man voor wie het woord 'joepie' bij kleuters hoorde. Zij de bus, zij joepie! 'En heb je in die jaren iemand anders...?' 'Nee, niemand.' Hij keek er bij alsof ze loog, misschien ééntje om bestwil.    Toen haar moeder ooit had uitgelegd dat zulke leugentjes toegestaan zijn, had ze zich afgevraagd hoe zwaar die leugentjes van slechte wil wogen. Omdat ze geen enkel bezwaar had, licht bleef in de ogen,  claustrofobische schuld geen bezit van haar nam. Het kwam er dus op aan te achterhalen met welke blik hij keek. Welk licht, welke zwaarte? Ze kon weer rustig ademen en koos voor de mozarella en tomaat. 'Je hebt in al die jaren niemand...?' Ze schudde met het hoofd, dronk de spa rood in één keer uit. Hij is best een aardige man, dacht ze. Ik kan me niet inbeelden dat ik deze man anders zou benaderen, vaker zou toelaten, hem iets in het oor zou fluisteren of het haar op zijn armen zou voelen, dacht ze. Toen ze aanstalten maakte af te rekenen, zei hij: 'Laat maar, het is geen probleem.' Plots besefte ze dat de omgeving aan haar voorbij was gegaan. De tijd die ze had besteed zou nooit meer tikken. Met enkele blikken naar links en rechts, naar de barman en de diensters, het rode vasttapijt, de glazen bol vol paaseitjes, nam ze afscheid van een lelijk interieur. Ze stak haar hand uit.  Ze gaven nog een kus.  

Ingrid Strobbe
0 0

Tachtig jaar vooruit

Ze werd tachtig, en ze heeft spijt. Niet omwille van de leeftijd maar omdat niemand foto's nam. Met een echte camera. Iemand had toch, op deze bijzondere dag en bij het feestelijk diner kunnen denken aan de creatie van een aandenken. Die persoon had daar werk van kunnen maken; de mensen schikken bij de vier gangen op het menu. Het decor zag er huiselijk uit, hoewel hoegenaamd niets aan thuis refereerde. Er stonden bloemen in het midden, jassen hingen over stoelen. NIemand die ergens over hing van te veel drank. Er werden slechts twee beelden van het gebeuren vast gelegd, met de gsm. Je kon ze meteen zien, niet als aandenken maar als rechtstreeks verslag. De verjaardag is de nacht voorbij nu, het is een andere dag. Vanf nu is het uitkijken naar het jaar dat haar echtgenoot de tachtig zal bereiken. Twee jaar geduld en gezondheid. Zoveel dagen tellen, en dan de herhaling. Foto's. Kleurrijke? Of zou ze voor zwart-wit opteren? Portretten of groepfoto's? Wilde iemand op de foto? Mensen hebben vreemde wensen, verbonden aan een aversie of een verlangen soms. Ze had verwacht dat iemand een woordje zou spreken; rechtstaand en in de belangstelling van alle aanwezigen. De woorden zouden haar belonen, in de welverdiende kijker zetten, haar hart beroeren, ontroeren. Iemand had een tekst geschreven, maar het niet gebracht. Er was te weinig liefde, te weinig verbondenheid. De avond hing met haakjes van plicht aan mekaar, als twee helften van een bh. Vrouwelijk en mannelijk aan een lange tafel, hier en daar wat kaarslicht, een aantal glazen wijn. Gesprekjes met mensen waar iets mee kon worden opgebouwd. Het up-to-daten van verloren gegane contacten, alsof het water er werd uitgeperst. Om dan later weer te laten verwateren, god weet hoe die gewoonte was gegroeid. Twee jaar later zou geen mens het zijn afgeleerd; dat wachten op de ander. Elke mens zou dieper zijn ingeslapen. Stilte is er zelden op een feest. Te veel stilte lijkt gelijk aan een mislukte avond. Voor de jarige was er geen hoge vogel in de lucht. Enkel het felle licht brak het brood op tafel. In handen het slot. Gesloten ieder werkelijk ontvangst. Zo nu en dan kneep ze haar ogen dicht, alsof ze prikten van het vele kijken naar hoe de anderen zich amuseerden. Ze evalueerde de avond als gezellig en fijn om mee te maken. Haar echtgenoot was er bij, hij gaf haar de obligate kus toen hij naar het rusthuis terug keerde. Hij keek nog over zijn schouder, dat zie je op de foto. Hij zag haar.

Ingrid Strobbe
0 0

Twijfel

Het aantal keren dat hij op deze wijze in het kamertje staat, varieert van dag tot dag. De benen lichtjes gespreid, mikkend, zonder er een spel van te maken, soms naar buiten kijkend. Zijn vrouw had de gordijnen tijdelijk weggehaald. Nu ziet hij in de verte en naar de wolken. Voorbij de tuinmuren kijkt hij andere tuintjes in, maar niemand ziet hem. Daar heeft hij zichzelf van overtuigd. Een vrouw met een wasmand in de armen loopt naar de droogtoren. Ze zet de knijpers per kleur in de natte keukenhanddoeken, hemden, onderlijfjes. Zes maal groen, zes keer geel, twee maal rood. Het aantal keren dat hij de sporen van een vliegtuig ziet, verschilt dagelijks. Nu nadert het gevleugeld vervoermiddel langzaam zijn gezichtsveld, en vertraagt. Hij twijfelt niet, het vermindert zijn snelheid tot het zo goed als stil hangt en hij oog in oog komt te staan met de piloot. Hij schrikt en schikt haastig zijn vrijetijdshemd in zijn jeans. Tot zijn grote verbazing maakt de kapitein van het vliegschip gebaren, alsof hij de man wenkt. Hij wrijft de ogen uit, kijkt nog een keer met argusblik en ziet dat de man hem overtuigder wenkt. Daar kan hij niets op tegen hebben. In snel tempo moet hij een koord spannen om een afstand van ongeveer 500 meter te overbruggen. Het zal er koud zijn. De piloot knikt tevreden wanneer hij opmerkt dat een wollen trui over het hoofd wordt getrokken. De vrouw laat de lege mand in het gras staan, en rekt zich uit. Traag en met bewuste aandacht. Dan gaat ze liggen op een grote handdoek. Met gesloten ogen verzeilt ze in een klare slaap. In een lucide droom ontmoet ze een man die zichzelf voorstelt als Jan. Hij praat onafgebroken over zijn vluchten die lang en vermoeiend zijn. Hij zou ze voor geen goud willen ruilen voor het werk van een treinbestuurder. Terwijl ze zich klaar maakt voor een vlucht van een slordige 5000 kilometer, praat ze over eerdere reiservaringen. Ze kiest een trui die ze over het hoofd trekt. Dan kijkt ze vreemd op van een koord in de lucht, als een hangbrug tussen twee punten. Het ene punt van bevestiging bevindt zich tegen de buitenmuur onder een raam. Ze denkt haar buurman daar te zien, hij staat klaar bij dat raam om een overtocht te maken. Het andere punt van bevestiging zit onder de buik van een stationair vliegtuig. Het wacht daar nabij de wolken, in de blauwe lucht. De piloot wenkt haar. Met vriendelijke gebaren nodigt Jan haar uit op de voltrekking van zijn vlucht. Maar de man moet eerst iets doorspoelen. Het zijn natte dromen. Geen gele of groene. Geen rode.

Ingrid Strobbe
0 0

.be

Ze zit al een hele tijd op het terras, onder zes golfplaten en een druivelaar. Hij vangt alle blikken. Niet haar man, hij rookt niet. Zij blaast de rook onder de rokken en het kleed van het tuinmeubilair. De buiken bewegen nauwelijks. Hongerig kunnen ze niet zijn, ze kregen zonet nog zwoerdjes. 'Wil je een biertje?' Haar opstekende duim: top! 'Wat is de lucht mooi!', roept hij uit. 'Een roos-oranje verte', zegt ze dromerig. Niemand zegt dat daar in de verte een man wordt gestoken met een mes, meermaals en diep, niemand ziet dat de dader er plezier in schept. Ook op die afstand schept een kind van vier een emmer vol tijdverdrijf en zand. Hoor je iemand ritmisch ademen in de slaap, dan fladdert die adem in een buik kortbij. Je merkt het niet eens dat het jouw lichaam is, de buik en hangende longen in jouw lichaam, jouw leven speelt zich af in het roos-oranje licht.  .beangstigend is fantasie en rustig ademen niet. 'De landen willen dat het geweld stopt', zegt hij. Landen maken akkoorden. Ze zijn te .bedeesd ze te verbreken.  Zij merkt op dat ze nog nooit eerder sprak over 'mijn' land. Indien zij een ander land zou bewonen, zou zij het land van geboorte als haar land beschouwen. Misschien...eventueel... 'Zie jij dat kind met de emmer?', vraagt ze. Hij vermoed dat zij het in de verte, met een strand en zand, moe van liggen en waaien, op een akkoord gooide. Een mens ademt en rust in een land, hoort de meeuwen krijsen, schudt aan de pols van de wind. Het strand is kleurloos, het trekt geen mes door de buik van zandkorrels. Alles is moe. Soms is een mens zo moe dat hij meermaals en diep verdwaald, iets opgeeft, iets opheft in de longen en maag, en braakt. Kort daarop landt de reiger. .behoedzaam worden er nieuwe afspraken gemaakt. De mens met het mes heeft dan toch een gesprek over tijdverdrijf, het zand aan de voeten na een wandeling.

Ingrid Strobbe
0 0

Sarah

Het zijn zachte temperaturen voor het seizoen. Dus laat ze de wanten en muts van mohair liggen in de ladekast. In de gang vol daglicht trekt Sarah de ritsen van haar bruine laarzen dicht. De nieuwe winterjas laat ze open, en sluit de voordeur. Duizend stappen per dag, dat is haar doel. Zo bereikt ze de ijzeren poort van de rustplaats, de ondergrondse hemel van haar oma. Sarah schrikt zichtbaar als ze aangesproken wordt. 'Ja, dat ben ik', antwoordt ze. 'Ik meende jou te herkennen', zegt de man. Hij draagt een donkerblauwe duffel en ribfluwelen broek. 'Bart heeft een foto van je op zijn werkkamer staan, vandaar...', legt hij uit. 'Ik bezoek wekelijks mijn oma', zegt Sarah. En wijst naar de achterliggende graven. Ze kijkt hem opnieuw aan en ziet dan de gelijkenissen. Bart heeft een hoekig gelaat en brede wenkbrauwen. Hij ook.  Zijn huid vertoont gelijkenissen met haar huid. De tekenaar van hun leeftijd verfijnde de pennetrekken rond de ogen. 'Loop je met me mee Sarah?' Ze knikt, doet de knopen van haar jas één voor één dicht. Wie komt hij bezoeken? Of heeft hij een ander plan? Iets wegleggen in handen die nooit meer opengaan? 'Wanneer is jouw oma...', probeert hij. 'U zegt?' U, zegt ze tegen de man die over drie dagen misschien naast haar aan de feestdis zit. U, hoe heet u? U, de latere jij. 'Hoe heet jouw oma?, corrigeert hij. 'Elza. Elza Wikkels'. Hij kijkt haar verbaasd aan. 'Ze werd Zaza genoemd?' 'Zaza voor familie', lacht ze. Dan vertelt hij uitbundig hoe zij als een moeder...

Ingrid Strobbe
0 0